Newman door een toneelkijker

Sinds 14 augustus 1991, toen het, in 1986 vernielde magistrale doek van Barnett Newman Who's Afraid of Red, Yellow and Blue III gerestaureerd terugkeerde uit de Verenigde Staten en weer in de erezaal van het Stedelijk Museum werd tentoongesteld, wordt er in de media door restaurators, museumdirecteuren en politici ingegaan op de restauratie van dit werk.

In die discussies wordt de restauratie vanuit de verschillende vakdisciplines kritisch belicht. Beschuldigingen over en weer over de restauratiemethode, de aantasting van het oorspronkelijke kunstwerk en de nogal forse overschrijding van het oorspronkelijke restauratiebudget van vijfhonderdduizend gulden worden op zeer persoonlijke wijze getoonzet.

In deze krant zijn een aantal goed gedocumenteerde artikelen verschenen, zoals het artikel van de restaurator IJsbrand Hummelen (10 oktober) en het interview van Renée Steenbergen met de Amerikaanse restaurateur Daniel Goldreyer (12 oktober). Daarin wordt ingegaan op bepaalde technieken en aspecten van het restaureren en worden werkwijzen toegelicht, zoals in het interview met Daniel Goldreyer, waarin hij zegt dat “er niets mis is met de restauratie”.

Alhoewel er in de diverse artikelen vakmatig wordt ingegaan op de "uitstraling' van het doek, mis ik toch de invalshoek van de ervaringen van de museumbezoeker.

Daar ik over geen andere informatie beschik dan een serie krantenknipsels en ik tevens enige interviews op radio en televisie heb beluisterd en bekeken, kan ik mij redelijk verplaatsen in de positie van een geïnteresseerde museumbezoeker die alleen via de media gegevens over de restauratie kreeg. En wat doet mij nu deze gerestaureerde Who's Afraid of Red, Yellow and Blue III? De vier, vijf keren dat ik de afgelopen weken de erezaal van het Stedelijk Museum binnenging, moest ik steeds weer denken aan die grandiose overzichtstentoonstelling van Newman, in 1972 door Edy de Wilde samengesteld. Een tentoonstelling waarvoor de "nieuwe vleugel' van het museum geheel werd geblindeerd. Alles wat Barnett Newman over het beleven van zijn kunst had geschreven, overspoelde je, als je in die witte ruimten werd geconfronteerd met het overzicht van zijn werk.

De serie Who's Afraid of Red, Yellow en Blue maakte zijn uitspraak tegen de neo-plastici (onder wie Mondriaan) over het gebruik van de kleuren rood, geel en blauw, duidelijk. Indrukken, zo intens, dat zij twintig jaar later nog gedeeltelijk op je netvlies zitten. Op die expositie in 1972 was voor de bezoekers de benaderruimte van het schilderij redelijk aanvaardbaar. Nu is de benaderruimte tweeënhalve meter en worden de werken van Newman door een glazen "tankgracht' van de beschouwer gescheiden. Door het Stedelijk Museum ontvangen dreigbrieven waarin een nieuwe vernietiging van de Newman werd aangekondigd, zijn er mede oorzaak van dat voor deze museum-onvriendelijke presentatie werd gekozen. Dat zo'n maatregel moest worden genomen geeft wel aan hoe groot de lijfelijke agressie ten opzichte van uitingen van hedendaagse beeldende kunst is. Een constatering met een zeer bittere nasmaak.

Bij mijn eerste bezoeken aan de gerestaureerde Newman betrapte ik mijzelf op het feit dat ik weer aan het schilderij moest wennen. Het was immers zo'n vijf jaar weggeweest en de reprodukties in de oude treinstellen waren of in kleur teruggelopen of zaten vol met plakkers met teksten tegen eigentijdse kunst.

Een goed alternatief was de monografie over Barnett Newman door Harold Rosenberg, waarin onder meer uitgebreid wordt gesproken over de hele serie Who's Afraid of Red, Yellow and Blue. Daar ik toch de behoefte had het gerestaureerde schilderij van dichterbij te bekijken, nam ik mijn toevlucht tot het kijken door een toneelkijker.

Kijkend door de toneelkijker was het mogelijk om de verdikkingen in het doek (de plaatsen van de gerepareerde messneden) enigszins te zien. Het rode verfoppervlak heeft een wat korrelige structuur, maar mist - zo vanuit de verte te zien - een zekere "streling' van laag over laag geschilderde partijen, zoals de structuur die (met de toneelkijker) op het doek Gate uit 1954, duidelijk zichtbaar is. Op dat doek zie je verfstreken over elkaar heenlopen. Op het prachtige recent verworven doek Right Here uit 1954 zijn de verfstructuren eveneens zichtbaar. Thomas Hess schrijft in de catalogus van de Newman expositie in 1972 over Who's Afraid of Red, Yellow and Blue I dat het de indruk maakt geschilderd te zijn met strelingen van olieverf, laag over laag, een constatering die eveneens gold voor Who's Afraid of Red, Yellow and Blue III. Die "strelingen van olieverf laag over laag' zag ik niet door mijn kijker.

In de komende tijd zal er zeker nog veel over deze Newman restauratie geschreven èn gesproken worden. Het is te hopen dat het restauratierapport en de video-opnamen van het restauratieproces in grote openheid ter discussie worden gesteld. Niet om een schuldige aan te wijzen maar om duidelijke antwoorden te geven op de vele vragen die zijn gesteld, ook al heeft Wim Beeren, de directeur van het Stedelijk Museum in zijn artikel op de opiniepagina van 16 oktober al redelijk wat informatie gegeven.

Natuurlijk zal ook over dat artikel een pittige discussie ontstaan; al was het alleen maar tussen de voor- en tegenstanders van zijn stelling dat het schilderij Who's Afraid of Red, Yellow and Blue IIIkan worden opgevat als een conceptueel kunstwerk. Een stelling die ook Rudi Fuchs, directeur van het Haags Gemeentemuseum onderschrijft. Mijn visie staat daar diametraal tegenover, omdat naar mijn mening Barnett Newman's werk niet mag worden gerekend tot het gebied van de conceptuele kunst.

Het is hoe dan ook één van de taken van het Stedelijk Museum om die discussie aan te gaan. Het museum heeft immers niet voor niets de naam en de faam sleutelwerken uit het oeuvre van Barnett Newman in zijn verzameling te hebben. Een door de directeur van het Stedelijk Museum, Wim Beeren, voorgestelde expositie van andere gerestaureerde werken van Newman en een symposium daarover, kan de discussie in een breder kader plaatsen.

Bij die gelegenheid zouden ook Nederlandse beeldende kunstenaars zoals Geert van Fastenhout en Jan Roeland die op dezelfde manier als Newman schilderen - het laag over laag aanbrengen van kleuren die minieme kleurintensies hebben - hun visie als vakman moeten kunnen geven. Zelf zou aan te bevelen zijn om als hommage aan deze kunstenaar in de van geheel witte wanden voorziene nieuwbouw-vleugel van het Stedelijk Museum in 1992 nog eens zo'n Newman-expositie te houden als twintig jaar geleden.