Advocaat in strafzaken moet opportunistisch zijn

Onlangs vierde het juridisch studentenblad Ars Aequi in de Amsterdamse Beurs van Berlage zijn veertigste verjaardag met een congres over Recht en Moraal. In dat kader traden twee bekende strafpleiters tegen elkaar in het krijt in een debat over de ethiek van de advocatuur. De Amsterdamse advocate mr. G.H.S van Driem bepleitte een nieuwe beroepscode voor advocaten gebaseerd op fatsoensnormen. Haar tegenpleiter, de Haagse cassatieadvocaat mr. G. Spong, trok het bestaan van zulke algemeen geldende normen in twijfel. Van Driem stond eerder de slachtoffers ter zijde van de onlangs door de Hoge Raad wegens ontucht met minderjarige pupillen veroordeelde ex-psychiater Finkensieper. Spong was in cassatie diens verdediger. Hierbij een bewerkte samenvatting van hun redevoeringen. Zonder ethiek krijgt rechtszaal wildwest-sfeer

Niet gehinderd door kritisch inzicht in datgene wat tot ethische norm wordt verheven, nagelen advocaten elkaar soms aan de schandpaal als het gaat om eerbiedwaardige zaken als de vrijheid van bijstandsverlening en de vrijheid van inhoud van verdediging. Dwingend en autoritair wordt de eigen ethiek verheven tot algemene ethiek. Tuchtrechtelijk is dat vaak op een mislukking uitgelopen. Dat komt omdat de maatschappij en de eigen beroepsgroep uiteenlopende zedelijke opvattingen huldigen. Gelukkig maar.

De algemene geldigheid van ethische maatstaven - zo die al bestaan - is niet vrij van opportunistische toepassing. Protestanten en katholieken hebben elkaar door de eeuwen heen op basis van heilige ethische maatstaven afgeslacht. Ethische maatstaven hebben evenmin voorkomen dat de blanke mens eeuwenlang zijn zwarte medemens tot slaaf heeft gemaakt.

Over de vraag wat ethiek eigenlijk is, bestaat allerminst eensgezindheid. Is het slechts een transcendentie zoals Wittgenstein meende? Of zou het een methodisch wetenschappelijk verantwoorde bezinning zijn op verantwoord handelen of zelfs een reflectie over bepaalde waarden die uitmondt in een moreel oordeel dat verplichtend is voor jezelf en anderen?

De hang naar ethiek kan behalve een beveiligingsmechanisme tegen de mens, meer in het bijzonder een muilkorf voor de advocaat opleveren. Vandaar de vaak verwoede pogingen om handelingen van advocaten aan ethische normen te toetsen. Beroepsgenoten die zich hebben gebogen over de kwestie van de ethiek van de advocatuur hebben er op gewezen dat de professionele ethiek en de algemeen maatschappelijke ethiek soms niet met elkaar sporen. De geheimhoudingsplicht van de advocaat en het daarop gebaseerde vertrouwensbeginsel wordt terecht beschouwd als een vorm van beroepsethiek, maar deze voor het beroep geldende regels kunnen volgens die beroepsgenoten niet in plaats treden van ethische normen - ook al noemen wij het beroepsethiek.

Ik heb gepoogd de methode van Moore en Wittgenstein, het ontdekken van overeenkomsten en verschillen via distinctie, toe te passen op een aantal dilemma's waarmee je als advocaat in strafzaken wel eens wordt geconfronteerd. Maar dat heeft niet geleid tot een eenduidig absoluut goed of slecht ten aanzien van de gekozen handelwijze. Vele beroemde denkers en filosofen hebben zich bezig gehouden met het probleem van de ethiek. Maar wat hebben Moore, Kant, Hegel, Russell of Sartre de mensheid gebracht? Wellicht een paar goede stappen vooruit. Maar in het algemeen hangt de Westerse samenleving - Nederland incluis - van nodeloos geweld, valsigheden, bedrog, dubbele moraal en hypocrisie aan elkaar.

Zo wordt wel eens beweerd dat advocaten zich aan heling schuldig maken indien zij een honorarium aanvaarden, dat afkomstig is uit van misdrijf verkregen gelden. Sinds enige tijd kent het Wetboek van strafrecht in art. 36 e de straf van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Tot op heden valt uit de jaarlijke Justitiebegroting niet op te maken, waar al dat geld - het zijn miljoenen - blijft en of het wordt gesepareerd of vernietigd. Ik heb het veile vermoeden dat het in de staatskas, waaruit justitiële ambtenaren worden betaald, verdwijnt. En ik vraag mij af, of die gang van zaken niet valt onder het bepaalde in art. 416 lid 2 - inhoudende dat iemand schuldig is aan heling die opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen voorwerp voordeel trekt. De vraag laat zich stellen of dat ethisch te verdedigen valt.

Wie slechts onder ogen durft te zien hoe diverse oorlogen en politionele acties zijn begonnen, zwarten en homo's maatschappelijk worden behandeld en wie onder ogen ziet dat er een recente wet op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen nodig is om vrouwen in dit oh zo ethisch bewuste Nederland voor achterstelling te behoeden, die kan slechts tot de conclusie komen dat algemene ethische normen een fata morgana zijn. Een mooie droom en op zijn best een poging het geweten te sussen.

Legale euthanasie, abortus en de mensenrechten zijn in mijn ogen zegeningen die door sommigen wellicht met ethiek in verband worden gebracht. Deze onderwerpen zijn in ieder geval vaak door advocaten verdedigd, vooruitlopend op wettelijke oplossingen.

De hier geschetste stand van zaken, die overigens geen enkele pretentie van zekerheid, waarheid, onbetwistbaarheid of volledigheid bezit, dwingt tot een grote mate van somberheid als het gaat om de vraag of wij met algemeen maatschappelijke ethische maatstaven het handelen van de advocaat kunnen beoordelen. Als wij tenminste de advocatuur niet willen kooien of blootstellen aan een, goed bedoeld, maar niettemin levensgevaarlijk beveiligings-mechanisme. Het onwetenschappelijke en vaak opportunistische aspect van algemene ethische oordelen brengt mee dat het uitvoeren van ethische operaties waarbij de advocaat patiënt is een griezelige bezigheid wordt die, gelet op de filosofische literatuur hierover, waarschijnlijk tot mislukken is gedoemd.

De advocaat in strafzaken moet zo opportunistisch mogelijk zijn. De wens die hij als doorsnee burger koestert (dat bijvoorbeeld alle gevaarlijke boeven achter de tralies komen) moet hij als advocaat terzijde stellen. Als algemene ethiek onverenigbaar is met opportunisme is elk algemeen ethisch oordeel over het optreden van een advocaat in strafzaken onzinnig.

Het handelen van een advocaat dient uitsluitend te worden beoordeeld aan de hand van zijn beroepsnormen; de beroepsethiek. Al het andere is drijfzand, waar de mening of het zedelijk oordeel van de één niet noodzakelijk "beter' hoeft te zijn dan die van de ander.

    • Gerard Spong