Vervloekt het hart dat zich niet matigen kan; Het mislukte leven van Heinrich von Kleist

“Mijn diepste wezen is er in te vinden, de hele vuiligheid en verhevenheid van mijn ziel”, schreef Heinrich von Kleist (1777-1811) in 1808 over zijn toneelstuk Penthesilea, dat volgende week bij Toneelgroep Amsterdam in première gaat. Kleist ging zijn leven lang gebukt onder een sterk besef van sterfelijkheid. In 1805 besloot hij het schrijven en het leven eraan te geven en met Napoleon tegen Engeland te vechten. Napoleon ging niet en Kleist leefde nog zes jaar voordat hij samen met zijn vriendin Henriëtte zelfmoord pleegde “opdat hun zielen zich als twee vrolijke luchtschepen boven de wereld zouden verheffen”.

Het grootste onrecht dat kunst kan worden aangedaan is haar "klassiek' te noemen. Verneder haar, beledig haar, vertrap haar onder uw bekakte schoen, scheld haar voor windbuil en parasiet, spuug haar in het gelaat, maar noem haar niet klassiek. "Klassiek' is een te krappe poederpruik waaronder de hoofdhuid zweet en jeukt van vieze schilfers, het is de koperen buste van Beethoven als presse-papier op een huispiano waarop een rotkind eindeloos de Vlooienmars zit te jengelen, het is een zondagmiddag in de abonnementenserie, als de dames en heren uit Zuid achter hun programmaboekjes geeuwen als vissen op het droge. Het is de dood in de pot. Een klassieke kunstenaar is een fossiel - zo'n steen waarop, als het drie keer wordt uitgelegd, de afdruk is te zien van een of ander uitgestorven wonderdier, een ichtosaurus bij voorbeeld, wiens ooghaartje per ongeluk op die steen terechtgekomen is. Toen de ichtosaurus nog leefde, was het een draak, maar nu hij is teruggebracht tot de alleszins aanvaardbare proporties van een kiezel, verdringt het publiek zich aan de vitrine om op het informatieve bijschrift te lezen waar ze voor gekomen zijn.

Alleen zo, als je de kunst beschouwt als een soort paleografie, is het te begrijpen dat het opgeblazen volksdeel er zo mee te koop loopt in plaats van haar, zoals je zou verwachten, te bestrijden of te ontvluchten als iets wat hen kwaadaardig gezind is. En literatuur wordt zelfs op scholen onderwezen! Alsof het lezen van romans en gedichten niet ongeschikt maakt voor het leven, alsof het niet leidt tot somber gepeins en moedeloosheid, tot onvervulbare verlangens en onoplosbaar heimwee, tot drankzucht en zelfmoord of, in het gunstigste geval, tot grootheidswaan, onverzoenlijkheid en andere onpraktische eigenschappen. Het is een banvloek. Dat de maatschappij desalniettemin prijs stelt op het bevorderen van de kunstbeleving is derhalve alleen te verklaren uit de omstandigheid dat de verantwoordelijke lieden er niets van begrepen hebben en een fossiel verwarren met een ichtosaurus.

Heel duidelijk is deze misvatting te zien bij het beleefde ontzag voor de klassieke Duitse schrijver Heinrich von Kleist (1777-1811). Kleist is een typisch voorbeeld van de stelling dat het werk van een schrijver beschouwd moet worden als de verontschuldiging van iemand die niet weet hoe je moet leven. Maar helaas, met hoeveel wanhoop en woede hij zijn desertie uit het monter voortmarcherende peloton van ferme jongens, stoere knapen ook heeft beschreven, zijn kreet verstomde in het marmer van zijn mausoleum; soms klinken zijn woorden nog in de schouwburgen, ze klinken dan plechtig-vals als toespraken tijdens een dodenherdenking, het publiek neemt de voorgeschreven stilte in acht, al wordt er, als de verveling in de keel begint te kriebelen, hier en daar voorzichtigjes gekucht.

Toen Kleist nog niet klassiek geworden was, en hij niet meer was dan een van de velen voor wie het leven een nodeloos langdurige kwelling is in afwachting van de dood, werd zijn lotgeval bepaald niet aan den volke getoond als voorwerp van verering.

Oekaze

Zo was zijn spectaculaire "dubbele' zelfmoord met Henriëtte Vogel - thans pronkstuk van de klassieke mythe - destijds, toen de lijken nog vers waren, voor koning Frederik Willem III van Pruisen aanleiding tot een vorstelijke oekaze aan de kranten niets meer te publiceren over dit geval van "immoreel gedrag'. “Alle moeite die wij ons getroosten godvrucht en fatsoen te verbreiden”, kankerde de koning, “zou vergeefs zijn indien wij toestonden dat het algemene geloof aan de onverdorvenheid des harten verdacht, het zedelijk oordeel vertroebeld en de volkskracht tot in de kiem vergiftigd werd.”

In onze tijd, waarin kunst al lang niet meer schokt vanwege de grote levensvragen en morele dilemma's die aan de orde worden gesteld en alleen nog geharrewar oplevert als de media om onderwerpen verlegen zitten, wekt een dergelijk optreden wellicht enige bevreemding, maar in die lang vervlogen dagen ging het in de kunst nog om leven en dood. Voor de Pruisische koning was Kleist een défaitist en een deserteur, een verrader die alles van waarde verloochende en voortijdig de nederlaag tekende. Vanuit die gedachte beoordeeld, vanuit de gedachte dus dat het nut en de zin van een mensenleven gelegen zijn in gehoorzaamheid, dienstbaarheid en geloof in het goede, kortom in maatschappelijkheid, had de koning gelijk, meer althans dan al die kunstbevorderaars die hem zo beleefd "klassiek' plegen te noemen. De koning van Pruisen begreep hem tenminste; hij begreep dat Kleist zijn vijand was.

Kleist was ook zijn eigen vijand. Hij stelde zich doelen die onbereikbaar waren en weigerde vervolgens met minder genoegen te nemen, zodat zelfs in beginsel hoopvolle ondernemingen op een mislukking uitliepen. Als je zijn brieven leest, wordt het op den duur haast belachelijk hoe hij telkens weer jubelend schrijft dat hij thans zijn definitieve bestemming heeft gevonden, om even later, bij wijze van spreken nog in dezelfde brief, het moede hoofd in de schoot te leggen. Het is alsof de schrijver van de Aufsatz, den sichern Weg des Glücks zu finden und ungestört - auch unter den gröszten Drangsalen des Lebens - ihn zu genieszen (1798) het onmogelijke in zekere zin uitlokte om te bewijzen dat "de zekere weg' voor hem uiteindelijk alleen de weg naar het kerkhof kon zijn.

Geleerd

Dat opstel over het geluk laat overigens goed zien waar die ongerijmdheid tussen principe en praktijk bij Kleist uit voortkwam. Hij schreef deze beschouwing toen hij zelf allerminst wist hoe hij zijn leven moest inrichten; hij had ontslag aangevraagd bij het Pruisische leger en was gaan studeren in de veronderstelling een groot geleerde te zullen worden, al had hij nog niet besloten in welke tak van wetenschap. Het stuk, opgedragen aan een vriend, laat zich lezen als een brief - zo'n overmoedige en geforceerd zelfverzekerde brief die je schrijft om je sterker te voelen en waarin je een ander probeert te overtuigen van iets waarvan je zelf in het geheel niet zeker bent. Hartroerend is het om te lezen hoe Kleist zijn vriend, maar eigenlijk zichzelf, voorhoudt dat het levensgeluk daadwerkelijk gevonden kan worden. Maar het is juist die beredenering, die toon van bewijsvoering, die je onmiddellijk doet twijfelen aan de waarachtigheid - hij jubelt niet, wat je gezien de titel wel zou mogen verwachten, maar hij betoogt als een advocaat in een verloren zaak, die gewiekst moet argumenteren omdat hij zijn hart niet kan laten spreken.

Al is dit opstel geenszins een meesterwerk, het laat goed zien hoe Kleist dacht. Deze “verschrikkelijkste overdrijver uit de moderne letterkunde”, zoals Stefan Zweig hem noemt in Der Kampf mit dem Dämon, was alleen tevreden met absolute waarheden die bovendien onomstotelijk bewezen moesten zijn. Vooral die voorkeur voor bewijzen is kenmerkend: Kleist, die trots was op zijn mathematisch inzicht, benaderde de grote levensvragen het liefst als probleemstellingen waarvoor hij een definitie moest vinden. Deze zucht naar oplossingen, desnoods contre-coeur, verraden zijn verlangen naar het uiteindelijke en definitieve - een ongeduldig verlangen dat de bewijsvoering van stapsgewijs opzweept tot wilde bokkesprongen. (“Ergens in de schepping moet het zich bevinden, de verzameling van alle dingen moet de oorzaken en bestanddelen van het geluk bevatten.”) Zijn beweren wordt daardoor tot overdrijven en het overdrijven krijgt iets van overschreeuwen alsof hij de verwarring waar hij aan ten prooi is met geweld in het gelid wil dwingen.

De verwarring borrelt bij Kleist voortdurend onder de oppervlakte. Je krijgt de indruk dat hij steeds zo betoogt en bewijst omdat hij het zelf niet gelooft, alsof hij zichzelf probeert te overreden, alsof hij zichzelf van een tegendeel probeert te overtuigen.

Inzinking

De eerste keer dat hij de verwarring niet meer de baas kon, was in 1801, drie jaar nadat hij de zekere weg naar het geluk had gewezen. De bodemloze inzinking waar hij in stortte, staat bekend als de "Kant-crisis'. Het is een nogal gewichtige benaming voor een geval dat mijns inziens vrij algemeen is, namelijk het plotselinge en deprimerende inzicht dat een jongeman heeft die vol vuur over hèt leven en dè waarheid spreekt en ontdekt dat wat hem toevalt slechts een leven is en een waarheid die alleen voor hemzelf geldt. In een brief aan zijn eeuwige verloofde Wilhelmine von Zenge probeert hij zijn inzinking zo helder mogelijk te verklaren - en het is typerend dat hij zijn verwarring, een zaak van het hart, benadert als een filosofisch probleem. “Als alle mensen in plaats van ogen groene glazen hadden, dan konden ze niet anders dan vaststellen dat de dingen die ze waarnemen, groen zijn - en nooit zouden ze kunnen uitmaken of hun oog hun de dingen toont zoals ze zijn of dat hen iets wordt voorgespiegeld dat niet met de dingen zelf maar met het oog te maken heeft. Zo is het ook met het verstand. Wij kunnen niet uitmaken of dat wat wij waarheid noemen, werkelijk waarheid is, of dat het slechts als zodanig overkomt.” Dit inzicht vernietigt in een klap het vertrouwen in zijn eigen leven. Thans is “de enige gedachte die mijn ziel (-) met gloeiende angst bestookt, steeds deze ene: je enige, je hoogste doel is je ontvallen.”

Wat was dat doel?

“Reeds als jongen was ik tot het inzicht gekomen dat de vervolmaking het doel van de schepping was. Ik was ervan overtuigd dat wij ooit, na de dood, van het punt van perfectie dat wij op deze planeet hadden bereikt zouden voortschrijden naar verdere doelen...” Uit deze warrige regels wordt duidelijk dat Kleist vooral leed onder het besef van het onbereikbare en het ontoereikende, kortom het besef van zijn sterfelijkheid. Hij ontdekte tot zijn schrik dat alles wat hij zou ondernemen, alles waarvan hij droomde, dat alles wat hij voor de waarheid hield “er na de dood niet meer was - en alle moeite ons iets toe te eigenen dat ons ook in het graf volgt, vergeefs...”

Aangezien Kleist zo van afdoende oplossingen hield, dacht hij meteen aan zelfmoord. Maar voor het onherroepelijke ervan schrok hij toch terug - hij had de waarheid weliswaar verloren, maar er was altijd nog de hoop.

Het was vooral de hoop op ontsnapping, die hem voortdreef. Hij ging op reis, maar niet zozeer ergens heen alswel ergens vandaan, zo lijkt het. Uit de brieven spreekt een zuigend verlangen om weg te zijn, zich over te geven. En gaandeweg, naarmate hij zich verder verwijdert, alsof hij inderdaad ontsnapt, vindt hij verlossing van zijn dwanggedachte. “Ik wil [mijn geest] niet langer binden en ketenen, hij moet vrij de vleugels uitslaan, onbeteugeld... ach, hadden we maar een leven om te leren hoe het moet, leven, in plaats van in de dood pas te weten wat de hemel met ons voorheeft!”

Ineens was het gedaan met zijn verering voor de zuivere wetenschap. Het rein-menschliche, dat wilde hij nu bestuderen. Maar hoe, als hij zichzelf niet eens begreep? “Ik draag mijn hart met me mee, zoals een noordelijk land de kiem van een zuidvrucht”, verzucht hij, en dan volgt die schitterende zin die niet vertaald kan worden omdat "treiben' zowel "voortjagen' en "slaan' als "groeien' betekent: “Es treibt und treibt, und es kann nicht reifen.”

Geen maat

Inmiddels was ook Kleist duidelijk geworden dat wie er zo aan toe is en dat zo kan verwoorden, alleen maar schrijver kan worden.

Zoals hij ook als aspirant-filosoof en -mathematicus doorsloeg, zo wist hij ook in de literatuur geen maat te houden. Het is alsof bij hem het evenwicht niet een kwestie van balans was, maar van middelpuntvliedende kracht: steeds moest er iets zijn wat hem aantrok, anders schoot hij uit zijn baan.

Niet bekend

Het lukte Kleist echter niet te voldoen aan de door hemzelf gestelde "hoogste opdracht'. Hoewel de oude schrijver Wieland, met wiens zoon hij bevriend was geraakt, laaiend enthousiast was en hem sommeerde door te gaan met Robert Guiskard, en Kleist op een gegeven moment meldde dat hij zijn werk “binnen afzienbare tijd” zou voltooien, hield hij er plotseling mee op. En hij gaf meteen ook maar het hele schrijven eraan, en met het schrijven meteen ook maar zijn hele leven. Aan Ulrike schrijft hij: “Ik heb in Parijs mijn werk, voor zover het af was, doorgelezen, verworpen en verbrand: en nu is het afgelopen. De hemel ontzegt mij de roem, het grootste goed op aarde; en al het andere verwerp ik als een eigenwijs kind. (-) Ik stort mij in de dood. Wees gerust, verheven wezen, ik ga de schone dood op het slagveld tegemoet. (-) Ik ga in Franse krijgsdienst, het leger vaart binnenkort naar Engeland, ons aller ondergang sluimert overzee, ik verheug mij bij het vooruitzicht op een eindeloos mooi graf.”

Maar Napoleon ging niet naar Engeland, en Kleist was maandenlang spoorloos, totdat hij, volkomen ingestort, bij een Duitse arts opdook.

Later sprak hij niet graag meer over deze episode: “Ik ben niet in staat verstandige mensen enig uitsluitsel over deze vreemde reis te geven. Ik weet zelf sinds mijn ziekte niet meer wat mijn motieven zijn geweest, en ik begrijp niet hoe bepaalde zaken op elkaar konden volgen.”

Wieland, de oude dichter die zijn talent onmiddellijk had onderkend, begreep wèl waarom Kleist was ingestort. Hij geeft een hele opsomming van Kleists kwellingen: “Zijn op zelfbewustheid, maar door zijn lot gefnuikte trots, de excentriciteit van zijn hele loopbaan, waar hij sinds zijn ontslag uit het (Pruisische) leger van hot naar her werd geslingerd, zijn verschrikkelijke inspanningen, zijn vruchteloze streven naar een onbereikbaar droombeeld van volmaaktheid en zijn reeds tot idée fixe geworden Guiskard.” Geen wonder dat het hem te veel werd.

Goede moed

In dit rijtje van Wieland kwam na zijn herstel ogenschijnlijk geen verandering. Zijn loopbaan bleef excentriek - je wordt al moe als je leest aan welke betrekkingen en vooruitzichten Kleist zich vol goede moed steeds weer wijdde. Ook leed hij nog af en toe aan overspannenheid (“Twee van de drie dagen moet ik het bed houden. Mijn zenuwstelsel is kapot” - 24.10.1806). Alleen zijn droombeeld van volmaaktheid, daar repte hij met geen woord meer over. Kende hij inmiddels zijn beperkingen? Of had hij de overtuiging dat hij die droom door zelfmoord zou verwezenlijken, en werkte hij nu in alle gemoedsrust zijn leven af, als iets wat nu eenmaal gedaan moet worden, als het ware om zijn dood te "verdienen'? Het is opvallend hoe hij in betrekkelijk korte tijd en zonder jammerklachten zijn meesterwerken schreef. (Hij schreef zelfs rustig door toen hij als krijgsgevangene naar Frankrijk werd afgevoerd.) Trots en tevreden was hij zeker, maar in geen enkele brief is iets te bespeuren van de obsessie, de overgave waarmee hij zich op Robert Guiskard had gestort. Ik denk, maar dat is speculatie, dat hij zijn latere werken schreef als afrekening met de wereld, terwijl hij voor zijn instorting schreef om de wereld te veroveren.

De toneelstukken en verhalen uit de laatste zes jaar van zijn leven tonen de vastheid van de hand van een auteur die weet wat hij doet omdat de thema's die hij aan de orde stelt de thema's van zijn eigen leven zijn. “Het is waar”, schrijft hij over Penthesilea (1808), “mijn diepste wezen is er in te vinden (-) de hele vuiligheid en verhevenheid van mijn ziel.”

Eine Empfindung, maar die met volle kracht uitbeelden: Kleist is daar in Penthesilea volledig in geslaagd. In deze tragedie wordt de koningin der Amazonen opgezweept door een waanzinnige liefde voor Achilles, maar zij kan slechts vervulling voor haar hartstocht vinden door hem letterlijk te veroveren. De Griek, geamuseerd en gevleid, speelt het spel mee, niet begrijpend dat het voor haar geen spel is, maar een noodlot. (“Vervloekt het hart dat zich niet matigen kan.”) In Penthesilea gaat het om een tragisch misverstand dat in het werk van Kleist steeds terugkeert: obsessieve hartstocht die met speelse onverschilligheid wordt beantwoord. En omdat die hartstocht geen tegendeel kan vinden om in evenwicht te raken, slaat zij door en wordt tot blinde woede, alsof de pendant van onbeantwoord verlangen alleen nog moordlust en doodsdrift kan zijn.

De laatste woorden die Penthesilea spreekt - als ze haar geliefde heeft doodgebeten en op het punt staat zichzelf te doden - zouden kunnen gelden als Kleists persoonlijke poëtica: “Thans (-) daal ik in mijn boezem af, als in een schacht, en delf daar, koud als brons, gevoelens van verdelging in mij op. Dat brons, dat louter ik in weedoms gloed tot hard, fel staal; doordrenk het dan met gif, heel bijtend, van berouw, geheel en al; breng dit naar 't eeuwig aambeeld van de hoop en scherp en punt en slijp het tot een dolk; en deze dolk dan schenk ik aan mijn borst.”

Doorboren

Het liefst had de schrijver uit de schachten van zijn innerlijk gevoelens van schoonheid en waarheid opgedolven waarmee hij de lezer het hart doorboren kon, maar hij vond slechts haat tegen de wereld en tegen zijn lot en daarmee verwondde hij ten slotte alleen zichzelf.

Uit de regels spreekt ook de onmogelijkheid zich direct mee te delen, een thema dat, naast het vervloekte hart dat zich niet kan matigen, in zijn werken steeds terugkeert.

In Das Kätchen von Heilbronn (1810) kan de smidsdochter Kätchen haar liefde voor graaf Wetter vom Strahl slechts uiten door, als hij wegrijdt, hem uit het raam achterna te springen en haar benen te breken. Later, als ze hersteld is, volgt ze hem van legerkamp naar legerkamp zonder dat er ooit een woord over haar lippen komt. Kleist beschouwde dit stuk als de "keerzijde' van Penthesilea: de ene zoekt de vervulling in het veroveren, de ander in de totale overgave, beiden Kleistisch-krankzinnig consequent in hun obsessieve hartstocht, beiden niet in staat die begrijpelijk te maken.

In tegenstelling tot Penthesilea vindt Kätchen het geluk wèl, al moeten een engel en de keizer eraan te pas komen om het tot stand te brengen - een cynische ingreep waarmee Kleist wil zeggen dat het ware gevoel door de mensen zelf niet meer kan worden herkend.

Alleen de titelheld van het verhaal Michael Kohlhaas (1810) slaagt erin op eigen kracht de waarheid te onderscheiden, maar het is helaas een waarheid waarin verder niemand kan geloven - en als de langverbeide gerechtigheid over hem neerdaalt, ligt zijn hoofd jammer genoeg al op het hakblok.

De waarheid die door de mensen niet meer kan worden herkend, en die alleen door tussenkomst van goden (zoals in Das Kätchen en Amphitryon) of door de dood (zoals in Michael Kohlhaas) kan worden opgehelderd, dat is, misschien, hèt verhaal dat Kleist steeds wilde vertellen: zijn hart joeg hem voort, maar zijn verstand werd radeloos, want waarheen in godsnaam? Es treibt und treibt, und es kann niet reifen.

Eine Empfindung, maar die met volle kracht darzustellen, zijn hoogste opdracht, werd, toen de goden het lieten afweten, de zelfgekozen dood. Haast opgelucht schrijft hij: “Het is voor mij volstrekt onmogelijk om verder te leven; mijn ziel is zo gekwetst dat, zou ik haast willen zeggen, als ik mijn neus uit het raam steek, het daglicht dat er op valt, mij al bezeert.” In Henriëtte Vogel, een kankerpatiënte die hij bereid had gevonden, had hij een ideale metgezel. Hun laatste dagen brachten ze door met het schrijven van litanieën van liefde en dood, die ze aan elkaar richtten, en van afscheidsbrieven aan familie en kennissen. Op 21 november 1811 gingen ze naar de Wannsee even buiten Berlijn, waar Kleist de hele dag koffie met rum dronk totdat hij zich in staat achtte Henriëtte Vogel door het hart en zichzelf door de mond te schieten opdat hun zielen zich “als twee vrolijke luchtschepen boven de wereld (zouden) verheffen”.

Zijn grafschrift had hij al jaren klaar: Hij “viel, daar [hij] te trots en hevig bloeide!- De kranke eik blijft staande in de storm,- maar de gezonde eik stort dreunend neer- omdat hij gevat wordt in zijn kruin.”