Verdachten Van Gogh-roof geven elkaar de schuld

AMSTERDAM, 18 OKT. Wie was het Brein achter de roof van twintig schilderijen van Vincent van Gogh, met een geschatte waarde van een miljard gulden de grootste kunstroof in vredestijd in Nederland ooit gepleegd?

Deze vraag stond gisteren centraal tijdens de behandeling van de spectaculaire Van Gogh-roof, die op 14 april van dit jaar plaatshad. De officier van justitie eiste een straf van acht jaar wegens het plegen en medeplegen van diefstal met geweld tegen de daders.

Van de vier verdachten hadden er twee - voormalige medewerkers van het betrokken beveiligingsbedrijf VNV - reeds eerder hun aandeel in de roof toegegeven. De twee buitenstaanders bekenden alsnog ter zitting. Allen betuigden spijt. “Ik ben blij dat die kunstschatten weer terug zijn. Ik houd van schilderijen, weet je wel”, aldus verdachte Roberto M. (31).

Niemand eiste evenwel de titel van meesterbrein op. Vooral de eerder voor inbraken veroordeelde Patrick van D. (28) en de voormalige student politicologie Roy P. (32), bij sommigen beter bekend als “de spin”, trachtten elkaar deze rol in de schoenen te schuiven. P., die met enige gretigheid had meegewerkt aan een psychologisch onderzoek, profileerde zich vooral als een emotioneel labiele persoonlijkheid als gevolg van de oorlogstrauma's van zijn ouders. Daarbij typeerde hij zichzelf als “een patatje” met een zwak karakter, die onder druk van Patrick van D. tot medewerking zou zijn gedwongen.

Raadsman mr. F. Niesink van verdachte Van D. meende echter met “een zak aardappelen” van doen te hebben als het het aandeel van P. in de roof betrof. Van D. zou de hele roof, inclusief alle voorbereidingen door P. op een dienblaadje aangeboden hebben gekregen terwijl hij nog een oude straf uitzat. Ook rechtbankpresident mr. S. Slagter gaf met enige regelmaat te kennen dat hij moeite had met een aantal verklaringen van Roy P., terwijl officier van justitie mr. N. Schaar zich ergerde aan het psychologische rapport waarin sprake was van “enige mate van verminderde toerekeningsvatbaarheid” van de vroegere student bestuurskunde.

Tijdens de behandeling van de zaak werd gedetailleerd ingegaan op de voorbereidingen en de uitvoering van de roof. Roy P. benaderde eind vorig jaar zijn vroegere VNV-collega Rob van B. (24) met de vraag of hij meer informatie wilde verstrekken over het veiligheidssysteem van het Van Gogh-museum. Beiden hadden twee jaar daarvoor het museum bewaakt en tijdens hun rondes wel eens de gedachte geopperd hoe het zou zijn om een van de doeken thuis aan de muur te hebben. “Als geintje”, aldus Van B..

Van een geintje was bij de hernieuwde kennismaking weinig sprake meer. Van B. voorzag de inbraakploeg, begin dit jaar versterkt met de vrijgekomen Van D. en diens kennis Roberto M., van gedetailleerde situatieschetsen. Bij Roy P. thuis werden vervolgens de plannen punt voor punt uitgewerkt. Over de mogelijke opdrachtgevers werd gisteren niet meer duidelijk dan de bewering van Roy P. dat Van D. Japanse afnemers had, terwijl Van D. verklaarde dat P. de zaak verder regelde.

Volgens plan liet Van D. zich zaterdag 13 april met behulp van een nagemaakte sleutel insluiten in de onbewaakte projectiekamer van het museum. 's Nachts, even na drieën kwam hij getooid met bivakmuts tevoorschijn en overmeesterde de twee nachtwakers van VNV (waaronder Rob van B.) onder dreiging van een pistool. Vervolgens werd, op aanwijzing van Van B., het alarm uitgeschakeld. M., die op zijn fiets gearriveerd was, werd binnengelaten en nam de wacht bij het bewakersduo over. Van D. knipte vervolgens de twintig schilderijen uit hun lijst.

Van een bewuste selectie was daarbij volgens Van D. geen sprake geweest. “Daar was nooit over gesproken, als het maar een Van Gogh was”, zo verklaarde Van D. tot enige verbazing van de rechtbankpresident. “Dan hebt u wel een goede smaak, want het waren wel precies de duurste”, aldus Slagter.

Na een half uurtje knippen vond Van D. het volgens eigen zeggen welletjes. De ingesloten bewakers werd hun autosleutels afhandig gemaakt. In de Volkswagen Passat stationcar van de oudere collega van Van B. werden de opgerolde schilderijen ingeladen. M. fietste terug naar huis. De auto werd, compleet met de buit van een miljard en een bivakmuts, door Van D. bij het Amstelstation achtergelaten.

Een slordige afwerking van de zaak, meende de rechtbankpresident. Want de auto met inhoud werd reeds een kwartiertje later gesignaleerd door een oplettende chauffeur van een sleepwagen van de politie die via de radio het kenteken van de auto had doorgekregen. Het busje waarin de lading overgeheveld had moeten worden kreeg een klapband. Wie achter het stuur zat werd gisteren niet duidelijk.

Opmerkelijk was eveneens de gang van zaken bij de beveiliging van het museum. VNV-bewaker Van B. had zich middels het systeemplafond weten te “bevrijden” en sloeg tien voor half vijf alarm bij de centrale meldkamer van de VNV. Daar had men dus ongeveer vijf kwartier lang het gele waarschuwingslampje, dat aangaf dat het alarmsysteem was uitgeschakeld, genegeerd.

In de plannen was rekening gehouden met deze omissie in het beveiligingssysteem, aldus Van B., die volgens advocaat Niesink al maanden had geëxperimenteerd met de alertheid van zijn collega's door op gezette tijden het alarmsysteem uit te schakelen. “In mijn verbeelding zitten daar een heleboel lampjes die aan en uit floepen. Dat valt niet op zo'n groot controlepaneel niet op”, aldus Van B.. “Maar die mensen in de centrale meldkamer zitten daar toch juist voor ?”, aldus de verbijsterde rechtbankpresident.

Dat laatste kan nog wel eens gevolgen hebben voor de schadeclaims die het ministerie van WVC en het Van Gogh-museum in petto hebben. Het museum raamt de totale schade in de vorm van restauratiekosten en gederfde inkomsten op 146.175 gulden. En volgens een woordvoerder van het ministerie van WVC zal na het vonnis niet alleen bekeken worden in hoeverre de daders individueel aansprakelijk zijn voor de schade, maar wordt ook onder de loep genomen in hoeverre de VNV nalatigheid kan worden verweten.

Officier van justitie mr. Schaar maakte in zijn eis van acht jaar met aftrek van voorarrest geen onderscheid in de individuele betrokkenheid van de verdachten. Bij de zware eis liet hij meewegen dat er sprake was geweest ernstige dreiging met geweld en tevens dat het gaat om kunstschatten met extreem hoge waarde voor de gemeenschap.

De verdedigers van de vier verdachten vroegen allen een aanmerkelijk lagere straf. In het laatste woord reageerde Roy P. woedend op de eis: “Volkomen belachelijk. Het is nooit mijn intentie geweest crimineel te worden, anders was ik ook nooit aan bestuurskunde begonnen.”

Uitspraak 31 oktober.

    • Steven Adolf