Psalmen 1

Dat Maarten 't Hart ons, die als dichters aansprakelijk zijn voor de hedentendage gezongen psalmen, geen goed hart toedraagt was reeds lang bekend. Wij hebben aan de kerk die hij zelf sinds lang de rug heeft toegekeerd - men zou zeggen; waar bemoeit hij zich nog mee! - de psalmen ontnomen die hem als jongetje zo dierbaar zijn geweest. Maar zie, wij hebben nòg meer op ons geweten, zoals ik in het Cultureel Supplement van 11 oktober jl. moest lezen. Wij zijn het ook die verantwoordelijkheid dragen voor de dood van zijn vader. “Toen in 1973 de nieuwe psalmberijming werd ingevoerd”, zo schrijft Maarten, “was mijn vader een jaar lang zo woedend dat hij aan het eind van 1973 aan een hartaanval is bezweken”.

Nu werd in mei 1973 het "Liedboek voor de kerken' ingevoerd. De daarin opgenomen "nieuwe psalmberijming' evenwel, was, begonnen in 1952, na enkele voorpublikaties in 1958, 1961 en 1967 al in 1968 integraal verschenen en ten gebruike aangeboden. De klap moet vader 't Hart dus op z'n laatst al in 1968 hebben getroffen, en het is dan ook alleen maar verheugend dat hij daarna toch nog zeker vijf jaar heeft mogen leven. Kortom: stemmingmakend geleuter! Hetgeen niet wegneemt dat ik het aangeduide probleem erken.

Ik zou het hierbij hebben gelaten, wanneer ik niet tevens een andere zwaarwegende fout had moeten vaststellen. Onder "de drie in de kerk gebruikte berijmingen van psalm 130', die boven het artikel staan afgedrukt, is namelijk - met de suggestie dat het hier om de versie uit het "Liedboek voor de kerken' gaat - een nogal obscure proeve van rijmvaardigheid terechtgekomen van een zekere Abrahamson, die inderdaad in 1973 ergens schijnt te zijn gepubliceerd. Maar ja, wie weigert er zich rekenschap van te geven dat het hedentendage meest gebruikte rijmpsalter "psalmberijming 1968' heet moet haast wel zo'n blunder maken. Ik kan tenminste bijna niet aannemen dat 't Hart de onwelwillendheid jegens ons - Barnard, Heeroma, Kamphuis, Van der Molen, Schulte Nordholt, Wit en ondergetekende - zó ver heeft willen drijven dat hij opzettelijk een verwisseltruc heeft toegepast. Voor iedere poëziegevoelige is het immers zonneklaar dat deze Abrahamson-berijming inferieur is aan de beide andere, zelfs aan het onhandige gewrocht van Petrus Dathenus uit 1566. Daarom laat ik hieronder de werkelijke nieuwe berijming van psalm 130 uit het "Liedboek voor de kerken' volgen. De tekst is van W. Barnard, alias Guillaume van der Graft:

1.

Uit diepten van ellende- roep ik tot U, o Heer Gij kunt verlossing zenden,- ik werp voor U mij neer. O laat uw oor zich neigen- tot mij, tot mijn gebed, Laat mij gehoor verkrijgen,- red mij, o Here, red!

2.

Zoudt Gij indachtig wezen- al wat een mens misdeed, wie zou nog kunnen leven- in al zijn angst en leed? Maar Gij wilt ons vergeven,- Gij scheldt de schulden kwijt, opdat wij zouden vrezen- uw goedertierenheid.

3.

Ik heb mijn hoop gevestigd- Op God den Heer die hoort. Mijn hart, hoezeer onrustig,- wacht zijn verlossend woord. Nog meer dan in de nachten- wachters het morgenlicht, blijf ik, o Heer, verwachten- Uw lichtend aangezicht.

4.

Gij al Gods bondgenoten- ziet naar zijn toekomst uit! De Heer is vast besloten- tot goedertierenheid! Hoort aan de goede tijding:- Hij geeft in zijn geduld aan Israël bevrijding- van onrecht en van schuld.