Op een dag woei het zo hard dat de slurf van het ...

Op een dag woei het zo hard dat de slurf van het hoofd van de olifant woei. “Hola”, riep hij. Met moeite kon hij zijn oren bij zich houden. Zijn slurf verdween over de bomen. De olifant ging in een struik zitten en wachtte tot de storm voorbij was.

Aan het eind van de middag ging de wind liggen en kwam de olifant weer tevoorschijn. Treurig liep hij door het bos. Hij kwam nog meer dieren tegen die iets kwijt waren - maar hij meende dat hij wel het zwaarst getroffen was van iedereen.

“Net een grijze homp”, zei hij met afgrijzen tegen zijn spiegelbeeld in de rivier.

Hij holde naar de boktor en klopte op zijn deur.

“Wie is daar?” vroeg de boktor.

“De grijze homp”, zei de olifant. Hij schaamde zich zo diep dat hij zijn oude naam niet meer durfde te noemen.

“Kom maar binnen, grijze homp”, zei de boktor. Hij zag er grauw en onevenwichtig uit. Hij vertelde aan de olifant dat het grootste deel van zijn verstand was weggewaaid. Maar de olifant luisterde niet en vroeg of hij nog ergens een slurf had.

“Ja”, zei de boktor. Hij haalde een lang ding tevoorschijn en zette het op het gezicht van de olifant. Het was daar binnen te donker om te zien wat het was.

“Dank je wel”, zei de olifant.

De boktor mompelde: “Ik moet eerst nagaan welk deel van mijn verstand ik kwijt ben. Maar misschien kan ik dat niet eens nagaan omdat nagaan er bij zit...” De overblijfselen van zijn verstand kraakten in zijn hoofd en hij zuchtte diep en langdurig.

De olifant holde naar de vijver en bekeek zich in het water. Hij zag dat er een soort witte snavel op zijn gezicht zat. Nu ben ik niet eens meer een grijze homp, dacht hij. Nu ben ik echt niets meer.

En somber ging hij in het gras zitten wachten op iets leuks.