Nooit zag ik roder lippen; De zonnige jeugd van Tom Lanoye

Tom Lanoye: Kartonnen dozen. Uitg. Prometheus, 148 blz. Prijs ƒ 27,90.

De lichte toon van Tom Lanoye is een verademing na de zwaarwichtigheid waarmee kindersmart en harteleed zo vaak te boek worden gesteld. Eindelijk weer eens iemand die zijn jeugd niet uitsluitend ziet als een moeras van misère. De jeugd van Lanoye was even Vlaams en katholiek als die waarover Hugo Claus schreef in Het verdriet van België maar Lanoye had het grote voordeel dat zijn schooltijd bijna dertig jaar later kwam. Twaalf jaar oud zijn in 1970 was heel wat anders dan twaalf jaar oud zijn in 1941. Het verschil in stemming tussen de roman van Lanoye en die van Claus is er een van nacht en dag. De school van Lanoye was van huis uit een klein seminarie en de directie deed haar uiterste best om met de tijd mee te gaan en zo te kunnen concurreren met de goddeloze staatsscholen. Daarbij werd het principe van "instemmende afwijzing' gevolgd, een subtiele variant van repressieve tolerantie. Ongegeneerd collaboreren met de tijdgeest, noemt Lanoye het. De leraren wilden helemaal geen leraar meer zijn maar vriend of hooguit moderator, als dat tenminste niet te paternalistisch klonk.

Het is typerend voor Lanoye's lankmoedigheid en goede humeur dat hij, hoe ironisch hij ook schrijft over de pedagogische vernieuwingen van die tijd, steeds de nadruk legt op de brave bedoelingen van de leraren en niet op de meeloperigheid en halfzachtheid die daar ook een rol bij speelden. Alleen als hij het over de directie heeft, wordt hij venijnig; ze zorgden ervoor dat elk experiment de overlevingskansen had "van een aardappel geplant in een emmer kiezels'. In die atmosfeer van nog naar soutanes riekende vernieuwing tekent Lanoye zichzelf als een uitslovertje dat altijd het bord schoonmaakt en voortdurend met zijn opgestoken vinger zit te zwaaien. De ironie maakt dan plaats voor zelfspot en dat is een stijlmiddel dat Lanoye al even behendig hanteert als de ironie. Nooit leidt het bij hem tot de aanpalende zelfbehagelijkheid van "moet je mij eens zien'.

Dat Lanoye weinig ingenomen is met allerlei Vlaamse verschijnselen wisten we al uit zijn vroegere werk. Als hij het gaat hebben over de Metaalprocessie, oftewel de IJzerbedevaart, is het zeer onwaarschijnlijk dat hij die zal bejubelen. Dat doet hij ook niet, maar er zit in zijn beschrijving van de mentaliteit van de bedevaartgangers meer blijmoedig begrip dan we van hem verwacht hadden. Een van de redenen daarvoor is misschien dat de voornaamste toespraken en liedteksten voor de processie geschreven werden door de leraar aan wie hij op school het meest had gehad. De man die om zijn uiterlijk Mussolini werd genoemd en wiens ware naam ons onthouden wordt, was "een van de grootste nog levende dichters van het land' en bracht de jongens in kennis met het werk van Lucebert, Andreus, Snoek, Claus, Pernath en allerlei schrijvers uit het buitenland. Lanoye bewonderde hem daarom en om zijn dichterschap, al verafschuwde hij zijn ideologie.

Bij de beschrijving van het leven buiten de school is er geen plaats voor zelfspot of ironie. Het leven thuis was misschien niet altijd stralend maar wel zonnig. Hij vereerde zijn moeder en hij geeft een prachtig verslag van de methode waarmee zij hem inwijdde in de geheimen van de keuken en hem inschakelde bij haar repetities voor het amateurtoneel. Zijn vijf jaar oudere zuster is niet het veel voorkomende bazige heksje maar een lief meisje dat van het begin af aan als zijn beschermengel optreedt. Van de vader krijgen we niet veel te zien. Wel is het duidelijk dat hij aardig is en grappen maakt die de jongen leuk vindt. Er is geen sprake van angst of onbehagen.

Hoe licht en ironiserend de toon van Lanoye ook is, zijn boek is van het begin tot het eind geladen met emotie. Er zijn emoties thuis en op school maar alles valt in het niet bij de verliefdheid op Z. De jongens ontmoeten elkaar als ze tien jaar oud zijn, gaan dan nauwelijks met elkaar om en steken alleen een hand op als ze elkaar zien: "een stoere groet, als van twee mannen die ooit een tijd op dezelfde werf hadden gewerkt.' Pas in de derde klas, als ze veertien zijn, treft de fysieke aantrekkelijkheid van Z. hem met een klap die hem jarenlang alle rust ontneemt. Hij wordt bezeten van het lichaam van Z., voorzover hij dat dan te zien krijgt. "Nooit zag ik roder lippen. Nooit een mooier lijf.' Hij probeert alles van hem in zijn geheugen op te slaan; zijn kleren, zijn gezichtsuitdrukkingen, zijn gewoontes. Tot lichamelijk contact komt het in die jaren niet en Lanoye stelt zich tevreden, zeer tevreden, door Z. tot het object van zijn masturberen te maken - hij had allang het idee dat daar iets aan ontbrak. Pas tijdens een schoolreis naar Griekenland, als ze zeventien zijn, belanden ze bij elkaar in bed. Dat is dan ook meteen het einde, want Z. wil er na die ene keer niets meer van weten.

Niet vaak is een jeugdliefde zo aandachtig en aandoenlijk beschreven, zonder sentimentaliteit maar wel met veel gevoel voor de komische kracht die de onhandige toenaderingspogingen ook hadden. Zoals altijd zit Lanoye in dit boek vol grappen en grollen en de meeste doen het wel. Een enkele keer loopt er nog een flauwe tussendoor, zoals "het beste bij jezelf naar boven brengen' als definitie van masturberen. De uitvoerige beschrijving van de technieken die hij daarvoor heeft ontwikkeld, past wel in het verhaal maar voegt niets toe aan de handleiding die Philip Roth in Portnoy's Complaint heeft gegeven. Zelfs het gebruik van kalfslever is daar al besproken. Echt overbodig zijn de vele wendingen tot de lezer. Lanoye schrijft zo persoonlijk en vertrouwelijk dat er geen enkele reden is om te proberen de band tussen schrijver en lezer op deze manier dichter aan te halen. Het zijn geen ernstige bezwaren en Kartonnen dozen is een originele en buitengewoon amusante roman vol vrolijke melancholie.

    • P.M. Reinders