Jullie Tsjechen zijn zo zwaar op de hand; Brieven uit Zandvoort aan zee

“Het is een droeve zaak voor de wereldreiziger: overal dezelfde alcohol, chocolade en sigaretten, de eendere drek aan kinderspeelgoed en souvenirs.” Ludvk Vaculk, auteur van Guinese biggetjes en De bijl en nestor van de voormalige Tsjechische samizdat, logeert voor een paar maanden in een strandhotel in Zandvoort, als gast van de cultureel- wetenschappelijke Patocka-stichting. Van daar uit schrijft hij onder meer brieven aan familie en bekenden in Tsjechoslowakije. Vaculks collega en landgenoot Jan Stavinoha, die sinds de Praagse Lente in Nederland woont, doet het omgekeerde. Hij reisde naar Tsjechoslowakije en beschrijft het Praag van na de Fluwelen Revolutie. “U moet wel beseffen, dat Tsjechen een bijzonder talent hebben, het talent om op een intelligente manier ongehoorzaam te zijn.”

Beste Sergej*

Jij bent de eerste wie ik schrijf, ik vermoed omdat je de laatste was met wie ik over het doel van mijn verblijf heb gesproken, en nu komt dat steeds weer bij me bovendrijven: waarheen leidt mijn pad en wat mag ik van de toekomst wensen wanneer je "niet alles kunt hebben', zoals jij zei. Ik weet het ook niet. In elk geval de hoofdzaak! In het leven is schrijven echter voor mij een noodzaak, afgezien van de handel. (Of de lol.)

Van het doel waar meneer Van den Heuvel, de directeur van de Patocka-stichting, me heen leidde, rezen de haren me een beetje te berge, maar voor hen die allerlei Bulgarijes hebben aangedaan, was het ook weer niets nieuws. Toen onze trein door de duinen was gereden, waar ik te voet nog weleens een kijkje wil nemen, en op het eindstationnetje was beland, vreesde ik dat ons doel dat mega-hotel was verderop, en ja hoor!

Negentien etages, en op de zesde heb ik mijn 3 + 1. Een keuken met alle apparatuur, een grote woonkamer met Engels en Beiers aardewerk, Chinese doosjes, schemerlampjes en reprodukties van schilderijen met Hollands straatleven. Twee slaapkamers met tweepersoonsbedden en één extra - zoiets zou ons goed van pas zijn gekomen voor de kwartaalsessies van onze junta onder het ancien regime, was mijn eerste lumineuze idee. Bovendien vraagt hier niemand je te legitimeren: ze hebben me hier ingeschreven onder een naam die ze uit de tweede hand hadden - die van meneer Van den Heuvel. Eén slaapkamer heeft een loggia aan de stadszijde, de andere ligt aan de tegenovergestelde kant: aan die van de zee, die me onthutste door haar nabijheid, weidsheid, ruisen en door een zekere... kwetsende diepere bedoeling. (De wortel daarvan ontdekte ik pas vanmorgen toen ik vanuit mijn lege bed dacht uit te kijken op de Moldau.)

Ik betrad de zeekamer en zag meteen dat er zich vijftig kilometer rechts en links een strand uitstrekte dat bezaaid was met ligstoelen, cabines, tafeltjes, parasols: was dit nu de eenzaamheid waartoe ik had besloten? Over de rustige branding gleden surfers voorbij. Ik liep van de ene kant naar de andere en herhaalde in mezelf: "Wel heb ik ooit!', en meneer Van den Heuvel, die me glimlachend was gevolgd, was trots op zijn daad. Ik dacht natuurlijk meteen aan het benepen hokje dat professor Patocka destijds in Praag-Brevnov bewoond had. “Ik schaam me”, zei ik. “Het is voor ons juist een eer u hier te mogen begroeten”, voegde meneer Van den Heuvel eraan toe.

Toen hij mijn apanage van 1750 guldentjes had betaald, nodigde ik hem uit beneden een hapje met me te gaan eten. Hij verkoos echter de eenvoudige snackbar even verderop. Toen we elk drie borrelglaasjes bier hadden genuttigd, vertelde ik hem waarom ik me schaamde. Hij zei daarop: “Jullie Tsjechen zijn ook zo zwaar op de hand. Jullie moeten méér van 't leven weten te maken.” Daarna keerden we naar het hotel terug, waar hij me nog leerde hoe je naar Praag moest telefoneren, en liep door naar de trein. De volgende dag moest hij met het vliegtuig naar Belgrado, hij is journalist.

Ik ging naar boven en begon daar mijn spullen uit te pakken: voor drie maanden? Ik keek eens goed in het rond en probeerde de mate van veralledaagsing te voorspellen die altijd overal insluipt. Het duurde even voordat ik kon besluiten in welke slaapkamer ik mijn intrek zou nemen. Ik kon het niet laten om de zeekamer te nemen: "Dat wilde je toch?' Van het tweepersoonsbed nam ik weer de zeehelft (aan de landkant zal ik een kaarsje branden). Maar ik voltooide mijn werk niet: ik trok een minder fraaie broek aan en liep naar de zee toe. Op een klein bankbiljet na haalde ik alles uit mijn zakken. Een plastic tasje voor mijn schoenen. Blootsvoets liep ik over het zand, de golven likten aan mijn enkels, een enkele zelfs aan mijn knieën. Nu wel leegte alom, alleen kwam ik mannen met honden tegen en af en toe een avonturierster met een lange badjas over haar zwempakje. Op een flink verre plek ging ik zelf de zee in. Deze was heerlijk verkoelend, maar pakte me mijn bril af en kroop in mijn middenoor. Ik bleef er zolang in als beleefd was, daarna ging ik eruit en liep verder, tot aan de schemering. Toen heb ik mijn eenzaamheid gevoeld: die echte, niet die zelfingenomen. Nee, dat is niet mijn zee; niet één, maar vier lege bedden naast me: niemand spreekt me hier aan die ik niet aanspreek.

Gegroet,

Ludvk

*Sergej Machonin, toneelcriticus en oude bekende van Vaculk uit het voormalige dissidentenmilieu) Hallo Ondraatje*

Na drie dagen stralend weer regent het hier, het is zondag en ik heb geen brood in huis, daarom celebreer ik mijn avondmaal alleen met wijn. Het regent en de zee is roerig, maar ik was er vanmorgen in toen ik in de duinen een pijltje had gevonden naar het naaktstrand. Daar was geen levende ziel te bekennen, het ligt te ver van de hotels. En het voelde aan zoals ik van meet af gewenst had, maar nooit gedurfd. Die zee in de rol van publieke glijbaan is niks voor mij, ook zie ik nergens ook maar een brokje rotsblok, maar ik zou anders ook weer moeilijk bij de wilde zee gekomen zijn. De mij tegemoet rollende golven waren niet hoog, maar rukten me wel los van de grond en namen me mijn bril af, zodat ik niet de kentaur kon uithangen. Het begon te regenen, ik trok het meest noodzakelijke aan en liep met de rest van mijn have in de arm en beplakt met scherfjes schelpen naar het cafeetje verderop, waar een paar gevluchte in de kleren gestokenen Duits spraken.

Voor de zee, beste Ondraatje, heb je niks aan een waterpas! Dat de zee zich in de verte kromt, wist ik, maar niemand had me in de bioscoop verteld dat ze ook naar links en rechts krom staat. Aan die waterbochel zie ik hoe klein onze planeet is, en ik geloof niet dat het er allemaal in de rondte op past wat de landkaart ons voorschrijft. Al in het vliegtuig schrok ik, toen ons op een hoogte van acht kilometer een vorst van 43 graden werd gemeld, hoe dun dat schilletje warmte was. En nu heb ik een even deprimerend gevoel dat de wereld verschrompelt, door een fles wijn van het merk St. Martinus: dat is geen goede, want ik heb die gekocht toen ik maar zeven penningen van de plaatselijke munt op zak had. (Aan dat weinige geld was ik gekomen doordat ik eerder voor honderdtwintig gulden een fotoboek van Saudek had gekocht, een schitterend boek dat bij ons niet is verschenen.) Ik kijk waar die wijn vandaan komt, en kom erachter dat het een mengseltje is van wijnen uit verschillende landen van de Europese Gemeenschap, ofwel een uitgestrektere, maar geen diepere Prazsky vyber (matige Tsjechische wijn, vert.)

Het is een droeve zaak voor de wereldreiziger: overal dezelfde alcohol, chocolade en sigaretten, de eendere drek aan kinderspeelgoed en souvenirs. Het was als een klap in mijn gezicht toen ik een paar grappige dan wel sentimentele ansichtkaarten wilde kopen en het bleek dat ze overal hetzelfde assortiment hadden staan als die ik veertien dagen geleden in Wenen al had afgekeurd. De Europese Gemeenschap staat voor een bovenmenselijke taak: ervoor zorg te dragen dat niemand iets ergens heen stuurt, dat iedereen eet wat er in zijn land groeit en kleren aantrekt met autochtone patronen.

Intussen roeren mij de duinen lichamelijk en geestelijk het meest: dalen en bergen van duizendjarig zand, her en der echt soms wel eens zeventien meter hoog. Weet je hoe moeilijk het bij ons is om een knus, luw en heerlijk plekje te vinden, geschikt om een tent op te zetten, een potje te kaarten of minnekozen. Hier vind je het ene na het andere, in een bonte afwisseling, ze lijken wel bedoeld als kleine kamertjes. De grond bestaat hier uit fijn zand en gemalen schelpen en is begroeid met mos, scherp gras, laag struikgewas waaraan de blaadjes grijzen, en kruipende braamranken. Daarboven waait een zoel windje, de zalige geur aandragend van gele bloemetjes. Ik vloog alweer verder om vanaf zo'n aanlokkelijk heuveltje een volgende vergezicht te krijgen... en wat handig: dat is dan maar vijftig meter van me vandaan. En daar stond ik dan, vol enthousiasme en herinneringen: "Hier zou je prima een potje kunnen kaarten!' Het was op mijn veertiende dat ik Ditte, een mensenkind in levenden lijve heb gezien, terwijl ze holde door de Deense duinen met heur heerlijkheden.

Een onverwachte pijn in mijn kuiten deed me terugkeren. In de straat van de hotels zocht ik een koffiehuis waar iemand zat, zodat ik daar naarbinnen zou kunnen gaan. Zo een was er niet, daarom glipte ik er zomaar een in en bestelde bij een wat oudere, maar krasse heer een kop koffie: met het gevoel dat ik stoorde. Hij bracht die bij me en bleef tegen de deur geleund staan. “Met vakantie?” sprak hij me in het Duits aan. “Voor mijn werk”, antwoordde ik overdreven. “Waarvandaan?” - “Uit Praag.” - “Waar heeft u Duits geleerd?” - “Op school. In de oorlog. En u?” - “Bij de Arbeitseinsatz, in de oorlog. De Duitsers zaten hier overal”, zei hij. “Hoe dat zo?” - “Nou, die joegen ons hier weg, die Schweinhunde”, zei hij en vanaf dat moment betitelde hij hen niet meer anders. “Waarom dan”, vroeg ik verwonderd. “Nou, die hebben hier toch de Atlantik Wall gebouwd. Tegen de Engelsen”, legde hij uit, waarbij hij onbewust op het Engels overging. “Ik weet niet hoe oud u bent, maar 't is een en dezelfde geschiedenis: de Oostenrijkse Anschluss, de Sudeten bij u, de Atlantik Wall bij ons.”

Toen ik betaald had, wenste hij me succes bij het werk toe, hij zei dat hij maandag de boel sloot en met vakantie naar Spanje zou gaan. Ik wenste hem een aangename tijd toe. Hij zei dat hij het buitengewoon leuk vond mij ontmoet te hebben.

De groetjes van

je pappa

*Ondrej Vaculk, een van Ludvks zonen, zelf een vooraanstaand columnist) Vertaling Kees Mercks