Expositie over de laatste marranen; Heimelijke joodse rituelen op een verlaten bergtop

Tentoonstelling: De laatste marranen in Portugal: de Portugese joden van Amsterdam. T-m 24 nov. in het Joods Historisch Museum, J.D. Meijerplein 2-4, Amsterdam. Dag 11-17u. Catalogus ƒ 39,50.

Een vrouw gaat een kerk binnen. Het is een katholieke kerk: Jezus hangt aan zijn kruis, Maria kijkt met een melancholieke glimlach vanaf haar sokkel naar beneden en heiligenbeelden fronsen vanuit de omloop. De vrouw prevelt iets, maar pas als zij bij het altaar knielt en een kruis slaat, is te horen wat zij zegt: “Ik ga dit huis binnen, maar ik geloof alleen in de 73 namen van de heer die over alles heerst.” Bij elke handeling herhaalt zij deze bezwering. Tegen wie of wat moet zij zich in dit "huis van God' beschermen? Waarom komt zij naar deze plaats als zij zich er niet veilig voelt?

Op deze vragen geeft de documentaire Les Derniers Marranes van de Franse antropoloog en fotograaf Frédéric Brenner antwoord. De documentaire, dit jaar op het filmfestival van Berlijn bekroond, is te zien op een tentoonstelling in het Amsterdams Joods Historisch Museum.

Brenner filmde in 1989 en 1990 de joodse inwoners van het Noordportugese bergdorp Belmonte. Deze dorpelingen zijn directe afstammelingen van de joden die in 1497 gedwongen werden zich tot het katholieke geloof te bekeren. Bovengronds beleden deze "nieuw-christen' of "marranen' - het Portugese woord voor varkens - de katholieke leer. Ze gingen naar de mis, huwden in de kerk en lieten hun kinderen er dopen. Maar ondergronds, in familie-kring en op afgelegen plaatsen in de bergen bleven ze hun oude geloof trouw. In de documentaire worden voor het eerst de verborgen rituelen van deze joodse groep getoond.

Met de inquisitie in 1536 verslechterde de positie van de Marranen. Bij de geringste verdenking werden de geloofsrechters ingeschakeld. De jood die zijn leven niet op de brandstapel wilde eindigen, week dan ook uit naar tolerantere gewesten, zoals de Republiek.

Een groot deel van de tentoonstelling is gewijd aan dit laatste aspect. Aan de hand van gebedsrollen, Hebreeuwse grammatica-boeken en voorwerpen voor bidplechtigheden wordt geschetst hoe makkelijk de Portugese joden werden opgenomen in ons land en hoe snel het gemeenschapsleven hier opbloeide. Hoe hoopvol deze geschiedenis van integratie en verdraagzaamheid ook is, het is geen onbekend verhaal, en daarom is het ook minder interessant dan de foto's en documentaire van Brenner.

Het kleine aantal marranen dat in Portugal bleef, wist door een vergaande geheimhouding van hun geloof aan de dodelijke greep van de inquisitie te ontkomen. Brenner toont op subtiele wijze hoe door de eeuwenlange vrees voor vervolging en de vijandige houding van de "christelijke' bevolking verheimelijking een vast onderdeel van het marraanse ritueel werd.

Brenner, die zelf ook joods is - ongetwijfeld een voorwaarde om te filmen in deze angstige commune -, laat een oude vrouw aan het woord die voorbereidingen treft voor de sabbatviering. Zij steekt een olielampje aan en plaatst dat in een kastje. De deuren en ramen heeft zij gesloten, "omdat het niet goed is als vreemde mensen binnenkijken'.

Uit de omzichtigheid waarmee zij Brenners vragen beantwoordt, blijkt dat vrees onderdeel van haar persoon is geworden. Is de vrouw ooit vanwege haar geloof vijandelijk behandeld? “Ach, ik leed weinig, ik leed veel. Het is een geloof, het is geen geloof. Het is een geloof als alle anderen.” Over de rol van de vrouwen in deze gemeenschap die als een soort van priesteressen de joodse tradities overleveren - zij spinnen de lonten voor de olielampjes, verzamelen het bittere kruid voor het Paasfeest en leren de kinderen de rituelen - wil zij niets kwijt. Starend naar het flakkerende olielampje, begint zij haar gebeden op te zeggen. Brenner vraagt niet verder.

Het feit dat de marranen vaak de bergen of het bos in trokken om hun geloof te belijden, levert prachtige verstilde beelden op. Om te herdenken hoe Mozes het water van de Rode Zee scheidde teneinde zijn volk naar het beloofde land te voeren, peurt een zwaarlijvige vrouw met een tak in een riviertje. Terwijl zij haar moeder ondersteunt, stapt zij over de stroom heen: het water is symbolisch gescheiden. Ook het beeld van een familie biddende marranen wekt ontroering. Een drietal in zwart geklede mensen trotseert de harde wind op een kale hoogvlakte. Zij houden de handen voor hun ogen, alsof zij daarmee de smet van het openbare leven kunnen buiten sluiten.

    • Lucette ter Borg