Er gebeurt altijd iets vreemds; De zes nominaties voor de Bookerprijs

Twee Ieren, een Nigeriaan, een Indiër, een Hongkonger en een Engelsman zijn voorgedragen voor de Engelse Bookerprijs. De winnaar wordt aanstaande dinsdag bekendgemaakt. J.J. Peereboom las de genomineerde romans en vindt ze onvergelijkbaar. “Een onderzoek van de hele lijst dwingt tot de conclusie dat sommige juryleden dwarse voorkeuren hebben.”

Martin Amis: Time's Arrow. Uitg. Jonathan Cape, 176 blz. ƒ 49,85. William Trevor: Reading Turgeniev. Uitg. Viking. ƒ41,85. Rohinton Mistry: Such a Long Journey. Uitg. Faber & Faber, 339 blz. ƒ 56,55. Ben Okri: The Famished Road. Uitg. Jonathan Cape, 500 blz. ƒ 56,50. Timothy Mo: The Redundancy of Courage. Uitg. Chatto & Windus, 408 blz. ƒ 58.65. Roddy Doyle: The Van. Uitg. Secker & Warburg, 311 blz. ƒ 58.65.

Toen in het voorjaar in Nederland de literaire prijskoorts woedde werd gezegd en nagezegd dat romans wel met elkaar vergelijkbaar zijn maar niet met biografieën en andere soorten literair werk. Daarom zou het beter zijn als de AKO-prijs alleen voor romans bestemd werd, net als de Bookerprijs in Engeland.

Dinsdag wordt de Engelse prijs van dit jaar uitgereikt aan een van de zes romans die op de shortlist gezet zijn. Alle zes de auteurs vertellen verzonnen verhalen; dat hebben zij gemeen, maar hun boeken lijken niets op elkaar, nog minder dan die van voorafgaande jaren. Wie ze wil vergelijken en categorieën opstelt: A vormt betere zinnen, B begrijpt meer van mensen, C roept stemmingen het gevoeligst op - zal er nooit uitkomen. Een onderzoek van de hele lijst dwingt tot de conclusie dat sommige juryleden dwarse voorkeuren hebben. Dat vinden zij zelf ook, van elkaar en van niet-juryleden, en daarna wordt de vergelijkbaarheid weer een jaar opgeschort.

Wie er bekroond zal worden door zo'n jury waarvan een van de leden boos weggelopen is (Nicholas Mosley, omdat zijn favoriet Allan Massie niet genomineerd werd) kan niemand op grond van een waarde-oordeel voorspellen. Beter kunnen wij bij de bookmakers te rade gaan; die houden het op Martin Amis. Waarschijnlijk speelt in hun keuze de wetenschap mee dat Amis al twee keer in veler ogen tekort is gedaan door niet genomineerd te worden. De wereld is hem een prijs verschuldigd: zo niet voor Money zeven jaar geleden en niet voor London Fields, dan nu toch eindelijk voor Time's Arrow, over Tod T. Friendly die uit zijn dood in Amerika opstaat en terugleeft naar zijn jonge jaren toen hij kamparts was in Auschwitz. In het kamp ervaart hij niet opnieuw de dood van de gevangenen: ook voor hen is de richting van de tijd omgekeerd en zij hervinden hun vooroorlogse staat.

Bas Heijne die het boek twee weken geleden in het CS besprak was onder de indruk maar niet sprakeloos. "Het effect is dat van een lachspiegelpaleis; door een groot aantal groteske vertekeningen worden we ons de werkelijkheid bewust (-) De lezer van Time's Arrow wordt gedwongen opnieuw na te denken over de Holocaust, zich opnieuw rekenschap te geven van wat er in Auschwitz is gebeurd, door het verleden als toekomst te zien. En toch, en toch... De fantastische kunstgreep die Amis in Time's Arrow toepast blijft het boek tot aan het, opnieuw ironische, einde overheersen, wat ten koste gaat van wat hij nu eigenlijk wil zeggen.'

Iedereen heeft respect voor Martin Amis; en hij weet zijn aanwezigheid in de Engelse literatuur zelfverzekerd te doen opmerken, dat helpt altijd. Misschien heeft iedereen ook respect voor William Trevor maar die staat, na een langere carrière, minder vooraan op het toneel van de publiciteit.

Zijn Reading Turgeniev was een van de twee romans in Two Lives dat ik in juli besproken heb. Het is nu vlug op zichzelf uitgegeven. My House in Umbria, het andere verhaal, is uit het gezelschap verbannen zoals Falstaff uit dat van Henry V toen die de troon besteeg.

Beklemmingen

Het terrein waar Trevor sinds de dood van Frank O'Connor als de voornaamste autoriteit over heerst is de Ierse provincie. De steden en dorpjes daar lijken 's avonds om negen uur uitgestorven, maar in het donker kunnen de opwindingen en beklemmingen de slaap niet vinden, en Trevor ontdekt er steeds andere variaties van. Hij is ook een discrete schrijver geworden, na een gestileerd begin. Zonder ooit de stem van zijn stijl te verheffen maakt hij de lezer gevoelig voor verhoudingen die ons in eigen omgeving ontgaan.

In het genomineerde verhaal lijkt het eerst, zoals ik in mijn bespreking schreef, "of er teveel weggelaten is (-) Na verloop van tijd staat alles in de herinnering op zijn plaats, en vullen wij zelf de lege plekken in.'

Een van de weinige overeenkomsten tussen Martin Amis en William Trevor is dat liefhebbers van hun werk vaak een ander boek bekroond zouden willen zien dan het nieuwste. Money van de een, Mrs. Eckdorf in O'Neill's Hotel van de ander: maar Reading Turgeniev zou de prijs eer aandoen.

Rohinton Mistry's Such a Long Journey, een week geleden door Bas Heijne besproken, lijkt een voorbarige kandidaat te zijn. Mistry, een Indiër die zich in Canada gevestigd heeft, had tot nog toe alleen korte verhalen gepubliceerd en zal wel betere romans maken dan deze. "Net als zijn grote voorganger Narayan is hij veel aan Dickens verschuldigd en hij dwingt ontzag af door de trefzekere manier waarop hij de komische en tragische en tragi-komische gebeurtenissen in zijn eerste roman tot een geheel weet te maken. Sommige van de randpersonages (-) zijn echter uit bordkarton van wel erg slechte kwaliteit geknipt (-) Bovendien voltrekken veel van de verhalen zich (-) met een negentiende-eeuwse voorspelbaarheid (-) Een groter bezwaar is dat Mistry meer dan een eeuw later dan Dickens in dezelfde valkuil valt: die van de sentimentaliteit.'

Intussen is het Mistry toch gelukt ons te laten meeleven met een klein baasje in Bombay in 1970, waar de politiek en de lasten van zijn persoonlijke leven hem bijna overweldigen.

Het meest exotische boek op de shortlist is dat van Ben Okri, een Nigeriaan die sinds jaren in Londen woont maar nog fantaseert als een oude dorpsverteller. Om van harte mee te leven in zijn verbeelding zouden wij aan zijn voeten moeten zitten, flakkerend belicht door een houtvuur, in plaats van ieder in een eigen kamer onder de strakke elektriciteit.

Zijn hoofdpersoon is het jongetje Azaro dat opgroeit in een Nigeriaans dorp waar de moderne geschiedenis van politieke onafhankelijkheid en technische vernieuwing begint. Zelf lijkt Azaro niet ouder te worden, en dat hoeft ook niet want hij kan toch al alles waarnemen en navertellen. Een deel van het verhaal gaat over wat hij thuis bij Mum en Dad beleeft, en in en om het dorp dat overheerst wordt door wilde grillige personages. Een groter deel speelt zich af in een denkbeeldige wereld waar hij door de lucht en door betoverde wouden zwerft tussen de monsters en de geesten.

Then something strange happened, laat Okri hem af en toe zeggen, maar er gebeurt nooit iets anders dan vreemds. Wat tenslotte het allervreemdst lijkt is dat het 450 pagina's lang verteerbaar blijft. Okri vertelt zo zakelijk en kleurrijk dat de lezer blijft toegeven: ja, deze gebeurtenissen zijn inderdaad zeer opmerkelijk, ook al beginnen wij aan de wonderlijkheid gewend te raken.

Pas tegen het eind (want na de eerste 450 pagina's resteren er nog vijftig) verslapt de greep van de auteur op de aandacht van de lezer, wanneer hij zijn verhaal een meer dan wonderlijke inhoud probeert te geven met behulp van goede gedachten. Die vallen buiten zijn kader, en hebben een toon van literaire formaliteiten.

Dan is er ook een oude bekende van de Booker-nominaties, Timothy Mo uit Hong Kong, die al twee keer eerder op de lijst heeft gestaan. Hij moet er verheugende verkoopcijfers aan te danken hebben gehad, zodat het niet erg is als zijn bekroning nog een boek of twee wordt uitgesteld: en dat zou dan ook het beste zijn.

Guerrillatroepen

The Redundancy of Courage heeft te weinig overredingskracht om de lezer mee te krijgen op de vlucht van zijn verbeelding. Het vertelt van de Indonesische invasie in het voorheen Portugese deel van Timor, en van het leven bij de guerrillatroepen in de volgende jaren. Dat wil zeggen, het vertelt daarvan in bedekte termen: het eiland wordt Danu genoemd, de bezettingsgroepen heten malais, altijd cursief gedrukt.

De beschrijving van het harde leven op de bergen en in de bossen is misschien voor een deel aan ware gegevens ontleend; in ieder geval is die hard genoeg om ons een gewaarwording van de mens als wolf te geven. Dat wij er niet nauwer in betrokken worden ligt aan verschillende gebreken. Een ervan is van documentaire aard: terwijl wij de leider van de guerrillatroepen bijna op de vingers kunnen zien, krijgen wij geen enkele aanwijzing hoe hij aan zijn bewapening komt. Een ander heeft betrekking op de persoonlijkheid van de verteller, die zich uitdrukt in een mengvorm van formele en idiomatische soorten Engels waarin niets westers of oosters klinkt. Hij blijft een vreemde halfverwezenlijkte figuur, ook in zijn homoseksualiteit waarvan wij aan het begin horen maar in zijn guerrillatijd nooit meer. Waren de soldaten seksloos? Dat zou dan tenminste als een merkwaardigheid behandeld moeten worden. Wanneer er doden en gewonden vallen komt het verhaal soms tot leven, maar het is niet Mo op zijn best.

De enige genomineerde die mij bepaald misplaatst lijkt is de tweede Ier, Roddy Doyle. Zijn The Van gaat over een paar werkloze Dubliners die geld weten te verdienen met een oude bestelauto waaruit zij hamburgers en frites verkopen. Er heerst over het algemeen een vriendelijke stemming in het verhaal, en er worden simpele komische scènes opgevoerd zoals wanneer iemand uitglijdt over gemorste bakolie. De dialogen zijn onopgesmukt plat-Dublins en ook de gedachten van de personen worden geformuleerd in dat idioom, wat de consequentie heeft dat de tekst voortdurend naar dezelfde paar four-letter words klinkt.

Nu en dan valt er iets te lachen, maar het boek heeft net genoeg eigen verbeelding voor een tv-serie vroeg op de avond; meer niet. Als de overschatting van Doyle in de jury zover gaat dat hij bekroond wordt zal er reden zijn om verbluft te zwijgen, en opnieuw te gaan onderzoeken hoever waarderingen uiteen mogen lopen voordat geen ervan meer iets betekent.

Er zijn tenslotte twee bijzonderheden van de shortlist te vermelden die in de drukte niet iedereen meteen opvallen. De ene is dat er geen vrouw op staat, voor de eerste keer in de geschiedenis van de prijs. Zoiets kan nog altijd voorkomen. Er zitten wel twee vrouwen in de jury.

Om de aandacht af te leiden kan de andere bijzonderheid helpen: dat maar een van de zes een Engelse Engelsman is. Van de anderen komen er twee uit Ierland, een uit Nigeria, een uit India en een uit Hong Kong. Zo groot en verscheiden is het taalgebied, en dat nog zonder de Amerikanen, die niet in aanmerking komen. Geen wonder dat de romans onvergelijkbaar zijn.