De grootmoeder van Jir Kylián

In zijn kleine werkkamer boven het AT&T Danstheater in Den Haag kijkt ze hem vanaf de vensterbank aan, grootmoeder Pesta, Stepánka Pestová. Een gegroefd, vriendelijk gezicht met grijze krullen omlijst. “Ik heb mijn ballet Sinfonietta om een heleboel redenen aan mijn grootmoeder opgedragen”, zegt Jir Kylián, al zeventien jaar artistiek leider van het Nederlands Danstheater. “Om je dat uit te leggen, moet ik je eerst meenemen naar het gebied waar ze vandaan kwam, mijn babitschka: Silezië. Dat ligt bij Moravië, het middelste stukje van Tsjechoslowakije.” De choreograaf pakt een stuk papier en tekent de contouren van zijn land: een bol wol met in het midden een wikkel. Aan de bovenkant van die wikkel, tegen Polen aan, ligt het stadje Tesin, waar zijn grootmoeder in 1891 werd geboren.

“Waar er ook oorlog was, altijd trokken er legers door ons land. Omdat zowel het linker- als het rechterdeel bergachtig was, trokken die Pruisen, Oostenrijkers, Hongaren, Zweden en Duitsers door de vlakke "Moldavische Poort'.” Ze was het kind van een Tsjechische huisschilder en een Duitssprekende moeder met de achternaam Köhler en zag het licht in de betrekkelijke rust van het Habsburgse keizerrijk. Een sprookjesachtige tijd, dat is wat kleinzoon Jir zich van haar verhalen herinnert. “Ze werd omringd door dieren. Ze had vogels, konijnen en zelfs een ree dat meeging boodschappen doen.” Ze trouwde heel jong, met Jan Pesta, dirigent van een militair orkest, een Tsjech van Hongaarse afkomst. Toen hij, in vol ornaat, gearmd met zijn aanstaande schoonmoeder de kerk inliep, waren er mensen die dachten dat zij de bruid was.

Pesta, vast verbonden met de achtentwintigste legerdivisie, troonde zijn vrouw mee naar Maribor, in Joegoslavië, en later naar Przemyszel, een dorpje op de grens van Polen en Rusland. Het eerste kind, Roman, kwam toen ze negentien was, het tweede, Markéta, de moeder van Jir, werd twee jaar later geboren.

En daar houdt de geschiedenis van grootmoeder Pesta op met romantisch te zijn. De Eerste Wereldoorlog brak uit. Ze was drieëntwintig jaar en terug in Silezië. Wederom was het gebied epicentrum. Niet alleen van hordes soldaten en vluchtelingen, maar ook van nieuwigheden als mosterdgas en geavanceerd wapentuig die geen Tsjech ooit van dichtbij had gezien. Ook de radio en de telefoon deden hun intrede.

Na een keizerlijk imperium van driehonderd jaar werd in 1918 de eerste Tsjechische Republiek uitgeroepen. De wereld van grootmoeder Pestová veranderde in hoog tempo. De soldaat die tijdens de oorlog haar huis had gepoetst, kwam braaf melden dat hij haar in het vervolg niet meer met "gnädige Frau' zou aanspreken. Ze was in daverend gelach uitgebarsten. “Ze had lak aan conventies”, zegt Kylián. Vrolijk was ze toen, als iedereen. De Tsjechen genoten van hun vrijheid, een diep besef dat jaren zou aanhouden.

In 1926 ving de 72-jarige componist Leos Janácek dat nieuwe elan in een muzikale ode. Zijn Sinfonietta werd een vurige, nationalistische, en ook een beetje sentimentele compositie. Een Silezische compositie. Janácek kwam daar ook vandaan, hij woonde nog geen twintig kilometer van grootmoeder Pestová. Jir Kylián schudt zijn hoofd. “Bij mijn weten hebben ze elkaar nooit ontmoet. Ze leken op elkaar.”

Met de Tweede Wereldoorlog hield niemand rekening. Ook Grootmoeder Pestová niet. Haar zoon werd officier, haar dochter danseres, een hele goede zelfs. “Ze was trots op haar kinderen”, zegt Kylián. Tot Roman door de Gestapo werd opgepakt, want ze begonnen natuurlijk eerst de officieren te verhoren. En te martelen. Grootmoeder Pesta wist het. “Elke dag legden ze haar een formulier voor. Ze hoefde maar te tekenen dat ze van Duitse afkomst was, en haar zoon zou vrijkomen. Ze deed het niet. Ze was allergisch voor dwangmethodes.” Roman heeft de oorlog gelukkig overleefd.

Ze werden bevrijd door de Russen, die met hun tanks bedolven onder seringen door een juichend Praag reden. “Wij hebben altijd van de Russen en de Russische cultuur gehouden, want met hen hadden we nooit oorlog gehad”, zegt Kylián. “Er werd gelachen, gedanst. Mijn grootmoeder genoot.” Niet voor lang, want in datzelfde jaar, 1945, overleed haar echtgenoot aan keelkanker. Hij rookte veel te veel.

Ze miste hem verschrikkelijk al stak ze vroeger nog zo de draak met hem. Kylián begint te lachen. “Ken je die allereerste koelkasten die met blokken ijs gekoeld werden? Ze waren nog maar net op de markt en mijn grootmoeder moest en zou zo'n ding hebben. Grootvader vond het onzin. Eens liepen ze samen langs zo'n winkel en toen kneep mijn grootmoeder hem in de arm en zei: "Alleen even kijken.' Binnen zegt ze tegen de verkoper: "Mijn man wil met al-le geweld zo'n moderne koelkast kopen. Maar ik vind het niks.' Waarop de verkoper haar begon te overtuigen, hetgeen vlug lukte. Toen zei ze: "We moesten het maar doen, hè schat'. Grootmoeder bereikte altijd precies wat ze wilde. Maar ze was nooit kwaad of agressief. Ze deed het heel geleidelijk aan.”

In 1945 werd ze voor het eerst grootmoeder. De zoon van Markéta heette Jan, naar zijn overleden grootvader. Twee jaar later volgde Jir. Voor hij kon lopen, hadden de Tsjechen de zoon van de laatste "kapitalistische' president Benes uit het raam gegooid. En toen ging het hard. Jir's vader, de boerenzoon Kylián die zich had opgewerkt tot eerste econoom bij de Tsjechische Sparkasse, was van de ene dag op de andere zijn functie en zijn bezittingen kwijt. Later zou hij alsnog directeur van de staatsbank worden, om de eenvoudige reden dat er geen stalinist te vinden was die meer van bankzaken wist dan hij.

Intussen woonde de familie, grootmoeder incluis, in een tweekamerwoninkje. De wc deelden ze met twee buren. Jir en Jan sliepen in een bed in de achterkamer met hun ouders. Grootmoeder Pesta had de voorkamer. “Daar was geen kachel”, herinnert Kylián zich, “in de winter vroor het er dertig graden. Maar ze wilde die kamer niet uit. Als ik door de schuifdeuren keek, doemde haar beeld eerst op. Een fluïdum. Temidden van rook, veel rook, slivovitz en kaartspelende familieleden.” Veel zei ze niet, maar om wat ze zei lag iedereen altijd dubbel.

De moeder van Jir zegt, vanuit Praag, dat babitschka in haar jongste kleinzoon een kunstenaar zag. Van meet af aan. Ze ging altijd naar al zijn voorstellingen. Toen hij op 28 augustus 1968 in de trein naar Stuttgart stapte, stond grootmoeder huilend op het station. De hele familie, trouwens. Het was een week na de inval, maar gelukkig had Jir het contract toen al op zak. Hij zou solist worden bij het Stuttgart Ballet en mocht gaan. De grootmoeder wist zeker dat hij niet meer terug zou komen.

“Elf jaar ben ik weggebleven. Maar ik belde haar elke dag. Ze kwam naar mijn voorstellingen in Stuttgart. Je gevoelens worden versterkt als je niet terugmag. Ik voelde me vooral verbonden met het stukje land waar grootmoeder en Janácek vandaan kwamen. Silezië.” In 1978 werd hij gebeld door Joseph Wishy, hij zat al bij het Nederlands Dans Theater. Of hij een ballet wilde maken op Sinfonietta, ter gelegenheid van de vijftigste sterfdag van de componist Janácek. Het werd die zomer opgevoerd in de Verenigde Staten, op het Spoleto-festival in Charleston.

“Ik heb nog nooit een dans zo snel geschreven. Ik volgde mijn gevoel. De dans is de "Verkörperung' van de muziek geworden - vitaal en sierlijk. Dat soort kracht hoorde bij hem, bij zijn muziek en bij grootmoeder Pestová. Zij accepteerde de opdracht haast als vanzelfsprekend.” Jazeker, ze zat in de zaal. De Koningin ook, maar tussen een pet en een kroon zag grootmoeder Pesta persoonlijk niet veel verschil. “In Praag”, vertelt Kylián, “gooide ik een bos rozen de donkere zaal in. Precies op haar schoot. Zij stond op en boog spottende naar alle kanten.”

In 1986 kwam ze voor het laatst naar Nederland, de grootmoeder. Voor het eerst met het vliegtuig, ook dat nog. Ze logeerde bij haar kleinzoon in Den Haag, die verschrikkelijk tobde over vijf minuten Psalmensymfonie die hij in drie dagen moest schrijven. “Ik kwam er niet uit. Zij stond daar borschtch te koken voor tachtig man, voor na de première. "Nog drie dagen?' zei ze en roerde in de soep. "Ach, over vier dagen is het voorbij'.”

In februari vorig jaar overleed grootmoeder Pesta, achtennegentig jaar oud. Ze streek haar dochter nog even door het haar en blies de laatste adem uit. “Na de dood is er niks”, had ze gezegd. “Ook geen begrafenis.” Twee maanden eerder had Jir haar voor het laatst gezien. Dat was toen Dubcek en Havel champagne dronken op het plein met achthonderdduizend mensen. “Babitschka, zie je dat, er is een revolutie aan de gang”, had hij gezegd. Waarop ze het hoofd in de kussens liet zakken en fluisterde: “O God, alweer.”

    • Caroline de Gruyter