Bestuurskundige bepleit internationale kwaliteitscontrole; "Europese toets voor universiteit'

ROTTERDAM, 18 OKT. Er moet een Europees systeem van kwaliteitsbewaking komen voor het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek. De manier waarop nu in Engeland, Frankrijk en Nederland de kwaliteitsbeoordeling is opgezet vormt daarvoor een goed uitgangspunt.

Die systemen, waarvan de hoofdlijnenen identiek zijn, kunnen de basis vormen van een netwerk waarbij de kwaliteit van zowel studierichtingen en onderzoekprogramma's als universiteiten en hogescholen periodiek onder de loep worden genomen.

Dat zei de Enschedese bestuurskundige prof. dr. F.A. van Vught gisteren op de eerste dag van de halfjaarlijkse studiebijeenkomst van de Europese Rectoren Conferentie. Hij vindt dat de universiteiten er zelf voor moeten zorgen dat de kwaliteitsbeoordeling op Europees niveau van de grond komt. “De organisatie van de kwaliteitsbeoordeling moeten de universiteiten overlaten aan externe bureaus of instituten, de beoordeling zelf is een zaak van de universitaire professionals.”

Van Vught, directeur van het Centrum van studies voor hoger onderwijsbeleid (CSHOB) van de Universiteit Twente, was de inleider voor het onderwerp "Evaluatie en kwaliteitsverbetering' dat tijdens de tweedaagse studiebijeenkomst in Utrecht werd besproken. Aan de bijeenkomst nemen ruim 150 rectores-magnifici en andere universitaire bestuurders uit bijna dertig Europese landen deel.

In totaal zijn vijfhonderd Europese universiteiten aangesloten bij de CRE, de "Standing conference of rectors, president and vice-chancellors of the European Universities'. Een keer per twee jaar wordt een algemene ledenvergadering gehouden waar alle universiteiten aan deelnemen. Daarnaast vinden elk half jaar studiebijeenkomsten plaats voor een beperkt aantal universiteiten uit elk land. Volgens prof. dr J.A. van Ginkel, rector-magnificus van de Utrechtse Universiteit en bestuurslid van CRE, gebeurt dat om zo ook de kleinere en "armere' universiteiten de gelegenheid te geven een bijeenkomst te organiseren. Het in Utrecht behandelde onderwerp past in het thema dat sinds 1990 voor een periode van vijf jaar binnen CRE centraal staat: de herstructurering van het stelsel van hoger onderwijs.

Het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek zijn zo complex dat het onmogelijk is de kwaliteit ervan door middel van of enkele parameters objectief te meten, aldus Van Vught in zijn rede. De "peer review', de beoordeling door professionele vakgenoten, is daarom niet weg te denken uit een goed stelsel van kwaliteitsbeoordeling. Zo'n beoordeling leidt bovendien pas tot resultaat als de docenten en onderzoekers vertrouwen op de deskundigheid en integriteit van de beoordelaars. Bezwaar van het systeem van "peer review' is dat "peers' nog wel eens meer oog hebben voor de reputatie van een docent of instituut en voor het sociale contact dan voor de inhoud van onderwijs of onderzoek. Ook laten ze soms het belang van de discipline zwaarder wegen dan de beoordeling: de discipline zou kunnen worden geschaad door een negatief oordeel, dat dan daarom achterwege blijft. Centraal in het beoordelingsstelsel hoort de "zelfstudie' te staan waarin de te beoordelen eenheid zelf aangeeft welke doelstellingen worden nagestreefd en wat de sterke en zwakke punten zijn.

Volgens Van Vught is het niet langer denkbaar dat de kwaliteit van het onderwijs en onderzoek door de universiteiten zelf intern wordt geregeld. Het afleggen van verantwoording aan derden is onontkoombaar. Wel moeten de "professionals' zelf de kwaliteitsnormen blijven bepalen. De samenleving kan wel uitspraken doen over het belang dat zij aan de verschillende disciplines en opleidingen hecht. In de discussies is het daarom noodzakelijk onderscheid te maken tussen wetenschappelijke kwaliteit ('excellence') en maatschappelijke waarde ('value').

Door, zoals in Nederland, Engeland en Frankrijk, de kwaliteitsbeoordeling te laten organiseren en bewaken door onafhankelijke organisaties kan de overheid op afstand worden gehouden. Het hoger onderwijs kan zo toch voldoen aan de steeds dringender verantwoordingsplicht. Het almaar duurder worden van het hoger onderwijs en het toenemende belang van veel hoger opgeleiden voor de moderne samenleving en de technologische ontwikkeling maken die ontwikkeling onontkoombaar, aldus Van Vught.

    • Quirien van Koolwijk