Actief en niet-actief

In Nederland moeten steeds minder "actieven' de kost verdienen voor steeds meer "inactieven'. Veel mensen maken zich daar terecht zorgen over.

De arbeidsdeelname - ook wel de participatiegraad genoemd - geeft aan hoeveel procent van de potentiële beroepsbevolking zich feitelijk op de arbeidsmarkt meldt. De potentiële beroepsbevolking bestaat uit de mensen tussen 15 en 65 jaar, die in principe in staat zijn betaalde arbeid te verrichten. Een voorbeeld: in 1989 waren er in ons land vijf miljoen vrouwen tussen de vijftien en de 65 jaar; de vrouwelijke beroepsbevolking telde in dat jaar 2,6 miljoen personen. De participatiegraad is dan 52 procent. Die van mannen bedroeg in dat jaar 81 procent. De arbeidsparticipatie van mannen en vrouwen samen was 67 procent.

Dit getal is de afgelopen dertig jaar ongeveer gelijk gebleven. Wel is er een verschuiving opgetreden tussen mannen en vrouwen. Mannen zijn minder gaan deelnemen; tussen de 55 en 64 jaar zijn er veel via WAO en VUT afgevloeid. Vrouwen zijn wel meer gaan deelnemen, maar vooral in deeltijdbanen. Dit heeft tot gevolg dat het aantal door vrouwen gewerkte uren nauwelijks is veranderd.

Tot dusver hebben we het over aantallen personen gehad. Je kunt ook het aantal arbeidsjaren meten. Twee personen met ieder een halve baan werken samen één arbeidsjaar. Op deze manier gemeten lag de participatie van vrouwen in 1960 op 25 procent en dertig jaar later op 26 procent. Vergelijken we deze in arbeidsjaren gemeten deelname van vrouwen met het EG-gemiddelde van 35 procent dan loopt Nederland flink achter. Waarbij nog moet worden bedacht dat het EG-gemiddelde omlaag wordt getrokken door onze Zuideuropese EG-partners. Voor mannen is het overeenkomstige Nederlandse cijfer 65 procent tegen een EG-gemiddelde van 62 procent.

Figuur 1 laat het probleem nog eens op een ander manier zien. Voor drie jaren - 1970, 1980 en 1990 - wordt de opbouw van onze bevolking naast elkaar gezet. Een paar dingen vallen op: de snelle groei van het aantal mensen met een uitkering ("uitkering' en "ouder dan 65' samen). Wat ook in het oog loopt: de krimp van "jonger dan 15', die we ontgroening noemen. Verder zien we dat "overig geen inkomen' in de loop van de jaren is teruggelopen: het toenemend aantal vrouwen met een (deeltijd)baan.

Bekijken we de kolom voor 1990. De bevolking telt bijna 14,9 miljoen mensen. Daarvan zijn er 4,6 miljoen (de twee bovenste vlakken) jonger dan 15 of ouder dan 65. De rest noemen we de beroepsgeschikte bevolking: 10,3 miljoen mannen en vrouwen. Daarvan heeft maar ruim de helft betaald werk: de 5,6 miljoen werknemers en zelfstandigen in het onderste vlak. De rest (4,7 miljoen)is niet actief; het zijn de mensen die een uitkering (anders dan AOW) ontvangen, die dagonderwijs volgen of die bij de groep "overig geen-inkomen' horen. De verhouding niet-actief-actief is 4,7-5,6 = 0,84. Tegenover elke 100 "actieven' staan dus 84 "niet-actieven'; in 1992 verwacht men dat het er 87 zullen zijn. Zie figuur 2. In 1960 waren het er 36. Getallen waarbij we ons wel eens achter de oren mogen krabben. Tot dusver hebben we ons deze toestand kunnen veroorloven door de hoge arbeidsproduktiviteit van de actieven. Maar op weg naar een economie waar duizend mensen met een supervernuftig machinepark de hele bevolking bedienen lopen we toch tegen grenzen op. De grens lijkt bereikt wanneer de arbeidsproduktiviteit zo hoog moet worden opgevoerd dat actieven uitvallen en niet-actief worden. En wanneer tegelijkertijd duidelijk wordt dat ons land op de hitlijst "inkomen per inwoner' telkens een stapje omlaag zakt.

Het beleid is er dan ook op gericht om tot een gunstiger verhouding te komen. De enige twee groepen die een bijdrage kunnen leveren zijn (zie figuur 1) "overig geen inkomen' en "uitkering'. De eerste neemt al af in de loop van de tijd, doordat steeds meer vrouwen een betaalde baan nemen. Dat moeten er nog meer worden en liefst met een groter aantal arbeidsuren per vrouw. Het voor de hand liggende tweede doelwit zijn de uitkeringsgerechtigden. Ons sociale zekerheidsparadijs wordt intussen krachtig aangepakt. Het gepiep en gekreun is alom te horen.

    • Rolf Schöndorff