Waterstaatskaart wordt gestaakt

De waterstaatskaart, waartoe in 1864 door Thorbecke persoonlijk opdracht werd gegeven, kan wat minister Maij-Weggen betreft verdwijnen. De regering wil haar ambtenarenapparaat verkleinen. Om dat te bereiken zijn wordt de Grootschalige Efficiency Operatie (GEO) uitgevoerd. De kaasschaafmethode - elke afdeling een beetje minder personeel - heeft onvoldoende opgeleverd. Daarom wil men nu complete afdelingen opheffen.

Op de nominatie staat de afdeling waterstaatskartografie. Die afdeling van Rijkswaterstaat, waar ca. 25 mensen werken, maakt de Waterstaatskaart 1:50.000. Minister Maij-Weggen vindt de produktie van deze kaart geen kerntaak van haar ministerie, omdat de kaart veel meer buiten dan binnen haar ministerie gebruikt wordt.

Het ministerie verleent diensten aan derden zoals waterschappen, provincies, gemeenten, ingenieursbureaus, Landinrichtingsdienst en wetenschappelijke instituten als het Rijksinstituut voor Milieubeheer (RIVM). Die stellen wel prijs op de waterstaatskaart, maar kunnen er niet genoeg voor betalen. Er is wel vraag naar de kaart, maar geen koopkrachtige.

De provincies en waterschappen kunnen voorlopig wel zonder waterstaatskaart, omdat ze zelf over de informatie beschikken die ze nodig hebben. De Waterstaatskaart, een klein monument in de Nederlandse cartografie, dreigt zo tussen de wal en het schip te vallen.

Onder water zetten

Net als bij de topografische kaarten hebben militairen in de vorige eeuw de stoot gegeven tot de Waterstaatskaart. Zij wilden een goede kaart voor het eventueel onder water zetten van gebieden (Hollandse Waterlinie). De Topografisch Militaire Kaarten, die prima voldeden voor het regelen van troepenbewegingen, schoten op dat punt tekort.

Ook waterbouwkundig ingenieurshadden dringend behoefte aan waterstaatskaarten. Volgens ingenieur Van Egmond heerste er "omtrent den toestand van ons vaderland, ten opzichte van het water, bij velen een volslagen onkunde'. Met het Koninklijk Instituut van Ingenieurs kwam hij in 1863 tot de conclusie dat de toenmalige topografische kaart geen goed overzicht gaf van de waterstaatkundige toestand van het land. Hij werkte een plan uit dat Thorbecke in 1868 overnam.

De Waterstaatskaart bestaat - net als de topografische kaart 1:50.000 - uit 62 kaartbladen die heel Nederland afdekken. De eerste editie die tussen 1865 en 1935 verscheen, bestond uit zogenaamde kwartbladen om een uitgebreide toelichting (randschrift) mogelijk te maken.

Een saillant detail bij de verkenningen en metingen voor de eerste waterstaatskaart was dat men ontdekte dat niet de Kriekelenberg bij Wijlre met 240 m + AP het hoogste punt van ons land was zoals aardrijkskundeboeken uit die tijd vermeldden. Die bleek maar 193,80 m + AP te zijn. In de zuidoosthoek van Limburg vond men een punt op 322,50 + AP, de Vaalserberg.

Volgende edities - de vijfde is net klaar, de zesde is (was?) in voorbereiding - bestonden uit halfbladen en een beknopt randschrift, dat werd aangevuld met uitgebreide Provinciale Beschrijvingen.

De Waterstaatskaart bevat zeer uitgebreide waterstaatkundige informatie: over (soorten) gemalen en hun capaciteit; over peilen van polders, kanalen en boezemwateren; over afwateringseenheden; over rioolstelsels en persleidingen; over stuwen, schut- en keersluizen; over stroomrichtingen van water; over waterkeringen enz.

De hoeveelheid uit te beelden informatie is sinds 1864 sterk gegroeid. Al in 1892 werd in "Aantekeningen omtrent de geschiedenis en de inrichting van de Waterstaatskaart van Nederland" geschreven: " ...het is bijna niet te geloven, hoevele veranderingen ons Nederlandsche terrein ondergaat in een twintigtal jaren, tengevolge van ontginningen, inpolderinbgen, aanleg van kanalen, spoorwegen, wegen voor gewoon verkeer, uitbreiding van steden, dorpen, gehuchten enz.'.

Sindsdien is er pas echt veel veranderd. Kustverdedigingswerken als de Deltawerken, inpolderingen als de IJsselmeerpolders, ontginningen, ruilverkavelingen en landinrichtingswerken, aanleg van rioleringen en waterzuiveringsinstallaties, zij wijzigden de waterstaatkundige situatie ingrijpend. Eigenlijk moet de waterstaatskaart elke vier tot tien jaar herzien worden, maar dat herzieningstempo heeft men nooit gehaald.

Leesbaarheid

De informatiedichtheid van de kaart is zo toegenomen dat de grenzen van de leesbaarheid bereikt zijn. Om de kaart te ontlasten begon men in de jaren zeventig bij de vierde editie met twee bijkaarten. De ene over hydrologische waarnemingspunten (peilschalen, peilschrijvers, afvoermeetpunten, regenmeters) en de andere over de watervoorziening. Op deze laatste staan gebieden aangegeven die bij watertekorten aan het IJsselmeer of de grote rivieren water kunnen onttrekken; op de kaart staan de inlaatpunten en de waterlopen, gemalen, sluizen en stuwen die daarvoor gebruikt kunnen worden.

Die watervoorziening is in Nederland erg belangrijk geworden, want in tegenstelling tot wat veel mensen denken, is er in Nederland een groot tekort aan water. Zelfs als wij al onze neerslag zouden kunnen benutten (hetgeen niet mogelijk is, zeker niet nu door drainages, gekanaliseerde waterwegen, rioleringen en asfaltering het "overtollige' water versneld wordt afgevoerd en Nederland verdroogt), zou er per persoon maar 680 kuub beschikbaar zijn, terwijl het verbruik per persoon 1004 kuub bedraagt. Maas en Rijn vullen onze tekorten aan. Tijdens de droge zomer van dit jaar waren onze wateren tot in Groningen gevuld met Rijnwater.

Computercartografie

De produktie van de waterstaatskaart kost het Ministerie ca. 1,6 miljoen gulden per jaar. Maij-Weggen vindt dat teveel. Zou dat met de moderne computercartografie niet wat goedkoper kunnen en zou de herzieningsfrequentie daarmee niet ook kunnen worden opgevoerd?

Drs. Maurice Demoiseaux, die vijf jaar leiding gaf aan de produktie van de waterstaatskaart, is al drie jaar bezig met zo'n Waterstaatkundig Informatie Systeem (WIS). Alle informatie wordt daarbij gedigitaliseerd opgeslagen in een computerbestand. Damoiseaux: "Het opzetten van het WIS kost erg veel tijd. We hebben het raamwerk nu rond en voor één proefgebied hebben we een gegevensbestand ingevoerd. Daarmee kunnen we nu ons eerste proefblad maken. Het invoeren van de gegevens plus het aanpassen aan allerlei nieuwe wetten kost zoveel tijd dat het WIS pas over een aantal jaren kostenbesparend wordt.'

Maar ook het WIS sneuvelde onder het bezuinigingsmes. Demoiseaux: "Misschien blijft het bestaan in een beperktere opzet als die kostendekkend gemaakt kan worden. Daarom willen we graag een proefblad laten verschijnen, als voorbeeld voor potentiële klanten.'

Droge voeten

Prof.dr. F.J. Ormeling, hoogleraar cartografie in Utrecht, betreurt het stopzetten van de waterstaatskaart. "Nederland is het enige land ter wereld met zo'n kaart. De produktie is in 1864 door Thorbecke opgedragen aan Rijkswaterstaat. Tot op dat moment bestonden er alleen kaarten van afzonderlijke waterstaatkundige eenheden. De kaart is het sluitstuk van de vervanging van individuele waterstaatkundige maatregelen van de polders door overkoepelend ingrijpen van de overheid. Onze drassige delta vraagt om zo'n kaart, het is een document dat ervoor zorgt dat we droge voeten houden. De informatie die in deze kaart is opgenomen, is wel beschikbaar bij de waterschappen en dan op grotere schaal (1:10.000 of 1:5.000 HD), maar alleen de waterstaatskaart biedt overzicht. Valt hij weg, dan zijn we weer terug bij het particularisme van vroeger'.

Vroeger bestonden er duizenden waterschappen (in 1937 nog zo'n 3000, tegenwoordig ca. 150) met allemaal eigen regelingen en kaarten. Door de waterstaatskaart, die heel Nederland afdekt, ontstond er overzicht en uniformiteit in de kaarten.

Zeker zo kwalijk vindt Ormeling dat dit "het zoveelste voorbeeld is van de verschraling van het informatie-aanbod van de overheid'. Ormeling: "De informatie is elders wel aanwezig, maar niet in toegankelijke vorm. Al die kaarten van de waterschappen zijn fysiek niet op één plaats te concentreren. Daarnaast geven waterschappen informatie niet zomaar uit handen aan derden.'

Ook waterstaatsgeograaf dr. Gerard van de Ven van de KU Nijmegen vindt de openbaarheid van waterstaatkundige informatie erg belangrijk. Van de Ven: "De Waterstaatskaart is een soort controle- of ijkmiddel. De waterstaatkundige toestand wordt er in vastgelegd. Iedereen kan controleren of er wat veranderd is, of er in polders bijvoorbeeld onderbemaling plaatsvindt. Actiegroepen, natuurbeschermingsorganisaties, iedereen moet zonder belemmeringen over die kaarten kunnen beschikken. Als die kaart verdwijnt is men afhankelijk van instanties die informatie kunnen weigeren. Daarnaast zit Nederland waterstaatkundig zo ingewikkeld in elkaar dat je de Waterstaatskaart nodig hebt. Het is de enige gédetailleerde overzichtskaart, die een uniforme beschrijving geeft van de waterstaatkundige situatie in heel Nederland. Zeker nu in de Derde Nota Waterhuishouding gekozen is voor integraal waterbeheer en de watersysteembenadering, lijkt me zo'n kaart onontbeerlijk. De kaarten sluiten door hun uniformiteit precies op elkaar aan. Ingrepen in de waterstaatkundige situatie laten hun invloeden gelden tot ver over de grenzen van waterschappen en provincies heen. Verder vind ik het jammer dat de waterstaatskaart wegvalt uit de serie geologische, bodemkundige en geomorfologische kaarten, allemaal schaal 1:50.000.'

Ook Van de Ven vraagt zich af of het uiteindelijk allemaal goedkoper is. Rijkswaterstaat bezuinigt wel op het eigen apparaat, maar jaagt provincies en waterschappen op extra kosten. Demoiseaux deelt die twijfels, maar "kan ze niet hard maken'.