President wil leger Suriname fors verkleinen

PARAMARIBO, 17 OKT. President R. Venetiaan van Suriname wil het leger verkleinen en de defensie-uitgaven verlagen. Dit heeft Venetiaan in Paramaribo gezegd.

Ongeveer tien procent van de Surinaamse begroting wordt besteed aan het leger. Dit noemt Venetiaan “internationaal bezien een ongunstige verhouding”. Vooral in het licht van de relatief hoge kosten wil hij de Surinaamse krijgsmacht verkleinen. Het leger telt nu naar schatting 4.500 manschappen. Venetiaan wil dit terugbrengen naar 1.200 à 1.500. “De defensietaak kan dan vredestijdsgewijze naar behoren worden vervuld.” Het is volgens de president niet de bedoeling mensen zomaar op straat te zetten. “Het is een proces in de tijd, gekoppeld aan alternatieven om een ander bestaan te kunnen opbouwen.”

Volgens venetiaan is er vooralsnog geen aanleiding legerleider Bouterse te vervangen. “Er is tot nu toe geen aanleiding om te denken dat Bouterse niet bereid is zich loyaal op te stellen bij het doorvoeren van hervormingen”, aldus Venetiaan. Hij heeft geen “kandidaatbevelhebber van wie men zeker is dat hij geschoold is in democratie”.

Volgens de president moet men bij een eventuele vervanging van Bouterse er zeker van zijn dat de nieuwe man optreedt overeenkomstig de wil van het volk, “anders raak je verder van het doel af”. De regering wil een “rustige ontwikkeling” van de dominante positie van het leger in de jaren tachtig naar een dienstbaar optreden in de democratie.

De samenwerking tussen Nederland en Suriname moet “ongetwijfeld nodig” worden vernieuwd. Venetiaan vindt het realistisch dat het verdrag voor ontwikkelingssamenwerking van 1975 aan de tijd wordt aangepast. Volgens hem heeft Nederland er behoefte aan accenten te leggen op democratisering, mensenrechten en drugsbestrijding. Hij waarschuwt echter dat het verdrag van 1975 niet overboord mag worden gezet.

Suriname maakt op basis van dat verdrag aanspraak op 1,6 miljard gulden. “We willen graag dat geld in Suriname inzetten”, zegt Venetiaan. Hij wijst erop dat er sinds 1975 een serie bilaterale verdragen is gesloten, maar dat Nederland er nu behoefte aan heeft “nog een nieuw verdrag” te sluiten.