POEP OP DE STOEP

Nienke Endenburg - Animals as companions - (RU Utrecht, 26 september 1991; promotores: Prof.dr. H.W. de Vries, Prof.dr. H. 't Hart en Prof.dr. J. Bouw), 144 blz.

Hoewel ik niet zeker weet of het er een is, heeft dit proefschrift alle kenmerken van wat in de wandeling al een "typisch AIO-proefschrift' is gaan heten. AIO's zijn (onderzoeks)assistenten in opleiding, studenten die na hun doctoraal de gelegenheid krijgen vier jaar lang onderbetaald en onder begeleiding onderzoek te doen. Het eindprodukt moet een proefschrift zijn. Veel AIO's hebben moeite dat in vier jaar rond te krijgen, maar inmiddels moeten hoogleraren toch al steeds vaker hun toga aantrekken om aarzelend hun zegen te geven aan flinterdunne, in knarsend Engels geschreven onderzoeksverslagjes.

"Animals as companions' telt, als je de vele herhalingen en samenvattingen, de tabellen en de tuttige tekeningetjes niet meetelt, nauwelijks 60 pagina's echte tekst. Einstein had destijds, geloof ik, aan minder genoeg en ook Chomsky veranderde met minder dan 100 pagina's de taalwetenschap, maar in het algemeen lijkt me een iets uitvoeriger proeve van bekwaamheid toch overtuigender. Op zich is het ook wel begrijpelijk dat het toenemende en door Minister Ritzen zeer toegejuichte gebruik van het Engels als wetenschappelijke schrijftaal tot gemiddeld wat compactere teksten leidt, maar als het de gedachten- en ideeënvorming gaat hinderen, lijkt er noch voor de Engelse lezer, noch voor de wetenschap veel mee gewonnen.

Het valt mij steeds vaker op dat de wil om het proefschrift in het Engels te schrijven funeste gevolgen heeft voor het proefschrift als "wetenschappelijke verhandeling'. Bij Nienke Endenburg is daar naar mijn idee pas echt sprake van in het laatste hoofdstuk, als het gaat over de ethische aspecten van het houden van dieren. In de eerdere hoofdstukken vinden we weinig meer dan simpele beschrijvingen van de onderzoeksuitkomsten en wat korte referenties naar de literatuur. Mede door de kinderachtige illustraties maakt het geheel een onnodig onbeholpen indruk. Als alle flauwekul weggelaten en het boek gewoon in het Nederlands geschreven zou zijn, zou het resultaat zeker beter geweest zijn.

Er is nog iets eigenaardigs aan dit proefschrift, dat me trouwens ook in andere "typische AIO-proefschriften' al eerder is opgevallen. De hoofdstukken worden gepresenteerd als op zichzelf staande artikelen - vandaar de vele herhalingen van de onderzoeksopzet in de tekst - maar op één uitzondering na wordt nergens vermeld of deze artikelen ook gepubliceerd of minstens geaccepteerd zijn door relevante wetenschappelijke tijdschriften. Toch is dat wat het promotieregelement voorschrijft: promoveren op artikelen is promoveren op publikaties, die door gekwalificeerde collega's als belangrijk erkend zijn en daarom in een goed tijdschrift konden terechtkomen. Wat hier geboden wordt is een travestie van het artikelenproefschrift en dus een beetje belachelijk.

Ik heb niks met dieren en kennelijk ook niet met proefschriften over dieren. Dat is toch niet zo. Ik heb dit proefschrift deze maand juist de voorkeur boven iets moois over demente bejaarden gegeven, omdat het huisdier me zo'n interessant en origineel onderwerp leek. Huisdieren zijn een favoriet gespreksonderwerp in de alledaagse conversatie, de bijtende en poepende hond is uit de kolommen van geen enkele krant weg te denken en geen familiefoto is nog compleet zonder de kat in de armen van de jongste dochter. Tegelijkertijd is de sociologie van het huisdier nog ongeschreven en weten we nog maar heel weinig van de psychologie van het houden van een beest, om over de ethiek van het castreren van de kat en het couperen van de hond zijn staart nog maar niet te spreken.

Nienke Endenburg heeft er allemaal een best aardig onderzoek naar gedaan, maar ik wou dat ze er wat meer mee had gedaan, dan was het meer geworden dan wat zelfs voor een "typisch AIO-proefschrift' toch echt te weinig is. Maar goed, we weten nu tenminste iets meer over de Nederlander en zijn huisdieren, of beter gezegd, gezelschapsdieren. Want dat zijn het nu. Waakhonden zijn er nog wel, maar niemand laat nog zijn kar door een hond trekken en weinig katten verdienen nog de kost met de jacht op muizen. Wat Youp van 't Hek daar ook over zingen mag, het huiskonijn eindigt niet meer in de braadpan, maar wordt netjes begraven in de tuin, naast de cavia van toen de kinderen nog kleiner waren en het oude parkietje van oma.

Het gezelschapsdier is enorm populair. Hoewel het houden van huisdieren tot de vroegste geschiedenis teruggaat, lijkt het er toch op dat het hebben van dieren voor de gezelligheid pas in de laatste dertig jaar algemeen ingang heeft gevonden. In ruim de helft van alle huishoudens bevinden zich nu een of meer gezelschapsdieren en bijna altijd worden zij niet gezien als behorend tot het huis of het huishouden - zoals vroeger en nu nog in veel andere landen - maar als deel van het gezin.

Mensen zeggen dat zelf en je merkt het ook steeds meer. Ik las onlangs een proefschrift waarin de promovendus aangaf samen te wonen met een "partner en vier katten'. Enger nog vond ik de uitnodiging van drie poezen om aanwezig te zijn bij de bruiloft van het baasje en het vrouwtje. Zulke poezen krijgen vast ook van dat decadente kattevoer met zo'n aanstellerig takje peterselie als garnering ernaast. Maar het moet gezegd, het Nederlandse baasje en zijn vrouwtje hebben veel over voor hun huisgenootje: mocht de hond heel erg ziek worden, dan mag hij erop rekenen dat zijn baasje gemiddeld (!) bereid is meer dan duizend gulden voor een operatie uit te geven. De kat mag rekenen op de helft en ook de goudvis doet met ƒ 200,- zijn naam nog eer aan. Als de operatie niets uithaalt of het dier erg te lijden heeft, vindt bijna iedereen diereneuthanasie een goed oplossing, al constateert Endenburg met een zekere zorg dat een op de vier honden en katten ook gevaar loopt een spuitje te krijgen omdat het baasje zijn huisdier niet de baas kan.

Er zijn nogal wat problemen met de gezelschapsdieren. Bijna 30% van de honden is niet voldoende gehoorzaam, bij ruim 20% is er sprake van ziekte en dan zijn er natuurlijk ook de nodige problemen met de verzorging tijdens de vakantie. De gemakkelijkste huisdieren zijn nog de parkiet en de vis, al is de "aaibaarheidsfactor' van de vis natuurlijk wel erg gering. En daar gaat het toch om, want men houdt een huisdier toch vooral voor de gezelligheid en het gezelschap, om ermee te kunnen spelen, hem te kunnen aaien en te genieten van zijn aanhankelijkheid. Veel mensen hebben daarnaast ook een huisdier, omdat het zo goed is voor de opvoeding van de kinderen of gewoon, omdat ze het nu eenmaal zo gewend zijn. De overgrote meerderheid van de huisdierbezitters had als kind ook al een huisdier. De verzorging van de huisdieren blijkt overigens, ook als er kinderen zijn, vooral een zaak van vrouwen.

De belangrijkste redenen om geen huisdier te hebben zijn gebrek aan tijd om er goed voor te zorgen en het wonen in een huis dat niet geschikt is voor huisdieren. Daaruit blijkt al, zoals te verwachten, dat mensen op flats gemiddeld minder vaak huisdieren hebben, maar ook, en dat zal niet iedereen gedacht hebben, dat alleenstaanden eveneens vaker geen huisdier hebben. Ik heb zelf iedere gedachte aan huisdieren van me af gezet, sinds ik ooit in een vakantie op de veestapel van vrienden van mij heb gepast en proefondervindelijk tot de conclusie moest komen dat je met de schildpadden, de kippen en de konijnen in een half uurtje per dag wel klaar bent, maar dat katten al veel bewerkelijker zijn - net als de krant komt, willen ze eten - en dat honden echte handenbinders zijn. Uit het onderzoek van Nienke Endenburg blijkt, dat de hechting aan honden het grootst is. Het lijkt me ook de enige manier om ze niet diep te gaan haten.

Is er bij de gelukkige bezitters van gezelschapsdieren enig besef van de overlast die hun bezit individueel en gezamenlijk de samenleving berokkent? Weet vooral de eigenaar van de hond dat hij trottoirs onbegaanbaar maakt, de grond van parken en plantsoenen vervuilt en openbare zandbakken tot een gevaar voor de volksgezondheid maakt? Nou nee, net zoals men in India sociaal blind is voor armoe op straat, zo is men dat hier voor poep op de stoep. Het is de natuur van de hond en dat moeten we maar accepteren. Zelfs als de hond bijt, vinden de meeste respondenten in het onderzoek van Endenburg, dat de schuld toch bij de eigenaar ligt en dat iemand hem erop moet wijzen dat zijn hond beter getraind moet worden. Kent U zo iemand? Ik niet en ik moet denken aan een van de aardigste stellingen die ik ooit bij een proefschrift - niet dit proefschrift - las: "de wetenschap dat gevaarlijke honden meestal vergezeld worden door hun eigenaar, is zelden een geruststellende gedachte'. Mensen houden veel, teveel denk ik dus, van hun gezelschapsdieren, maar tegelijkertijd doen ze er allerlei dingen voor, die voor het dier pijnlijk of onaangenaam zijn. Katten worden gecastreerd en soms van hun klauwen ontdaan, boxers moeten hun staart en oorflappen inleveren (nooit geweten dat boxers er niet al van nature als boxers uitzien) en zo zijn er nog wel wat ingrepen te bedenken, die voor andere gezinsleden toch minder snel overwogen worden. Nienke Endenburg gaat vrij diep in op de ethiek van het houden en verminken van huisdieren, maar waar zij vooral een belangenafweging ziet tussen het plezier van de eigenaar enerzijds en de "natuur' van het dier anderzijds, is het natuurlijk vooral een kwestie van macht en gewoonte. Mensen hebben bepaalde dieren tot hun gezelschapsdieren gemaakte, maar omgekeerd is die keuze natuurlijk niet gemaakt. Bloemen houden niet van mensen en dieren al evenmin, mensen houden van dieren en bloemen. Hoe precies en van welke meer of minder, dat is toch voor een belangrijk deel sociaal en cultureel bepaald. Omdat wij van huisdieren gezelschapsdieren hebben gemaakt, is bijna elke ingreep geoorloofd om het dier salonfähig te maken, maar wordt tegelijkertijd van de eigenaar verwacht dat hij er als voor een kind voor zorgt. Daar had ik best wat meer over willen lezen.

    • Paul Schnabel