Ouderparticipatie

Op 12 september van dit jaar promoveerde Frederik Smit op een proefschrift over "De rol van ouderparticipatie in het basisonderwijs'. Uit zijn onderzoek blijkt dat ongeveer twee keer zoveel moeders als vaders op school een handje helpen. Tweederde van de onderwijzers maakt gebruik van de hulp van ouders bij het verzorgen van het dagelijks onderwijs, meestal leesmoeders.

Volgens Smit gaat het bij ouderparticipatie om een selecte, goed opgeleide groep ouders, die vaak aan meer dan één activiteit deelnemen. Dit strookt met de oorsprong van ouderparticipatie, dat een begrip is uit het begin van de jaren zeventig, toen mondige ouders meer invloed wensten op de (toen nog) lagere school. Er ontstonden in die tijd nieuwe vakken en nieuwe organisatievormen (het gedifferentieerd leren deed zijn intrede), en er stond zelfs een geheel nieuwe school op stapel, de basisschool. Daar wilden deze ouders over gehoord worden, en zij meldden zich als kandidaat voor de oudercommissie, de medezeggenschapsraad of het niveaulezen.

De Lager Onderwijs Wet voorzag niet in ouderparticipatie; de Wet op het Basisonderwijs, die dateert uit 1985, doet dit wel. Volgens artikel 27 ""stelt het bevoegd gezag de ouders van leerlingen in de gelegenheid ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van de school en het onderwijs te verrichten''. Tot 1985 gold een in 1974 door het college van hoofdinspecteurs lager onderwijs aan alle inspecteurs gerichte brief, waarin stond dat ouderparticipatie een vanzelfsprekendheid hoorde te zijn.

Op het ogenblik verleent volgens cijfers van het CBS 9 procent van de ruim 45 procent van de Nederlandse bevolking die aan vrijwilligerswerk doet, hulp op school. Dit zijn zo'n 600.000 mensen.

Volgens Smit zitten niet alleen bij het niveaulezen (de leesmoeders), maar ook in de medezeggenschapsraden en in de ouderraden meer moeders dan vaders. Alleen in de schoolbesturen van de bijzondere scholen (het openbaar onderwijs valt onder het gemeentebestuur) is de verhouding omgekeerd. Daar zitten twee keer zoveel vaders als moeders. Smit meent dat noch de ouders in de ouderraad, noch die in de medezeggenschapsraad goed op de hoogte zijn van wat er op school speelt.

Onderwijzers op protestants-christelijke scholen maken, aldus Smit, minder gebruik van ouders bij het verzorgen van het dagelijks onderwijs (50 procent) dan hun collega's op katholieke en openbare scholen (respectievelijk 64 en 63 procent). Onderwijzers op protestants-christelijke scholen leggen meer huisbezoeken af en betrekken ouders liever bij hand- en spandiensten dan bij het onderwijs zelf.

Over de positieve invloed van ouderparticipatie op de schoolloopbaan van leerlingen, is Smit terughoudend. Er is "een tendens dat een hoger uitstroomniveau van leerlingen naar het voortgezet onderwijs op relatief veel scholen samenhangt met het inschakelen van ouders bij lesactiviteiten'. Dezelfde voorzichtigheid betracht hij bij een mogelijk lagere uitstroom naar het speciaal onderwijs door ouderparticipatie. Zeker is wel dat de meeste onderwijzers ouderparticipatie ervaren als een taakverlichting.

In 1982 kreeg de medezeggenschap in het onderwijs een wettelijke basis. Op dat moment vervielen de wetsartikelen over de oudercommissies in de Lager Onderwijs Wet. Zij figureren in de nieuwe wet onder de naam ouderraad, met iets andere bevoegdheden dan voorheen. In de praktijk houden ouderraden zich bezig met zaken als de ouderbijdrage, festiviteiten en uitstapjes, hand- en spandiensten door ouders, de schoolkrant en ouderavonden. De medezeggenschapsraad heeft meer te maken met beleid en bestuur van de school, waarbij de oudergeleding in de raad over het algemeen een adviserende stem heeft.

Eerder dit jaar stelde staatssecretaris Wallage voor de Wet Medezeggenschap Onderwijs zo te veranderen dat de raden in het onderwijs allemaal dezelfde bevoegdheden krijgen. Nu verschillen die bevoegdheden nog per school, en kan het gebeuren dat op de ene school de medezeggenschapsraad instemmingsrecht heeft over de gevolgen van een fusie, terwijl op de andere school het bestuur de fusie beklinkt voor de medezeggenschapsraad er lucht van krijgt. Vooral wanneer straks het formatiebudgetsysteem wordt ingevoerd en schoolbesturen meer zeggenschap krijgen over het personeelsbeleid, moet de medezeggenschapsraad sterk staan, vonden zowel de staatssecretaris als de onderwijsvakbonden en de ouderorganisaties. Maar de precieze invulling van de bevoegdheden leidde tot zoveel geharrewar, dat Wallage nu heeft besloten om scholen die dat willen, in de toekomst hun eigen reglement te laten houden.

Op de protestants-christelijke basisschool De Wegwijzer in Amersfoort telt de oudercommissie (de school gebruikt nog de oude benaming) acht leden, vier mannen en vier vrouwen. De voorzitter is een man. De medezeggenschapsraad telt eveneens acht leden, vier onderwijzers en vier ouders. Van die laatste vier is één een vrouw, de voorzitter is een man.

Ouderparticipatie

Op 12 september van dit jaar promoveerde Frederik Smit op een proefschrift over "De rol van ouderparticipatie in het basisonderwijs'. Uit zijn onderzoek blijkt dat ongeveer twee keer zoveel moeders als vaders op school een handje helpen. Tweederde van de onderwijzers maakt gebruik van de hulp van ouders bij het verzorgen van het dagelijks onderwijs, meestal leesmoeders.

Volgens Smit gaat het bij ouderparticipatie om een selecte, goed opgeleide groep ouders, die vaak aan meer dan één activiteit deelnemen. Dit strookt met de oorsprong van ouderparticipatie, dat een begrip is uit het begin van de jaren zeventig, toen mondige ouders meer invloed wensten op de (toen nog) lagere school. Er ontstonden in die tijd nieuwe vakken en nieuwe organisatievormen (het gedifferentieerd leren deed zijn intrede), en er stond zelfs een geheel nieuwe school op stapel, de basisschool. Daar wilden deze ouders over gehoord worden, en zij meldden zich als kandidaat voor de oudercommissie, de medezeggenschapsraad of het niveaulezen.

De Lager Onderwijs Wet voorzag niet in ouderparticipatie; de Wet op het Basisonderwijs, die dateert uit 1985, doet dit wel. Volgens artikel 27 ""stelt het bevoegd gezag de ouders van leerlingen in de gelegenheid ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van de school en het onderwijs te verrichten''. Tot 1985 gold een in 1974 door het college van hoofdinspecteurs lager onderwijs aan alle inspecteurs gerichte brief, waarin stond dat ouderparticipatie een vanzelfsprekendheid hoorde te zijn.

Op het ogenblik verleent volgens cijfers van het CBS 9 procent van de ruim 45 procent van de Nederlandse bevolking die aan vrijwilligerswerk doet, hulp op school. Dit zijn zo'n 600.000 mensen.

Volgens Smit zitten niet alleen bij het niveaulezen (de leesmoeders), maar ook in de medezeggenschapsraden en in de ouderraden meer moeders dan vaders. Alleen in de schoolbesturen van de bijzondere scholen (het openbaar onderwijs valt onder het gemeentebestuur) is de verhouding omgekeerd. Daar zitten twee keer zoveel vaders als moeders. Smit meent dat noch de ouders in de ouderraad, noch die in de medezeggenschapsraad goed op de hoogte zijn van wat er op school speelt.

Onderwijzers op protestants-christelijke scholen maken, aldus Smit, minder gebruik van ouders bij het verzorgen van het dagelijks onderwijs (50 procent) dan hun collega's op katholieke en openbare scholen (respectievelijk 64 en 63 procent). Onderwijzers op protestants-christelijke scholen leggen meer huisbezoeken af en betrekken ouders liever bij hand- en spandiensten dan bij het onderwijs zelf.

Over de positieve invloed van ouderparticipatie op de schoolloopbaan van leerlingen, is Smit terughoudend. Er is "een tendens dat een hoger uitstroomniveau van leerlingen naar het voortgezet onderwijs op relatief veel scholen samenhangt met het inschakelen van ouders bij lesactiviteiten'. Dezelfde voorzichtigheid betracht hij bij een mogelijk lagere uitstroom naar het speciaal onderwijs door ouderparticipatie. Zeker is wel dat de meeste onderwijzers ouderparticipatie ervaren als een taakverlichting.

In 1982 kreeg de medezeggenschap in het onderwijs een wettelijke basis. Op dat moment vervielen de wetsartikelen over de oudercommissies in de Lager Onderwijs Wet. Zij figureren in de nieuwe wet onder de naam ouderraad, met iets andere bevoegdheden dan voorheen. In de praktijk houden ouderraden zich bezig met zaken als de ouderbijdrage, festiviteiten en uitstapjes, hand- en spandiensten door ouders, de schoolkrant en ouderavonden. De medezeggenschapsraad heeft meer te maken met beleid en bestuur van de school, waarbij de oudergeleding in de raad over het algemeen een adviserende stem heeft.

Eerder dit jaar stelde staatssecretaris Wallage voor de Wet Medezeggenschap Onderwijs zo te veranderen dat de raden in het onderwijs allemaal dezelfde bevoegdheden krijgen. Nu verschillen die bevoegdheden nog per school, en kan het gebeuren dat op de ene school de medezeggenschapsraad instemmingsrecht heeft over de gevolgen van een fusie, terwijl op de andere school het bestuur de fusie beklinkt voor de medezeggenschapsraad er lucht van krijgt. Vooral wanneer straks het formatiebudgetsysteem wordt ingevoerd en schoolbesturen meer zeggenschap krijgen over het personeelsbeleid, moet de medezeggenschapsraad sterk staan, vonden zowel de staatssecretaris als de onderwijsvakbonden en de ouderorganisaties. Maar de precieze invulling van de bevoegdheden leidde tot zoveel geharrewar, dat Wallage nu heeft besloten om scholen die dat willen, in de toekomst hun eigen reglement te laten houden.

Op de protestants-christelijke basisschool De Wegwijzer in Amersfoort telt de oudercommissie (de school gebruikt nog de oude benaming) acht leden, vier mannen en vier vrouwen. De voorzitter is een man. De medezeggenschapsraad telt eveneens acht leden, vier onderwijzers en vier ouders. Van die laatste vier is één een vrouw, de voorzitter is een man.