IERSE VENEN GERED

"Hoe zoudt u het vinden als we het Book of Kells pakten, daar elke dag een bladzijde uitscheurden en die in de kachel wierpen?' Met deze vraag begint een videoband in het Shannonbridge informatiecentrum van de Ierse Turfmaatschappij Bord na Mona.

"U zou om het hardst protesteren', gaat de commentaarstem verder, "maar elke keer als u een blok turf opstookt doet u in feite hetzelfde. Veen is een geschiedenisboek. Sinds zijn ontstaan ongeveer achtduizend jaar geleden, registreert het iedere gebeurtenis in de omgeving. Klimaatschommelingen, de ontbossing na de middeleeuwen, de eerste vervuiling door de Industriële Revolutie en ook het recente ongeluk met de kerncentrale van Tsjernobyl. Dit is nog maar één facet van turf. Wist U dat ...' enzovoorts.

De woorden op deze videoband - en zeker de plek waar ze te horen zijn - waren tien jaar geleden ondenkbaar. De Ieren beschouwden het veen als een sta-in-de-weg voor economische ontwikkeling of op z'n gunstigst als een onbeperkte voorraad goedkope brandstof. Het werd dan ook zonder erbarmen afgegraven. Daarin is sinds kort verandering gekomen.

Vijf procent

In 1978 trokken Nijmeegse biologie-studenten naar Ierland om in een lijn van oost naar west onderzoek te doen naar de veenvegetatie in samenhang met veranderende weersinvloeden. Ook wilden ze geselecteerde venen een langere periode volgen.

Matthijs Schouten, de latere voorzitter van de Stichting tot Behoud van de Ierse Venen, was toen een van hen: "We gingen erheen met de idee dat het eiland van veen vergeven was, maar daar kwamen we snel van terug. Wat op een paar jaar oude luchtfoto's goed veen leek, bleek te zijn ontwaterd en afgegraven of bebost. We zijn daarna de veengebieden in een groot deel van Ierland gaan bekijken en moesten concluderen dat nog maar vijf procent intact was. Navraag bij Bord na Mona leerde dat ook dat op de nominatie stond om afgegraven te worden. We realiseerden ons toen dat als dit doorging er in Ierland - en daarmee in Noordwest-Europa - binnen één decennium geen veen meer zou bestaan.'

Er was wel verschil tussen het dikke lenshoogveen in de Midlands en het dunnere spreihoogveen in het westen en op de bergen. Van de eerste hoogveen-soort bezat Ierland ooit 300.000 hectaren. Turf gestoken wordt er sinds mensenheugenis, maar met de industriële afgraving door Bord na Mona, begonnen in 1949, is het hard gegaan. Zo'n 282.000 hectaren werden afgegraven of beschadigd en 6.000 hectaren bebost. Er zijn nu nog 22.000 hectaren onbeschadigd lenshoogveen over.

Het spreihoogveen lijkt er beter voor te staan. Van de oorspronkelijke 770.000 hectaren zijn "slechts' 120.000 weggestoken. Bord na Mona is niet zo in spreihoogveen geïnteresseerd. Maar op 140.000 hectaren werden bomen geplant. Bovendien hebben turfsteken en bosaanleg grote laag gelegen spreihoogveengebieden versnipperd terwijl overbeweiding het veen op de bergen beschadigt. Op zoek naar jonge struikheide trappen schapen de vegetatie kapot, waarna de regen het kale veen van de hellingen afspoelt.

De Ieren zelf hadden er geen idee van dat hun venen zo snel verdwenen. Het Nederlandse verhaal stuitte bij de Wildlife Service aanvankelijk op ongeloof. Schouten: "We hebben ze toen het veld mee ingenomen en daar zijn ze heel erg geschrokken. Toch wisten we toen dat er in Ierland zelf weinig aan die alarmerende situatie gedaan zou worden. Ierland kende in die tijd nauwelijks een natuurbeschermingsbewustzijn, de overheidsorganisatie voor natuurbescherming had geen aankoopbudget en de natuurbeschermers die er waren hadden al moeite genoeg met het behoud van een stuk bos, die kéken niet eens naar veen. Als er iets kon gebeuren moest dat internationaal. Omdat wij de teloorgang het eerst signaleerden, omdat Nederland als eerste Europese land vrijwel zijn hele veen had afgegraven - én als eerste ook weer met restauratie begon - viel het besluit om Ierland als eerste met een veenbeschermingsprogramma te ondersteunen. Niet betuttelend, daar hebben de Ieren de buik vol van, maar met geld'.

Merkwaardige zaak

In 1983 werd de Stichting tot Behoud van de Ierse Venen opgericht. Doelstelling was geld in te zamelen voor de aankoop van drie bedreigde stukken veen. De aktie werd een groot succes. Binnen drie jaar kwamen er voldoende middelen binnen voor de aankoop van vér terreinen. Het geld was afkomstig van natuurbeschermingsorganisaties, het Wereld Natuur Fonds en talloze donateurs die voor vijfentwintig gulden een stukje Iers veen adopteerden.

De Stichting organiseerde in oktober 1987 een driedaags congres, vloog een vliegtuig vol belangrijke Ieren over naar Nederland: de minister en staatssecretaris belast met natuurbeschermingszaken, wetenschappers, politici en een hele hoop pers, en vond Prins Bernhard bereid het aangekochte veen tijdens het congres aan Ierland over te dragen.

Schouten: "Met het voltallige gezelschap zijn we ook een kijkje gaan nemen bij het voor dertig miljoen gulden gerestaureerde Bargerveen. Honderd miljoen heeft de Nederlandse overheid al aan dit soort projecten uitgegeven. Fascinerend wat daarmee tot stand is gebracht. Maar: het Bargerveen kan niet tippen aan een goed Iers veen. Ik veronderstel dat dit de mensen aan het denken heeft gezet. Ierse media hebben dagenlang bol gestaan van het congres en de overdracht. Het blijft natuurlijk ook een merkwaardige zaak: buitenlanders halen in hun eigen land geld op om in jouw land grond te kopen, veen nota bene, en geven dat dan weer aan je terug. Maar er is veel door in beweging gezet, meer dan we ooit hadden durven hopen. De Ierse minister verklaarde al op het congres dat het het doel van zijn regering was 40.000 hectaren veen voor de toekomst veilig te stellen.'

Met die intentie-verklaring plaatste de Ierse regering zich in een dubbelzinnige positie. Bord na Mona is immers een semioverheidsinstelling en haar eigen Bosbouwdienst ontwatert veen en zet er bomen op. Bovendien strijkt Ierland EG-subsidies op voor het afgraven van turf, voor bosbouw en voor schapenhouderij en daarmee voor de vernietiging van veen.

Daarnaast bestond er het probleem van de toename van het turfsteken door particulieren. Dat hing samen met de groei van de bevolking vanaf de zeventiger jaren. Maar ook met de subsidie die Bord na Mona gaf voor de aanschaf van kleine graafmachines: elephantdroppings machines genoemd om de vorm waarin ze de turven op het land achterlaat. Met deze machines kan iemand makkelijk meer turf steken dan hij voor eigen gebruik nodig heeft.

Landschapsbeheer

In het kielzog van congres, overdracht en publiciteit barstte in Ierland een stevige discussie los. De Ieren raakten ervan doordrongen dat waar zij tot dan toe achteloos mee waren omgegaan in feite iets heel bijzonders was. Veenbescherming werd opgenomen in de snel naar voren komende discussie over landschapsbeheer.

Natuurbeschermers gooiden economische overwegingen in de strijd. Bord Failte, de Ierse VVV, hield in de jaren tachtig een onderzoek naar het buitenlandse toerisme. De meest genoemde redenen voor de komst naar Ierland hielden direct verband met kwaliteiten van het landschap: schoon milieu, flora, fauna, natuur enzovoorts.

Schouten: "De rekensom is heel eenvoudig. De belangrijkste bron van inkomsten in Ierland is vee. Op de tweede plaats staat het overzeese toerisme. In 1990 zal dat ongeveer 800 miljoen Ierse ponden (ƒ 2,5 miljard) hebben opgebracht. Beschouw je deze jaarlijkse inkomsten als terugkerende interest, vijf procent of zo, dan is meteen duidelijk dat je met je landschap, de basis van het toerisme en daarmee van de inkomsten, een miljardenkapitaal hebt uitstaan.'

Hoe met zo'n immens kapitaal moet worden omgegaan is voor de Ieren in deze optiek dus gelijk aan de vraag hoe ze hun landschap moeten beheren. Het is immers onverstandig maatregelen te nemen voor de verbetering van de economie als diezelfde maatregelen de economische pijlers ondermijnen. Maar Ierland blijft natuurlijk wel behoefte houden aan turf, aan timmerhout en aan de inkomsten uit veeteelt en schapenhouderij.

Schouten: "De oplossing zit hem mogelijk in een reallocatie van deze activiteiten naar minder aantrekkelijke delen van het landschap. Dan wordt beide belangen recht gedaan. Het gaat niet aan om turfsteken te verbieden, we hebben ook nooit gezegd dat dat niet zou mogen. Onzin, want buiten de grotere steden is bijna iedereen er voor koken en stoken op aangewezen. Maar er kan wél worden afgesproken om voor het turfsteken, net als voor bosbouw en beweiding, andere terreinen te gebruiken. Op regeringsniveau wordt in dit verband aan regionale planningen gewerkt. Daarbij zal overigens het explosief groeiende toerisme worden betrokken, want ook dat kan zijn eigen basis, het landschap, vernietigen'.

Turfmolm

De Ieren hebben de discussie na de gebeurtenissen van 1987 niet meer laten verstommen. En er is daadwerkelijk iets veranderd. Ierland kan inmiddels bogen op een invloedrijke natuurbescherming en de publieke opinie reageert alert op elke aantasting van milieu en landschap.

Een paar voorbeelden. Druk van natuurbeschermers heeft ervoor gezorgd dat plannen voor de aanleg van een vliegveld in Connemara van de baan zijn. Men heeft de voorgenomen bouw van een bezoekerscentrum in het hart van The Burren (een uniek Atlantisch karstplateau) op losse schroeven gezet. En een storm van protest ontstond tegen de goudprospectors in het westen van het eiland.

De Ierse overheid zette haar intentie-verklaring om in daden. Binnen vijf jaar zullen de voorgenomen 40.000 hectaren veengebied zijn beschermd; op dit ogenblik is men al over de helft. Nieuwe inventarisaties in de counties Donegal en Mayo hebben nog enige waardevolle terreinen opgeleverd. Ook die zullen worden veilig gesteld, zodat het totaal beschermde areaal 50.000 hectaren gaat omvatten.

De turfafgraver Bord na Mona kreeg het zwaar te verduren. De maatschappij was ooit de trots van Ierland. Ze kwam naar afgelegen gebieden, stampte dorpen uit de grond, en zorgde voor werkgelegenheid. Daar is nu de klad in gekomen.

Naast het Nederlandse initiatief begon er ook een zeer succesvolle Engelse campagne tegen de afgraving van veen. Prins Charles verscheen op de televisie om te pleiten tegen het gebruik van turfmolm voor tuinen en tuinbouw. Was dat niet afkomstig uit de meest bedreigde eco-systemen ter wereld? Bord na Monas export naar Engeland kwam stil te liggen.

De ommezwaai volgde. Bord na Mona droeg bedreigde waardevolle venen over, beloofde geen terreinen meer in afgraving te nemen die op rode lijst stonden en gaf particuliere gravers daarvoor ook geen subsidie meer.

Het informatie-centrum te Shannonbridge moet het blazoen nu verder oppoetsen.De bezoeker heeft daar lichtelijk het gevoel te luisteren naar een vos die voor belangen van de pluimveehouderij opkomt. Maar dat is niet terecht volgens Schouten, de Ierse natuurbeschermers zijn zeer te spreken over de houding van Bord na Mona.

Voorts is de Bosbouwdienst geprivatiseerd en inschikkelijker geworden. Sinds de middeleeuwen hebben de Engelsen roofbouw op het bosbestand gepleegd totdat de kaalslag bijna volledig was. Niet meer dan wat park- en jachtbossen bleven over. De Ierse wens tot herbebossing is derhalve begrijpelijk. Maar de dienst ging uitheemse dennesoorten planten op veen en daar horen bomen niet eens. De venen moesten voor dat doel worden ontwaterd en bemest.

Nu, dertig jaar later, wordt men steeds ongelukkiger met het resultaat. In een landschap als Connemara dat juist boomloosheid als karakteristiek heeft, is een wezensvreemd element ingebracht én een kleur die er niet past. Maar de Bosbouwdienst heeft beloofd geen subsidie meer te verstrekken voor bebossing op belangrijke veenterreinen of op plekken waar dat het landschap zou aantasten. De houtopbrengst op veen valt overigens tegen.

De EG-subsidies voor het afgraven van turf, voor bosbouw en voor schapenhouderij vormen nog steeds een probleem. Lichtpunt is dat de EG maatregelen ontwikkelt voor de bescherming "van de Europese habitat'. Daarbij wordt ook nagedacht over richtlijnen voor een beter gecoördineerde kanalisering van fondsen. Men hoopt dan te voorkomen dat gebieden die door het ene Directoraat worden beschermd, door het andere worden omgeploegd.

Beurzen

De Stichting tot Behoud van de Ierse Venen bestaat nog steeds maar hoeft geen campagne meer te voeren. Ze is betrokken bij een vierjarig bilateraal Iers-Nederlands onderzoek van veensystemen. Nederlandse onderzoekers en de Ierse overheid hebben daaraan beiden voordeel: bij de restauratie van veen heeft Nederland intact vergelijkingsmateriaal nodig en de Ieren kunnen steunen op Nederlandse wetenschappelijke ervaring. Van het geld dat overbleef na de inzamelingsaktie en de aankoop van de vier venen geeft de stichting verder studie- en reisbeurzen uit aan wetenschappers en kunstenaars die in het Ierse veen willen werken.

Wat moet er tenslotte gebeuren met de vele tienduizenden woestijnachtige, zure hectaren grond die Bord na Mona na de afgraving heeft achtergelaten? Schouten: "Dat is een heet hangijzer in de Ierse politiek. Er worden vier mogelijke bestemmingen genoemd. Ze kunnen geschikt worden gemaakt voor landbouw en veeteelt. Proeven hebben echter aangetoond dat dit enorme investeringen in de verbetering van de grond vergt. Daar komt bij dat de toekomst van de EG-landbouwpolitiek erg onzeker is.'

"De tweede en meest voor de hand liggende optie is deze terreinen over te dragen aan de Bosbouwdienst. Ook dan zit men met dat bodemprobleem. Verder is het plan geopperd de vlakten onder water te zetten om er recreatie-meren van te maken. Maar de meeste Ieren vinden dat ze die al genoeg hebben.'

"De vierde optie, waar natuurbeschermers voorstander van zijn, is de drainage te stoppen en de gebieden te laten ontwikkelen tot wetlands, moerassen. Ze zijn zo groot dat hier ongekende mogelijkheden liggen. Ook voor toerisme. Uitgestrekte wetlands zouden een nieuwe eye-opener kunnen zijn voor het "groene toerisme' naar Ierland. En omdat Bord na Mona zijn afgravingen vooral heeft geconcentreerd op de Midlands zou dit deel van Ierland economisch ook eens in de lift raken. Op weg naar het westen rijden de meeste toeristen er nu zo snel mogelijk doorheen. De opties voor bosbouw of wetlands geef ik de meeste kans. Wat het wordt weet ik niet, maar je ziet aan de hele manier waarop men de discussie voert, hoeveel er na de campagne in