Identiteit

In het artikel van Mieke de Waal "Dochters die moederen' (W&O 10 okt.) wordt verslag gedaan van een recente conferentie van Femmes Savantes over de moeder-dochterverhouding in al haar schakeringen. Aangezien daarin ook de "revolutionaire' visie van Nancy Chodorow uit 1978 aangehaald wordt aangaande de masculiene ontwikkeling van de kleine jongen via "negatieve identifikatie', verstout ik mij als kinderpsychiater tot enkele "demarkerende' opmerkingen.

Volgens het moderne feminisme van academische signatuur is deze baanbrekende theorie over de invloed van het moederen op de psychische ontwikkeling van jongens en meisjes van zeer recente datum. Echter, in een schitterende presentatie heeft Margaret Mead, een dame met een m.i. sterk en incisief ego, daarover al veel genuanceerder uitspraken gedaan in 1955, tijdens een rondetafelconferentie van de Wereldgezondheidsorganisatie in Geneve in de aanwezigheid van heren met een eveneens grote naam en een zeer solide ego (Bowlby, Erikson, Piaget etc.). Op de vraag van de latere Nobelprijswinnaar Konrad Lorenz: ""... my question is now how is the little boy in our society discouraged from behaving like Ma? What are the reinforcements for imitating Pa and not Ma?'' geeft Margaret Mead het volgende schitterende antwoord: ""I should like to say that in our society a baby boy is discouraged from behaving like a female from the moment he is born. The first time his mother picks him up in her hands, her hands are saying to him "You are a little male'.

A great proportion of his learning is communicated kinaesthetically very, very young. In all the societies we have been talking about it is the mother who is the operative person''. Dus de differentiërende taak van de moeder begint al direkt via een kinaesthetische dialoog.

Deze anthropologische en psychoanalytische visie van Margaret Mead op de ontwikkeling van de baby-jongen via differentiatie contrasteert dus sterk met de visie van Chodorow beschreven door De Waal: ""Meisjes en jongens voelen zich als baby en peuter één met hun moeder. Wanneer ze een jaar of 3 worden krijgen jongetjes steeds vaker signalen dat zij niet zoals hun moeder zijn''. Als de jongetjes 3 jaar geworden zijn hebben ze volgens Margaret Mead al drie jaar van differentiërende holding, spel en dialoog met hun mama achter de rug. Ondertussen is de "afwezige' vader natuurlijk al lang present via zijn Gestalt, via zijn woord tot de moeder, via de betekenis die hij voor haar heeft, via de ouderlijke sexuele act die het kind een historie geeft zoals Lacan zegt, en tevens een plaats in de symbolische keten van de familie.

En als dat jongetje 3 jaar geworden is, en dus cognitief de symbolische orde heeft bereikt, dan is er de reële en tegelijk symbolische vader die de identiteit van de jongen bekrachtigt: zijn functie van kostwinner, explorator van de wereld buitenshuis, manipulator van instrumenten, echtgenoot van de moeder (ze zijn getrouwd, ze delen hetzelfde huis, hetzelfde bed), naamgever van het gezin: al die symbolische functies steunen het jongetje in zijn ego-opbouw. Dat hoeft hij echt niet in zijn eentje te doen, ook al werkt zijn vader van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, zoals Sigmund Freud deed (en mijn vader ook trouwens).

Voor alle duidelijkheid: dit alles betreft de dominante identificatie van de jongen. Daarnaast blijft er een partiële identificatie met de moeder: met haar zorg, haar gratie, haar lyriek, haar zin voor esthetiek en taal: haar vitaliteit, haar devotie in de dagelijkse en religieuze zin van het woord. Anders wordt het jongetje een arme stakker. Een jongen met een "negatieve identiteit'. Over dat spook heeft Erikson ook al weer decennia geleden geschreven.

"Thet childhood genesis of sex differences in behaviour'. In: Discussions on Child Development, Volume III, J.M. Tanner & B. Inhelder (Eds.), Londen: Tavistock Publications Ltd., 1958, p. 68.

    • Dirk de Raeymaecker