Gedetineerde ex-militairen oorlog krijgen 700 gulden

DEN HAAG, 17 OKT. Ex-militairen die tussen 1943 en 1945 in Duitse krijgsgevangenschap hebben gezeten, krijgen een eenmalige vergoeding van zevenhonderd gulden. Het ministerie van defensie plaatst morgen in alle dagbladen een advertentie die is bestemd voor de desbetreffende groep krijgsgevangenen.

Het ministerie verwacht dat ongeveer 6.500 personen gebruik zullen maken van de regeling waarvoor een bedrag van zeven miljoen gulden is uitgetrokken. Het gaat om dienstplichtigen beneden de rang van officier die formeel geen aanspraak kunnen maken op soldij gedurende hun krijgsgevangenschap.

Voor beroepsofficieren en daarmee gelijkgestelden was het recht op bezoldiging onder andere vastgelegd in de conventie van Genève van 1929. Een dergelijke bepaling ontbrak voor onderofficieren en minderen. Aan hun gezinnen in Nederland werd zonodig bijstand verleend in de vorm van een kostwinnersvergoeding.

Op 30 mei 1940 stelde Hitler generaal Christianen van zijn besluit op de hoogte Nederlandse militairen uit krijgsgevangenschap te ontslaan. Er werd onderscheid gemaakt tussen dienstplichtigen en beroepsmilitairen. Dienstplichtigen konden rekenen op ontslag uit krijgsgevangeschap, de beroepsmilitairen daarentegen dienden een verklaring op erewoord af te leggen dat “zij zich van alle activiteit tegen de vrijlatende vijand zou onthouden,” aldus L. de Jong in deel vier van "Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog'.

Allengs bleek dat het tekenen van de verklaring niet betekende dat men zich onthield van activiteiten tegen de bezetter. In mei '42 waren dientengevolge de meeste beroepsofficieren al weggevoerd in krijgsgevangenschap - een jaar later verscheen de proclamatie van generaal Chrisitanen “dat de leden van het voormalige Nederlandse leger terstond in krijgsgevangenschap worden weggevoerd. Allen (...) hebben dit uitsluitend aan de ophitsers te danken, die door hun misdadig gedrag deze maatregel noodzakelijk maakten”.