Eieren

Juan is een grapjas. Twintig kilometer lang al zoeken we onze weg door het dichtbegroeide tropische bos van het Nationale Park Santa Rosa in het noordwesten van Costa Rica. Heuvel op, heuvel af, langs slingerapen - die ons kakkend vanuit de bomen belagen en takken naar ons werpen - langs slangen, herten, merkwaardige vogels en dieren die we in het geheel niet kunnen thuisbrengen. Op de rug torsen we een zak met de veel te zware lichtgewicht tent, twee dekens, een fles bronwater, twee zakken chips, vier bananen, een mes, een touw, een zaklamp en de wereldontvanger. De laatste vijf uur zijn we geen mens tegengekomen maar opeens staat hij achter ons.

“Boeh”, roept Juan.

Uitgeput en stijf van schrik tuimelen we in een struik. Juan registreert tevreden lachend het succes van zijn actie. Hij oogt akelig fris, draagt een keurig gesteven lichtbruin overhemd met op de rechteram een boswachtersinsigne en langs zijn heup bengelen twee lange messen.

Nee, dit is niet de weg naar Playa Nancita, verzekert hij even later. We zijn te ver doorgelopen en moeten een kilometer of zes terug, opnieuw die heuvel over die we zojuist met gevaar voor eigen leven hebben overmeesterd.

We zijn net weer omgedraaid als Juan opnieuw in een lachbui uitbarst. Het is maar een dolletje, zegt hij nu. We zijn Playa Nancita wel degelijk genaderd. Daar in de verte ligt het, en hij zal ons - alle gekheid op een stokje - nu voorgaan.

Dank zij een speciaal verleende permissie mogen we deze nacht kamperen bij een normaal gesproken alleen voor wetenschappers toegankelijk strand waar in september en oktober tienduizenden zeeschildpadden hun eieren leggen.

Hoe het precies zit, begrijp ik niet helemaal maar het schijnt iets te maken te hebben met de stand van de maan. Als de maan vannacht achter de horizon verdwijnt, maken we een goede kans dit natuurspektakel te zien.

Om zes uur zet Juan in het aardedonker koffie op het gascomfort voor zijn houten boshut. Ik maak me even uit de voeten om in onze tent naar de muskietencrème te zoeken. Als ik terugkeer, weet ik nog net te verhinderen dat Juan bij mijn vrouw in de hangmat kruipt. Hij wilde nog wat suiker aanreiken, stamelt hij betrapt.

Om middernacht staat Juan voor de tent. Het is zover, de schildpadden gaan landen. In het schijnsel van de zaklamp lopen we langs de branding. Plotseling zien we een duidelijk spoor. Alsof er een kleine tractor vanuit zee het strand is opgereden. Vlak daarnaast is een omgekeerd spoor hetgeen helaas betekent dat de schildpad al weer terug het water in is gegaan.

Verderop hebben we meer succes. Verscheidene ruim een meter lange schildpadden hijsen zich het strand op. Bij de bosrand graven ze moeizaam een kuil die na een minuut of twintig de diepte blijkt te hebben van een centimeter of veertig. Juan licht er een bij. Onder haar achterste druppelen vanuit een slurfje gestaag witte eieren, formaat kippeëi. Eerst in groepjes van vier, later steeds drie eieren achter elkaar en zo afnemend totdat zo'n honderd eieren het gat hebben gevuld. We staan de puffende schildpad ademloos te bekijken, Juan vooral mijn vrouw.

Na het baren dekt de schildpad het gat af met zand. Zij hopt met het zware lichaam op en neer, alsof ze vers gelegde stoeptegels aanstampt. Vijfenveertig dagen vanaf nu zullen de jongeren uit het ei kruipen en slechts een paar daarvan zullen de honderd meter lange weg naar de zee dan ongehavend weten af te leggen. De rest vormt een gemakkelijke prooi voor de gieren die hier massaal op de loer liggen.

De schildpad heeft zich keurig van haar klus geklaard. Moeizaam keert ze om, terug naar waar ze vandaan komt. Terwijl ik de schildpad begeleid op weg terug naar de zee staat Juan aan mijn vrouw te frunniken, hoor ik later. “Wat heb je mooi blond haar”, slijmt hij.

De schildpad bereikt de branding. Zij doucht in de eerste golf, wacht even en kiest dan het ruime, donkere sop.

De natuur is prachtig.

    • Marcel Haenen