EG verlost ABP van bemoeienis Nederlandse staat

DEN HAAG, 17 OKT. De Nederlandse ambtenaar mag meer in het buitenland gaan beleggen. Tenminste als de Europese Raad van ministers het besluit van de Europese Commissie goedkeurt om de belemmeringen bij beleggingen voor pensioenfondsen op te heffen. Het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds - de instelling waar de Nederlandse ambtenaar voor zijn oudedagsvoorziening spaart - hoeft dan niet langer 95 procent van haar vermogen verplicht in Nederland te beleggen.

Tot 1988 was het ABP zelfs verplicht om het hele vermogen in Nederland te beleggen, met uitzondering van wat kleine leningen aan instellingen zoals de Wereldbank. In vier jaar tijd is het aandeel buitenlandse beleggingen gestegen tot ongeveer 4,5 procent. Op dit moment levert de kritische grens van vijf procent voor het ABP dus nog geen problemen op, maar binnenkort wordt de discusssie over de drempel wel manifest zei ABP-directeur W.G. Bleijenberg afgelopen zomer in een interview.

Het besluit van de de Europese Commissie komt volgens het ABP “ruimschoots” op tijd. “De kritische grens van vijf procent zou pas volgend jaar of op zijn laatst in 1993 worden bereikt”, aldus een woordvoerder van het ABP.

Volgens het Amerikaanse blad Pension & Investments (1990) neemt het ABP met een belegd vermogen van ruim 73 miljard dollar (160 miljard gulden) de tweede plaats in op de ranglijst van top-300 fondsen. Eerste op de ranglijst staat het Amerikaanse pensioenfonds TIAA-CREF (onderwijzend personeel) met een belegd vermogen van 81 miljard dollar. California Employees bezet met 54 miljard dollar de derde plaats achter het ABP.

Het ABP-vermogen is vooral uitgezet in Nederland, met name onderhandse leningen (65 procent van het totale vermogen) en obligaties (13 procent). Daarnaast belegt het ABP in onroerend goed. De Europese Commissie heeft eind vorig jaar berekend dat de gezamelijke pensioenfondsen in de EG een vermogen hebben van ongeveer 1630 miljard gulden. Hiervan is bijna een kwart in handen van Nederlandse fondsen. De ongeveer 1200 Nederlandse pensioenfondsen beheren ruim 390 miljard gulden; dat is 25.000 gulden per Nederlander. Per inwoner gerekend staat Nederland daarmee op de eerste plaats van de wereldranglijst; per inwoner van de EG is er gemiddeld ruim 5000 gulden gereserveerd voor de oudedagsvoorziening. Dat Nederland zo hoog staat op de ranglijst zit in het pensioensysteem. In Nederland wordt voor het pensioen gespaard, terwijl in het buitenland veelal het omslagstelsel wordt gehanteerd.

Vooral in de afgelopen twintig jaar zijn de vermogens van de Nederlandse pensioenfondsen explosief gestegen; van 20 miljard in 1970 tot 390 miljard gulden in 1990. In de jaren zeventig klaagden de pensioenfondsen regelmatig over de tekorten omdat ze de snelle groei van de verplichtingen als gevolg van de hoge inflatie en loonsverhogingen niet konden bijhouden. In de jaren tachtig daalde echter de inflatie, werden de lonen gematigd en stegen de beleggingsopbrengsten dankzij de herstelde economie en hoge reële rente (het verschil tussen de nominale rente en de inflatie).

In reactie op deze tendens werd de vraag "zijn de pensioenfondsen te rijk?' steeds luider. Het is "Den Haag' al jaren een doorn in het oog dat de fondsen belastingvrij veel meer vermogen vergaren dan nodig is om aan toegezegde pensioenafspraken te voldoen. Pensioenfondsen zijn namelijk vrijgesteld van het betalen van vennootschapsbelasting.

In juni 1989 wordt dan ook een wetsontwerp bij de Tweede Kamer ingediend waarin een nieuwe belasting wordt voorgesteld op de vermogensoverschotten van pensioenfondsen. Op de plank ligt nu een voorstel waarbij pensioenoverschotten binnen vijf jaar in de vorm van een premiereductie moeten zijn weggewerkt. Na die periode wordt er jaarlijks een heffing geheven, net zo lang tot het overschot weg is.

Voor het ABP had minister-president Lubbers begin dit jaar nog iets speciaals in petto. Tijdens het opmaken van de Tussenbalans - de ombuigingsoperatie van 17 miljard gulden - gooide Lubbers een balletje op: het kabinet zou het vermogen van het ABP met een bedrag van 50 miljard gulden willen "afromen' en voor een gedeeltelijke aflossing van de staatsschuld (340 miljard gulden) willen gebruiken.

Het plan om vijftig miljard gulden af te romen, bleef bij “een vrije gedachte” (Lubbers). Maar het gevaar is nog niet uit de lucht meent de directie van het ABP en de ambtenarencentrales. Voordat het ABP op eigen benen zal komen te staan, zal politiek Den Haag nog even snel een greep in de goedgevulde kas van het ABP doen, zo is de vrees. Op dit moment overlegt de directie van het ABP met minister Dales (binnenlandse zaken) over een privatisering van het pensioenfonds. Die besprekingen verlopen moeizaam, want heel geleidelijk raakt de Staat haar greep op het ABP kwijt. “Maar gelukkig helpt de Europese Commissie ons nu een handje”, grapt een ABP-zegsman.

In oktober vorig jaar heeft de Europese Commissie de eerste stappen gezet op weg naar voltooiing van de interne markt op het terrein van de pensioenfondsen. In het voorstel streeft de commissie naar liberalisatie op drie terreinen: a) volledige vrijheid voor de beheerders van pensioenfondsen om grensoverschrijdende diensten te verlenen; b) volledige vrijheid van pensioenfondsen om hun vermogen in het buitenland te beleggen; c) vrijheid voor werknemers om hun pensioen onder te brengen bij buitenlandse pensioenfondsen. “Met name de punten a en b vergroten onze slagkracht aanzienlijk”, zegt de ABP-woordvoerder.