Discussie uit jaren vijftig herleeft met Frans-Duits plan

“Een Europees leger onder gezag van een Europese minister van defensie en onderworpen aan een gemeenschappelijk democratisch toezicht.” Wie denkt dat hier sprake is van een nieuwe variant in de huidige discussie over een eigen Europese defensie-identiteit vergist zich. Het betreft hier de inhoud van een door de Britse staatsman Churchill in de assemblée van de Raad van Europa ingediende motie, die op 11 augustus 1950 met overgrote meerderheid werd aanvaard. Churchill was toen echter oppositieleider en zou een jaar later als hoofd van de Britse regering afwijzend staan tegenover een Britse deelneming aan de vorming van een Europees leger. “We should be closely associated with the European army, but not merged with it”, merkte in dit verband zijn minister van buitenlandse zaken Eden in het Lagerhuis op.

De discussie van de laatste maanden over een gemeenschappelijk Europees defesiebeleid doet in velerlei opzichten denken aan de jaren 50-54 toen de vorming van een Europese Defensie Gemeenschap (EDG) aan de orde was. Ook toen was er sprake van vele initiatieven die gericht waren op de oprichting van een strijdmacht voor de verdediging van Europa. De door de Korea-oorlog ontstane vrees dat ook een oorlog in Europa zou uitbreken, maakte het toen noodzakelijk dat ook West-Duitsland bij die strijdmacht betrokken zou worden. Hiervoor zou dit land echter wel herbewapend moeten worden.

Frankrijk, dat voorkomen wilde dat Duitsland weer een bedreiging kon vormen, was bereid tot een overdracht van nationale bevoegdheden aan supranationale Europese instellingen. Zo leidde het Schuman-plan uit 1950 tot de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). De Britten, voor wie zo'n overdracht van souvereiniteit te ver ging, haakten af. Naast de Bondsrepubliek en Frankrijk namen wel Italië en de Beneluxlanden aan de EGKS deel.

Dezelfde landen bogen zich vervolgens ook over de oprichting van een Europese Defensie Gemeenschap (EDG). Richtinggevend in de onderhandelingen was het in oktober 1950 door de Franse nationale vergadering goedgekeurde plan van minister Pléven dat voorzag in de vorming van een Europees leger onder beheer van een hoge autoriteit. Na anderhalf jaar intensief onderhandelen werd in mei 1952 in Parijs het EDG-verdrag ondertekend. Als supranationale organisatie zouden het commissariaat, de raad van ministers, het parlement en het hof de belangrijkste organen van deze defensiegemeenschap zijn.

Het gemeenschappelijke Europese leger zou uit basiseenheden van 12.000 à 13.000 man bestaan en functioneren op basis van een gemeenschappelijke begroting. Van groot belang was dat het Europese leger onder het commando van de NAVO-opperbevelhebber in Europa zou vallen en daarmee militair verbonden zou blijven met het Atlantisch bondgenootschap. Anders gezegd: de taak van de EDG zou zich beperken tot de vorming, de instandhouding en het beheer van de gemeenschappelijke strijdkrachten van de zes aangesloten landen. De organen van de defensiegemeenschap zouden echter geen enkele bevoegdheid op operationeel, strategisch en politiek gebied krijgen. Anders dan het NAVO-verdrag, voorzag het EDG-verdrag bovendien in een automatische militaire bijstandsverplichting.

Een motie van orde van de Gaullistische ex-generaal Aumeran in de Franse Assemblée in augustus 1954, om de ratificatie van het EDG-verdrag van de agenda te schrappen, haalde echter een meerderheid en deed het doek vallen voor de EDG.

Het deze week ingediende Frans-Duitse plan de Frans-Duitse brigade met strijdkrachten van andere WEU-lidstaten uit te breiden tot een Europees legerkorps van zo'n 20.000 à 40.000 man doen in sterke mate herinneren aan de discussie in het begin van de jaren vijftig. Het einde van de Koude Oorlog heeft uiteraard wel voor een geheel nieuwe dimensie gezorgd. Ook nu echter wordt weer door de verwijzing in het Frans-Duitse plan naar het Haagse platform van de WEU indirect gewezen op het blijvende belang van het Atlantisch bondgenootschap voor de verdediging van West-Europa. Het Europese legerkorps, aldus Franse en Duitse zegslieden, moet vooral gezien worden als een aanvulling op de NAVO.

Vanuit militaire invalshoek is er echter enige onduidelijkheid in het voorliggende plan. Zoals bekend maken de Fransen geen deel uit van de geïntegreerde militaire structuur van de NAVO. De Duitsers hebben echter laten weten dat hun bijdrage aan het Europese legerkorps voornamelijk uit NAVO-eenheden zal bestaan die alleen met toestemming van het bondgenootschap voor niet-NAVO-taken kunnen worden ingezet.

Voorlopig moet het Frans-Duitse plan dan ook vooral gezien worden als kathalysator voor een discussie over de lange-termijndoelstelling van een gemeenschappelijk Europees buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid, waarvoor de politieke structuren echter nog ontbreken. Misschien kan een afgestoft EDG-verdrag hierbij nog van dienst zijn!

DE Britse Nobelprijswinnaar in de natuurkunde Blackett was een soortgelijke mening toegedaan. Volgens hem was 'het werpen van de atoombom niet zozeer de laatste militaire actie van de Tweede Wereldoorlog, als- wel de eerste belangrijke operatie in de koude diplomatieke oorlog die nu met Rusland aan de gang was'. Deze revisionistische visie vond in ons land in de jaren zestig een aanhanger in de Groningse polemoloog prof. mr B. Röling.