Computers in de praktijk

Hij is leraar Frans en staat al twintig jaar voor de klas. In zijn lessen legt hij meer nadruk op grammatica en vocabulaire dan op spreekvaardigheid. Modern is dat niet, want volgens de laatste inzichten hoort een leraar moderne vreemde talen vooral het spreken te oefenen.

Wel is deze leraar geïnteresseerd in computer ondersteund onderwijs, wat niet al zijn collega's hem na kunnen zeggen, ook de jongere niet. Hij gebruikt de computer vooral voor drill & practice oefeningen. Leerlingen, zo heeft hij ontdekt, leren hun grammatica en woordjes beter als ze achter een scherm zitten. Dat motiveert.

De leraar Frans is een van de vier docenten die anderhalf jaar lang door een aantal onderzoekers van de Rijksuniversiteit Utrecht zijn gevolgd in hun omgang met de computer. Wat doen vier gewone leraren van een gewone school met een computer, was de even simpele als intrigerende onderzoeksvraag. Voor het onderzoek stelde IBM, die als belangrijke computerleverancier het antwoord ook wel wilde weten, een aantal computers beschikbaar. De school was daardoor niet helemaal meer een gemiddelde scholengemeenschap voor MAVO, HAVOen VWO: het computerlokaal kreeg vijf extra computers, zodat er een hele klas tegelijk in aan het werk kon. In de vaklokalen van de vier leraren kwam een computer met klassikale projectiemogelijkheid. Ook in hun werkkamers thuis kregen de leraren een computer, met printer.

De vier leraren geven respectievelijk Frans, Engels, aardrijkskunde en geschiedenis. De leraar geschiedenis is de jongste, hij staat nog maar vijf jaar voor de klas. Leerlingen een kritische houding en inzicht in maatschappelijke vraagstukken bijbrengen ziet hij als de belangrijkste taak van een geschiedenisleraar. Kennisverwerving komt op de tweede plaats. Het neemt niet weg dat de lesmethode in zijn lessen een belangrijke rol speelt. Meestal geeft hij klassikaal les. Voor computer-ondersteund onderwijs heeft hij wel belangstelling, maar ervaring heeft hij er niet mee.

Hij is een modale leraar, concluderen de onderzoekers, wat ook geldt voor de leraar aardrijkskunde. Ook deze leraar geeft klassikaal les, al zou hij wel anders willen, omdat hij vindt dat leerlingen zelfwerkzaamheid zouden moeten leren. Maar tegelijk vindt hij vertellen "gewoon heel fijn om te doen'. De leraar aardrijkskunde maakt in zijn lessen gebruik van de overheadprojector, soms van videofragmenten, maar bijna nooit van de computer. Voor het begin van het onderzoek had hij twee keer een computerondersteunde les gegeven.

De leraar Engels tenslotte is ook traditioneel, maar niet zo tevreden met zijn vak als de drie anderen. Zijn bereidheid om vernieuwingen in het onderwijs door te voeren is minimaal. Eenderde van zijn lestijd gaat op aan klassikaal lesgeven, eenderde aan het maken van oefeningen uit het boek, individueel of met z'n tweeën, en eenderde aan overhoringen. Ook hij had voor het onderzoek geen computer thuis, dat had alleen de leraar Frans. Met deze collega deelt de leraar Engels overigens een voorkeur voor het oefenen van luister- en leesvaardigheid, boven spreekvaardigheid.

Na anderhalf jaar blijken de vier leraren zeer onregelmatig gebruik van de computer te maken. Rond perioden van vakanties, schoolonderzoeken of examens liggen diepe dalen, omdat ze dan, zeggen ze, te weinig tijd hebben voor de computer. Ze moeten schoolonderzoeken voorbereiden, vergaderen, correctiewerk doen en rapportcijfers samenstellen. Belangwekkender is de conclusie dat de leraren een zeer selectief gebruik maken van de verschillende soorten software die hen ter beschikking staan. Zo gaat de leraar Frans de computer in de loop van de anderhalf jaar van het onderzoek wel meer gebruiken, maar vooral voor drill & practice oefeningen, die hij inzet voor leerlingen met een achterstand. Hoewel hij zegt nu beter dan eerst te weten wat er mogelijk is met de computer, hebben zijn experimenten zich beperkt tot programma's voor de training van grammatica en woordjes.

Ook de leraar geschiedenis zet de computer alleen maar in als dit in zijn curriculum past, en dat is niet vaak. De software is meestal thematisch, terwijl deze leraar zijn onderwerpen het liefst in een breed historisch kader behandelt. Na afloop van het onderzoek zegt de leraar geschiedenis dat hij graag meer korte programma's zou willen hebben, over een groot aantal onderwerpen. Ze moeten gemakkelijk inzetbaar zijn en zonder veel instructie vooraf door leerlingen gebruikt kunnen worden.

De leraar aardrijkskunde blijkt het gebruik van databanken prima in zijn klassikale methode in te kunnen passen. Verder gebruikt hij simulatie-paketten, om leerlingen individueel of met z'n tweeën te laten werken met een geschematiseerde aardrijkskundige werkelijkheid. De pakketten sluiten aan bij zijn wens leerlingen wat vaker zelfstandig te laten werken. Maar de programma's moeten niet te ingewikkeld worden, dan ziet hij er van af. Hij is "geen knutselaar'.

De leraar Engels begint met programmatuur voor leerlingen met een achterstand, maar deze stelt hem zeer teleur. Hij vindt dat de computer een duidelijke meerwaarde zou moeten hebben boven zijn eigen manier van werken. Ook zou de software moeten aansluiten bij de lesmethoden die hij gebruikt. Dat is volgens hem niet het geval. Als hij een paar keer vergeet de technisch onderwijs assistent in te schakelen bij zijn lessen in het computerlokaal en de schijfjes met het programma onvindbaar zijn, is dat de druppel die de emmer doet overlopen. In week 25 van het onderzoek kapt de leraar Engels met computer ondersteund onderwijs.

Hoewel je aan het volgen van maar vier leraren nauwelijks conclusies kunt verbinden, wagen de onderzoekers zich er wel aan. Ze noemen het opvallend dat geen enkele leraar het onderwijs verandert onder invloed van de computer. Het is juist omgekeerd: de software moet aansluiten bij de opvattingen die leraren hebben over het vak, aansluiten bij hun gebruikelijke manier van lesgeven, aansluiten bij de lesmethode die ze gebruiken en aansluiten bij het leerplan. Als de afstand tussen lespraktijk en software te groot is, doen ze er niets mee.

Nee, dan het gebruik van de computer buiten de lessen, als tekstverwerker thuis. Dat werd een ware verslaving. Na anderhalf jaar zeiden de vier leraren er niet meer buiten te kunnen.

De realiteit van computergebruik in de praktijk, vier casestudies op een HAVO-VWO school, onderzoek uitgevoerd door de Didactische Werkplaats voor Informatietechnologie (DIWIT) van de Rijksuniversiteit Utrecht, Academisch Boeken Centrum, De Lier, ISBN: 90 72015 85 1

    • Gretha Pama