RONALD H. COASE; Late erkenning voor bescheiden econoom

DEN HAAG, 16 okt. - Jarenlang werd zijn werk genegeerd, in het bijzonder door economen. Ronald H. Coase, de 81-jarige Amerikaanse econoom van Britse origine, voelde zich miskend en onbegrepen. In 1988 zette hij zijn frustraties op papier. “Mijn betoog is zo eenvoudig dat het valt in de categorie van waarheden die voor zich zelf spreken.” Gisteren werd die waarheid in ieder geval erkend. Coase kreeg de 23ste Nobelprijs economie (de eerste werd in 1969 toegekend aan Ragnar Frisch en Jan Tinbergen).

De verongelijktheid van Coase is niet alleen daarom verrassend. In Nederland wijdde bijvoorbeeld de Commissie Economische Deskundigen van de Sociaal-Economische Raad vorige maand in een rapport over Economie en milieu verscheidene pagina's aan zijn ideeën. En prof. Arnold Heertje "gaf' Coase vorig jaar in zijn preadvies van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde over "Het Nederlandse milieu in de Europese ruimte' acht volle pagina's.

De Nobelprijs economie (zes miljoen Zweedse kronen) wordt niet uit de nalatenschap van dynamietfabrikant Alfred Nobel gefinancierd, maar door de Zweedse centrale bank. Coase is inmiddels al de dertiende econoom van de universiteit van Chicago die de prijs krijgt.

Coase, die zijn afkeer van mathematische methoden nimmer verheelde, verrijkte de economische theorie met twee begrippen: transactiekosten en eigendomsrechten. Op het eerste gezicht simpele ideeën, maar ze openden de deur voor tal van verklaringen van het economisch leven - de ineenstorting van het communisme en de aanpak van milieuvervuiling zijn sprekende voorbeelden. Coase beperkte zich tot het theoretisch fundament; de praktische uitwerking liet hij aan anderen over.

In "The Nature of the Firm', een artikel uit 1937 dat ontstond nadat hij als student van de London School of Economics een aantal Amerikaanse ondernemingen had bezocht, analyseerde hij waarom ondernemingen ontstaan. Waarom huren ze soms liever geen diensten van buiten en verrichten ze die activiteiten liever zelf? Omdat, suggereerde Coase, markten duur zijn. De gevraagde prijs kan de kostprijs ver overschrijden en de kosten van afzonderlijke contracten (het afsluiten, de controle op de naleving) kunnen hoog oplopen. Daar staan natuurlijk de kosten van de organisatie tegenover. Dus groeien ondernemingen totdat ze wat ze nodig hebben goedkoper op de markt kunnen krijgen.

Prof. Assar Lindbeck, de voorzitter van het Nobelprijscomité, stelde gisteren dat hetzelfde principe kan worden gebruikt om de ondergang van centraal geleide economieën te verklaren. “Men probeerde daar langs administratieve weg de behoeften van de mensen te bevredigen. Dat ging echter de grenzen van de organisaties te boven. Nu wil men de organisatie afbouwen en de weg vrij maken voor vrijwillige contracten op de markt,” aldus Lindbeck.

Het tweede artikel waarmee Coase wereldwijde bekendheid verwierf was "The Problem of Social Cost' uit 1960. Daarin stelde hij de vraag waarom een onderneming die een ander bedrijf schaadt dit conflict niet via onderhandelingen kan oplossen. De overheid kan natuurlijk met gebods- en verbodsbepalingen ingrijpen, of via produktheffingen het veroorzaken van schade duurder maken, of de veroorzaker verplichten de schade te vergoeden. In de economische wetenschap is die weg sinds het werk van A.C. Pigou (Wealth and welfare, 1912) altijd populair geweest.

Coase stelde echter dat een verplichting om schade te vergoeden averechts kan werken. Het kan de prikkel bij het slachtoffer om zich aan te passen wegnemen of het slachtoffer zelfs stimuleren zich bloot te stellen aan schade. Het is beter als het probleem via de markt wordt opgelost, dus via onderhandelingen. Het vergoeden van schade kost de onderneming geld, maar het is eveneens denkbaar dat het slachtoffer de onderneming betaalt om haar gedrag te veranderen.

Coase concludeert nu dat het er voor een optimale oplossing niet toe doet hoe het juridisch kader eruit ziet. Neem het voorbeeld van milieuvervuiling. De wet kan het slachtoffer het recht geven op schone lucht, maar kan ook de vervuiler het recht geven op vervuiling. In beide gevallen kan via onderhandelingen een zelfde optimaal evenwicht van produktie en vervuiling worden bereikt. De kostenverdeling verschilt natuurlijk wèl. Dit is het fameuze "Coase Theorema' dat beroemder is dan Coase zelf.

Er is wel een belangrijk "mits': de transactiekosten van de onderhandelingen mogen niet te hoog oplopen. Dat gebeurt als een bedrijf moet onderhandelen met honderden slachtoffers, of wanneer er, zoals het SER-rapport stelt, sprake is van "uitvretersgedrag' waarbij mensen willen profiteren van vergoedingen maar als het moet niet willen betalen. Dan kom je toch weer bij de overheid terecht en is de praktische betekenis van het Coase Theorema beperkt. Robert Cooter, een andere criticus, verwijt Coase dat hij teveel uitgaat van de goede wil van de onderhandelingspartners. Hij introduceert als theoretisch alternatief het 'Hobbes Theorema': mensen zullen elkaar zoveel mogelijk dwarszitten, totdat een derde partij hen dwingt tot een oplossing.

Het gevaar van overheidsinterventie is een centraal thema in het werk van Coase, bijvoorbeeld in zijn artikel "The Marginal Cost Controversy' uit 1946. Een theoreticus als Richard Posner heeft het werk van Coase dan ook een 'rechtse' tint gegeven, en gebruikt het als argument tegen overheid. Maar anderen, zoals Bruce Ackerman, zien Coase's concept van de transactiekosten juist als een argument tegen de markt en vóór overheidsingrijpen.

Ondanks een jarenlang verblijf in Amerika behield Coase zijn Britse manieren, inclusief vest en paraplu. Prof. Douglad Baird, die hem na zijn afscheid in 1981 als directeur van de afdeling Law and Economics aan de universeit van Chicago opvolgde, herinnert zich een incident uit 1959. Toen Coase zijn ideeën voor een select gezelschap Chicago-economen (waaronder Milton Friedman en George Stigler, die later de Nobelprijs ontvingen) uiteenzette, stuitte hij op grote scepsis. Baird: “Het kostte hem twee uur om ons te overtuigen. Hij is koppig, maar als je een genie bent is dat een goede eigenschap.”

(met dank aan A. Heertje, R. Teijl, R.W. Holzhauer, B.Bouckaert en C.G.M. Sterks).

    • Kees Calje