Rapporten Atoomagentschap geven gedetailleerd beeld; Iraaks atoomwapen onthuld

Deze maand wordt in opdracht van de Veiligheidsraad van de VN begonnen met het weghalen en onklaar maken van alle atoominstallaties en -splijtstoffen in Irak. Of dat ook volledig zal lukken, daarover hebben de specialisten van het Internationaal Atoom Energie Agentschap hun twijfels. Aan de hand van de zes tot nu toe verschenen IAEA-inspectierapporten valt een redelijk overzicht te krijgen van het Iraakse atoomprogramma.

WENEN, 16 OKT. Van de produktie van massavernietigingswapens had de fabricage van een kernwapen voor Irak de hoogste prioriteit. Nog steeds probeert Irak de omvang van zijn programma geheim te houden, maar tijdens hun zesde inspectietocht hebben de inspecteurs van het Internationaal Atoom Energie Agentschap toch gedetailleerde informatie gevonden over een totaal onbeschadigde fabriek voor de produktie van het atoomwapen in Al-Atheer.

Ontmoeten de VN-inspecteurs die de fabricage van chemische en biologische wapens onderzoeken nauwelijks moeilijkheden, de inspecteurs voor het nucleaire programma worden geïntimideerd, beschoten en vastgehouden. Men weigert ze de toegang tot installaties en neemt ze gevoelige documenten af.

“Wat het programma precies is geweest zullen we nooit te weten komen”, aldus David Kay, leider van diverse VN-inspectieteams. “En of we er in zullen slagen al hun installaties te vernietigen staat ook niet vast.” De ondervinding heeft geleerd dat Irak machines en materialen die bij de VN-inspecties worden gevonden achteraf alsnog weghaalt. Ook de door de VN-teams aangebrachte verzegelingen worden weer verbroken, meldt het rapport van de vijfde inspectie (14-20 september).

Intussen is het ontzag voor het Iraakse programma, waarover de eerste VN-inspectieteams zich nog neerbuigend uitlieten, sterk toegenomen. Dat het land als ondertekenaar van het Non-proliferatie verdrag (NPT) erin slaagde naast de weinige "gedeclareerde' activiteiten een complete nucleaire industrie van Westers niveau op te bouwen werd pas in de loop van deze zomer duidelijk.

Nog tot in november 1990, na de inval in Koeweit, bezocht het IAEA voor zijn halfjaarlijkse "safeguard'-inspecties uitsluitend het nucleaire onderzoekscentrum van Al-Tuwaitha ten zuiden van Bagdad. Dat is een complex van 90 gebouwen waarvan het IAEA alleen de oude Russische reactor IRT-5000 en de kleine Franse Isis-reactor (Tamuz-2) en enige belendende gebouwen mocht binnengaan. De resten van de in 1981 door Israel vernielde grote Franse Osiris-reactor ("Osirak', Tamuz-1), naast de Tamuz-2, waren geen bezoek meer waard. Formeel wist het IAEA niet van andere nucleaire inspanningen dan het "wetenschappelijk' werk in deze reactoren. Achteraf blijken op zijn minst Amerikaanse inlichtingendiensten goed op de hoogte te zijn geweest van clandestiene activiteiten binnen dit Tuwaitha-complex.

Hoe groot het niet-gedeclareerde deel van de Iraakse nucleaire activiteiten was, blijkt nog het duidelijkst uit een schema dat het vierde VN-inspectieteam als aanhangsel in zijn inspectierapport opnam. Zichtbaar wordt dat Irak probeerde de gehele splijtstofcyclus, vanaf de mijnbouw tot aan de uiteindelijke fabricage van splijtstofstaven en de "opwerking' van opgebrande staven, binnen de eigen grenzen te krijgen en daarin ook slaagde. Waar mogelijk bleef men overigens proberen grondstoffen, instrumenten en machines kant en klaar in het buitenland te kopen. “Als ze iets nodig hadden bestelden ze dat in tienvoud bij tien verschillende bedrijven”, aldus Kay.

Achteraf was het voor Irak voordelig een NPV-land te zijn: daardoor kon het tamelijk vrij nucleair materiaal in het buitenland bestellen. Zo is, blijkens het vierde rapport, volkomen legaal uranium geleverd door Brazilië, Portugal, Niger en de Euratom-landen. De hoeveelheden onverrijkt ("natuurlijk') uranium die in Irak zijn aangetroffen (in diverse chemische vormen, maar voornamelijk als oxyden en zuiver metaal) lopen in de honderden tonnen. Kay: “In dat licht bezien is de commotie van deze zomer over de partij verarmd uranium die Engeland geleverd zou hebben ronduit belachelijk.”

Daar komt bij dat Irak ook met hulp van Brazilië een eigen uranium-winning uit fosfaatmijnen had opgezet bij Al-Qaim en Akashat. Sinds 1984 zou er 168 ton uranium (of uraniumerts) zijn geproduceerd. Het derde VN-team neemt aan dat het een onderschatting is. De mijnen zijn zwaar gebombardeerd. Ook de zuivering en chemische omzetting van erts en zogeheten "yellow cake' uit het buitenland was al goed geregeld.

De grote verrassing van de tweede inspectie (22 juni-3 juli) was de ontdekking dat Irak zelf ook uranium verrijkte en daarvoor een methode had gekozen die in het Westen al lang is verlaten: de Elektro-Magnetische Isotopen Scheiding (EMIS) in zogeheten "calutrons'. Op de eerste dag van de derde inspectie (7 juli) maakte Irak uit eigen beweging bekend dat het ook gascentrifuges (ultracentrifuges) voor verrijking gebruikte en gaf het, impliciet, te kennen tevens zelf plutonium te produceren. Inmiddels is uit documenten gebleken dat het op laboratoriumschaal ook een vloeistof-extractie (volgens een Frans model) ontwikkelde en dat het de laatste jaren verkennend onderzoek deed aan verrijking door middel van gasdiffusie (zoals Eurodif in Frankrijk).

De EMIS-verrijking is in het Westen al in de jaren veertig verlaten omdat het een niet-continu proces is dat zeer veel energie verbruikt. Dat was ook de trouvaille van Irak: zeer veel details van de methode waren niet langer geheim, voor de machines golden geen exportrestricties. Juist de formidabele energievoorziening (meer dan 100 megawatt) die bij Tarmiyah, en later ook bij Ash Sharqat, werd aangetroffen, en daarbij de sterke magnetisatie die stalen kranen in de fabriekshal vertoonden, waren directe aanwijzingen voor het bestaan van de calutrons. De VN-teams waren overigens op het spoor gezet door resten van uranium-verbindingen (vermoedelijk UCl4) op de kleren van gijzelaars die bij Tuwaitha hadden vastgezeten (New Scientist, 27 juli). Irak heeft veel moeite gedaan de calutrons aan de inspecties te ontrekken: regelmatig ontmoetten de VN-teams konvooien vrachtauto's die met de calutrons rondreden.

Het vierde rapport concludeert nog dat de EMIS-verrijking de hoogste prioriteit had. Niet alleen was de aanvoer van grondstof (UCl4) voor de calutrons al goed op gang gekomen (er werd op grote schaal UCl4 geproduceerd in Al Jesira bij Mosul) maar uit de resten van de installaties bij Tarmiyah bleek dat hier op industriële schaal verrijkt moest worden. Bovendien had Irak de moeite genomen om bij Ash Sharqat een exacte replica van het complex bij Tarmiyah te bouwen die kennelijk als reserve was bedoeld. Zoals Kay zegt: geld speelde geen enkele rol.

Bij het Tuwaitha-complex zijn alleen de eerste proefinstallaties voor EMIS-verrijking gebouwd. Ze bevonden in de gebouwen 80 en 85 die in de officiële Iraakse verklaring nog als laboratoria worden aangeduid. Tarmiyah en Ash Sharqat zijn door de Amerikaanse luchtmacht zwaar gebombardeerd, maar later ook door Irak zelf verder vernietigd en ten dele met beton en puin afgedekt. Bij Tarmiyah had op den duur 12 tot 15 kilo hoog verrijkt uranium (HEU) per jaar geproduceerd moeten worden. Dat is ruwweg de hoeveelheid voor één modern kernwapen.

Dat Irak ook zelf zijn ultracentrifuges bouwde in een fabriek bij An Walid (het Al-Farat-project) wisten zelfs de Amerikanen niet: de fabriek is niet gebombardeerd maar later leeggehaald. Hoewel de VN-rapporten, en Kay zelf, daarover nadrukkelijk zwijgen, staat inmiddels wel vast dat hier, na experimenten met oudere typen, centrifuges gebouwd werden die sterk leken op die van Urenco. Het vierde VN-inspectieteam schat dat Al-Farat op den duur 600 centrifuges per jaar had kunnen produceren.

Volgens Iraakse opgave was het de bedoeling in Al-Farat in 1993 ook ongeveer 100 centrifuges, onderling verbonden in een zogeheten "cascade', in bedrijf te hebben (en in 1996 ongeveer 500, daarmee zou dan 5 kilogram HEU per jaar zijn te produceren). Nog steeds staat niet vast of de centrifuges ook werkelijk gebruikt zijn, dat moet laboratorium-onderzoek uitwijzen.

De produktie van de benodigde centrifuge-grondstof UF6 ("hex') was kennelijk nog niet verder gekomen dan laboratoriumwerk. Tot nu toe is slechts een halve kilo hex gevonden. De aangetroffen cascade-berekeningen maken een onbeholpen indruk en lijken te zijn gericht op de produktie van laag verrijkt (3 procent verrijkt) uranium, geschikt voor kerncentrales (die Irak niet heeft). Men neemt aan dat ze een dwaalspoor zijn.

Zeer verrassend was al evenzeer de plutonium-produktie waarvoor Irak de oudere Russische onerzoeksreactor IRT-5000 gebruikte. Irak liet zelf gefabriceerde splijtstofstaven met onverrijkt uranium in de IRT-5000 met neutronen bestralen en won het gevormde plutonium later uit de staven terug. Ook deze activiteit wilde men koste wat kost geheim houden: vastgesteld is dat Irak versbestraalde (zeer stralingsgevaarlijke) staven ijskoud op vrachtwagens laadde zodra de VN-inspecteurs verschenen. Op den duur zijn de staven toch gevonden.

Hoeveel nu langs de verschillende wegen is verrijkt is niet duidelijk (al was het maar omdat de Iraakse opgaven daaromtrent steeds anders waren). Aangenomen wordt dat Irak inderdaad nog maar enige grammen plutonium heeft geproduceerd, zoals ook blijkt uit het geheime "Smoking Gun'-document dat deze week door de VN werd vrijgegeven. (Ook voor een plutonium-bom is al gauw vijftien kilo nodig.) Ook de EMIS-installaties (de calutrons) hadden al wat verrijkt uranium opgeleverd.

Dat betekent niet dat Irak geen grote hoeveelheid hoog verrijkt uranium bezat. Frankrijk had Irak in 1980 bijna 13 kilo 93 procent verrijkt ("weapons grade'!) uranium geleverd voor de Osirak-reactor. Deze werd door Israel gebombardeerd vóórdat de splijtstof erin was aangebracht en de splijtstof is nog steeds aanwezig. Ook de verse splijtstof voor de Russische IRT-5000 reactor (onder meer elf kilo 80-procent-verrijkt uranium) is nog in goede staat, zelfs de reactor zelf is, anders dan de Amerikanen tijdens de luchtoorlog opgaven, nog grotendeels in tact. (Alleen het reactorgebouw is beschadigd).

Zoals David Kay zegt: “Het was steeds onze grote angst dat Saddam Hussein dit safeguarded materiaal zou grijpen voor zijn atoombom. Dat was steeds een optie. Gelukkig heeft hij het niet gedaan.” De VN zal alle verse splijtstof binnen een maand uit Irak weghalen.

Grafiek:

Het Internationaal Atoom Energie Agentschap heeft aan de hand van zijn inspecties dit schema gemaakt van de atoominstallaties en toegepaste technieken voor het maken van een atoombom. Irak had alleen het rechterdeel van dit schema (in blauw) bij het IAEA aangemeld voor inspecties. Een belangrijk deel van de installaties is verwoest door de bombardementen in de oorlog. Het schema is bijgewerkt tot 21 augustus en vermeldt daarom Al Atheer (rechts onderaan) nog als een mogelijke vestigingsplaats voor een installatie. Intussen is vorige maand, bij de zesde inspectietocht van het IAEA, komen vast te staan dat Al Atheer de (niet gebombardeerde) atoomwapenfabriek is.

    • Karel Knip
    • Theo Westerwoudt