Niets bindt de Sovjet-strijdkrachten nog samen

Bestaat er in de toekomst nog een Sovjet-leger? Of worden er tien, twaalf, vijftien republikeinse legers opgericht? Het Westen volgt de "troepenbewegingen' met toenemende bezorgdheid.

Vertegenwoordigers van elf van de vijftien Sovjet-republieken zijn de afgelopen week in Moskou bijeen geweest om zich te buigen over de toekomst van de Sovjet-strijdkrachten. Ze waren het er in meerderheid over eens dat de veiligheid van het land het meest gediend is met het bewaren van de militaire eenheid. Voor het Westen is dat een stap in de goede richting, maar een echte geruststelling is het niet.

Uiteenvallen van het Sovjet-leger in zoveel delen als er republieken zijn, zou niet alleen betekenen dat etnische conflicten gemakkelijk kunnen ontaarden in interrepublikeinse oorlogen, maar bovendien dat er onduidelijkheid kan ontstaan over de vraag wie de controle heeft over de talrijke kernwapens die in de verschillende republieken zijn gestationeerd. Het strategische kernwapenarsenaal mag dan nog altijd onder sterke centrale controle staan, voor de slagveldkernwapens is dat veel minder het geval, zo verklaarde Sovjet-wapendeskundige Gennadi Pavlov eind vorige maand tegen Amerikaanse senatoren. In dat verband wordt nog regelmatig herinnerd aan een aanval van Azerbajdzjaanse nationalisten in februari 1990 op een opslagplaats van tactische kernwpens bij Bakoe aan de Kaspische Zee, die toen met geweld werd afgeslagen door troepen van de KGB.

De Westerse bezorgdheid wordt nog vergroot door het feit dat het tot dusver altijd de partij was die de lakens uitdeelde in het leger, maar dat er sinds het wegvallen van de partij eigenlijk geen centrale instantie meer is die samenbindt en het leger leiding geeft. De recente constatering van een Russische functionaris dat Gorbatsjov helemaal niet zo zeker is van zijn controle over de kernwapens maakt die ongerustheid alleen maar groter.

De plannen en voorstellen van de Amerikaanse president Bush ter ontmanteling van een groot deel van de te land en ter zee gestationeerde tactische kernwapens waren niet ingegeven door een vurig verlangen naar ontwapening, maar vooral door de vrees dat desintegratie van de Sovjet-Unie zou leiden tot groeiende onduidelijkheid over de vraag wie de vinger aan de atoomtrekker heeft. Naarmate het aantal kernwapens afneemt, neemt ook het risico dat ze in de verkeerde handen terechtkomen af. De snelle reactie van Sovjet-president Gorbatsjov op de Amerikaanse voorstellen duidt erop dat de Amerikaanse bezorgdheid in de Sovjet-Unie wordt gedeeld. Ook daar wil men de risico's zoveel mogelijk beperken, nu de "pax sovjetica' ten einde is. “De internationale gemeenschap heeft het recht er zeker van te zijn dat het enorme vernietigingspotentieel dat door de Sovjet-Unie is opgebouwd in verantwoordelijke handen is”, schreef het Sovjet-tijdschrift Nieuwe Tijden vorige maand. Generaal Novosjilov, opperbevelhebber van de strijdkrachten in de meest oostelijke sector van de Sovjet-Unie, zei tegenover het Duitse weekblad Der Spiegel dat het “verstandig zou zijn als het opperbevel in Moskou verantwoordelijk blijft voor de atoomwapens”.

Geruststellend is dat de leiders van de verschillende republieken zich in overgrote meerderheid scharen achter Gorbatsjovs ideeën over beperking van de omvang van de strijdmacht. Rusland wil zelfs aanzienlijk verder gaan. De Russische minister van buitenlandse zaken, Andrej Kozirev, verklaarde dan ook dat het Russische voorstel om meer dan Gorbatsjov heeft aangekondigd te snoeien in de kernwapens vooral bedoeld is om het proces van ontwapening te versnellen: “Het is duidelijk dat wij, die de grootste republiek vormen met het leeuwedeel van de nucleaire wapens op ons grondgebied, geen neutrale waarnemers kunnen zijn bij deze historische veranderingen.”

Echt veel zekerheid bieden deze ontwikkelingen echter vooralsnog niet. De Amerikaanse senator Sam Nunn, de invloedrijke voorzitter van de commissie voor de strijdkrachten, waarschuwde dan ook voor te grote haast in het ontwapeningsproces, gezien de instabiele verhoudingen in de Sovjet-Unie. “We kunnen ons niet gedragen alsof van nu af aan alles in de handen van het (Sovjet-)leiderschap ligt”, aldus de senator.

De ontwikkelingen lijken hem gelijk te geven. Moldavië heeft al te kennen gegeven dat het een eigen leger wil opzetten. Azerbajdzjan heeft voorwaarden verbonden aan zijn aanvaarding van de plannen, terwijl het parlement van die republiek inmiddels besloten heeft de bases en het militaire materieel van de Unie te onteigenen en over te dragen aan een nieuw republikeins leger. Armenië wil pas praten over het leger van de Unie als er volledige duidelijkheid is over de details van de politieke unie. De Oekraïne ligt momenteel nog het meest dwars. Ook daar denkt men hard over de vorming van een eigen leger. De half-Oekraïense en half-Russische generaal-majoor Konstantin Petrovitsj Morozov, onlangs benoemd tot minister van defensie in de Oekraïne, is weggebleven van het overleg in Moskou, ondanks een uitdrukkelijk verzoek van Sovjet-minister van defensie, maarschalk Jevgeni Sjaposjnikov, om erbij aanwezig te zijn. Bovendien heeft de Oekraïne, net als Wit-Rusland, de wens te kennen gegeven dat alle kernwapens van zijn grondgebied worden verwijderd.

Zou de nadrukkelijke poging die nu wordt ondernomen om de zeggenschap over de strijdkrachten centraal te houden mislukken, dan wordt het Westen geconfronteerd met een groot aantal onzekerheden en onduidelijkheden, niet alleen met betrekking tot de controle over de kernwapens, maar bij voorbeeld ook ten aanzien van de talrijke ontwapeningsafspraken die de afgelopen jaren gemaakt zijn.

Nu al kampt men bij het overleg over de conventionele ontwapening in Wenen met het probleem dat een deel van de afgesproken troepenreducties zich afspeelt op het gebied van recent onafhankelijk geworden Baltische landen, die niet bij de tot dusver gevoerde besprekingen betrokken waren en dus ook niet aan de gemaakte afspraken zijn gebonden.

Volstrekte schimmigheid bestaat er ook over de toekomstige omvang van de strijdkrachten. Onder-minister van defensie generaal Pavel Gratsjev zei enkele weken geleden dat de omvang van de strijdkrachten zou worden teruggebracht van 3,7 miljoen naar 2 à 2,5 miljoen man in 1994. Minister van defensie Sjaposjnikov noemde bijna tegelijkertijd het aantal van drie miljoen. NAVO-functionarissen die onlangs in Moskou overlegden met hoge Sovjet-militairen zeiden dat de hervormingsgezinden, ook in het leger, daar voorstander zijn van een leger van zo'n anderhalf miljoen man. Het aandeel van de dienstplichtigen in een dergelijk leger zou aanzienlijk moeten dalen.

Op de korte termijn moet ook rekening worden gehouden met mogelijke uitbarstingen van onvrede in het leger zelf. Dat heeft de nederlaag in Afghanistan achter de rug, is bezig met een weinig glorierijke aftocht uit Oost-Europa, terwijl minister Sjaposjnikov ook nog eens heeft aangekondigd dat tachtig procent van het hogere kader vervangen zal worden. Ook de voorgenomen reductie van de omvang van de strijdkrachten voor grote sociale problemen gaat zorgen. Er moeten namelijk niet alleen nieuwe banen worden gecreëerd voor de duizenden militairen die op de arbeidsmarkt komen, er moet ook voor behuizing gezorgd worden voor de 257.000 militairen die zich nu nog op het grondgebied van de voormalige DDR bevinden, de 45.000 militairen die uiterlijk eind volgend jaar uit Polen terugkomen en voor de Russische troepen die in 1994 uit de drie Baltische landen moeten zijn teruggetrokken. Uit Litouwen zijn dat er alleen al 90.000. De bijna 9 miljard gulden die de Duitsers daarvoor betalen zijn daar niet genoeg voor.

Luitenant-generaal Valeri Mironov, bevelhebber van de Sovjet-strijdkrachten in de Baltische landen, heeft al verklaard dat hij niet op de afgesproken datum van 1 december de eerste troepen kan laten teruggaan naar de Sovjet-Unie, omdat er geen onderkomens zijn voor hen. “Mensen moeten toch ergens wonen”, aldus de generaal tegenover het persbureau TASS.

Grote problemen zullen ook ontstaan door de ontmanteling van een groot deel van het militair-industriële complex in de Sovjet-Unie. Volgens de Amerikaanse luchtmachtgeneraal McPeak, die de afgelopen week een bezoek aan de Sovjet-Unie bracht, heeft minister Sjaposjnikov het plan om die produktie met een derde te beperken. Maar dat betekent wel dat er voor duizenden arbeiders ander werk zal moeten worden gezocht. In de Sovjet-Unie bestaat dan ook dringend behoefte aan Westerse steun bij de "conversie'. In NAVO-kringen in Brussel heeft men al te kennen gegeven dat men bereid is de Sovjet-Unie op dat punt bij te staan.

De omvorming van de Sovjet-strijdkrachten tot een kleiner, professioneel militair apparaat, dat compleet ondergeschikt is aan de politieke besluitvorming zal nog veel voeten in de aarde hebben. De Amerikaanse luchtmachtgeneraal Merill A. McPeak merkte de afgelopen week dan ook op: “Wij hebben problemen met onze herstructurering, maar die van ons zijn klein in vergelijking met de grote maatschappelijke problemen die zij hebben.”