Deeltijdpolitiek (1)

In zijn toneelstuk "De Nacht van Schmelzer' laat Martin van Amerongen zien dat politiek een bijzondere vorm van juniorenvoetbal is. Hij doet dat met een gaaf gevoel voor de realiteitswaarde van het absurde. De voorstelling van deze "politieke burlesque' door het Nationaal Toneel is heerlijk en moet zo nodig door tussenkomst van de Stichting Burgerschapskunde in ieder Kultureel Sentrum van het land worden gespeeld.

Schrijver en regisseur treffen een balans tussen karakters en motieven van de hoofdrolspelers in het drama van vijfentwintig jaar geleden. In hun versie komen geen aperte slechterikken en helden voor. Iedereen doet zijn best. Kleine gevoelens en grote motieven slingeren om elkaar heen. Daarmee wordt de werkelijkheid van de politiek waarschijnlijk meer recht gedaan dan met een boemanvariant.

Het stuk illustreert de afstand tussen "de zaak waar het om gaat' en wat er werkelijk gebeurt. "Het publiek' moet zich wel buitengesloten voelen. Die paar honderd miljoen waar Cals en zijn team in 1966 over vielen, fungeerden slechts als aanleiding. Het echte onderwerp was waarschijnlijk het tanend vertrouwen in de christen-socialistische coalitie van dat moment. Maar dat werd niet gezegd.

Parlementaire politiek heeft nog steeds iets van voetballen op een kluit. Er is maar een enkel onderwerp dat een beetje spannend is. De weigering van het CDA in de Eerste Kamer mee te werken aan de behandeling van de stelselwijziging ziektekosten (Simons) was in de Tweede Kamer vorige week zo'n rotje op het veld. Een dag later was de opwinding voorbij. "Tamme Algemene Beschouwingen', schreven de sportverslaggevers uit de Kamer.

Voor de oren was het inderdaad aangenamer naar Van Amerongens met Shakespeare aangelengde beschouwingen in het gebouw van de voormalige Staatsdrukkerij te luisteren dan naar de echte aan het Binnenhof. Maar in werkelijkheid was daar wel het een en ander aan de hand. Niet alleen dat het immigratie-taboe Janmaat uit handen werd genomen, al werd er weinig nieuws nieuws over gezegd.

Het waren de eerste Algemene Beschouwingen na de opheffing van het Taboe op (discussie over) de Uitkeringsstaat. Bijna even historisch was de vanzelfsprekendheid waarmee alle grote fracties buiten zichzelf traden en "de politiek' bespraken als het probleem dat veel burgers er in zien. "Er kunnen best wat minder ministeries zijn, de overheid moet nou maar eens kiezen waar zij echt voor nodig is. En de Tweede Kamer, ach, die praat veel te veel. Als we om de week bijeen komen, dan hebben we meer tijd voor diepe gedachten én contact met de achterban.'

Thuis bij de koffie heel zinnige opmerkingen. Wanneer fractievoorzitters in 's lands vergaderzaal gaan meedoen met het altijd populaire bureaucrat-bashing en er nog een lik anti-politiek sentiment bij serveren, dan is het uitkijken geblazen. Het klonk prettig zelfkritisch, maar wie net heeft besloten dramatische ingrepen in de sociale zekerheid te doen, zal even flink moeten blijven en kan niet zeggen: ach, let maar niet op ons, we zijn wat in ons zelf gekeerd. Alles was al gezegd? Ja, op partijvergaderingen. Bovendien worden buiten de Kamer al weken nieuwe compromissen uitgekookt die de plannen een ander aanzien kunnen geven, maar opnieuw, daarover nauwelijks een woord.

Burgers zijn niet allemaal even aardig, maar de meesten zijn niet gek. Voor politici geldt het zelfde. Het verschil is alleen dat Beroeps Politici zich gaandeweg een bijzonder Gevoel aanmeten. Het Fractiebelang. Het Partijbelang. Het Coalitie-belang. En het Bijna Insider-gevoel.

Tweede Kamerleden denken na een tijdje: weliswaar zegt mijn ervaring- gezond verstand dat dit voorstel niet deugt, maar ik heb me laten vertellen dat de kwestie heel ingewikkeld ligt (zie het rapport Wagner-Stevens-Van der Zwan-Dunning) en dus moet ik maar vóór zijn. Een probleem wordt dan een dossier en de kiezer heeft het nakijken.

Er veel is misgegaan toen politici zich vergaand gingen specialiseren. De wereld is ingewikkeld, dus deelt men het aantal problemen door het aantal fractieleden. Dat ruimt op in het geweten. Maar de praktijk is dat straks drie, vier Kamerleden (van de grote fracties) besluiten of dit land met een beroepsleger krijgt.

Het jarenlange gehannes met de omroeppolitiek wordt gedragen door anderhalve specialist in de ene en één "specialist' in de andere regeringsfractie. Nederland is niets anders gewend dan Nederland 1 t-m 3, en RTL4 heeft de concurrentie op niveau wat uitgesteld, zodat het belastinggeld (want dat is de omroepbijdrage) nog steeds vrijwel ongecontroleerd over de akkers wordt uitgereden.

Natuurlijk kan niet ieder Kamerlid alles van ieder "dossier' lezen, laat staan weten. En toch schuilt in het deeltijdgeweten van het moderne Kamerlid een kern van de vervreemding tussen Kiezer en Gekozene. Kamerleden hoeven zich niet zo vaak voor hun kiezers te verantwoorden omdat de meesten weinig druk van een district voelen. Maar wie wel eens heeft gehoord hoe de meesten onderwerpen buiten hun pakket verdedigen, krijgt spontaan de neiging de volgende keer op iemand anders te stemmen.

In Engeland en Amerika zien honderden parlementariërs kans over alle grote onderwerpen iets zinnigs te zeggen. Nederland is kleiner en minder welbespraakt. Als wij 75 Tweede Kamerleden hadden, die hun intuïtie, gezond verstand, werklust, snuggerheid en moed zouden willen wijden aan de onderwerpen van de dag, dan zouden niet zo veel mensen met onverschilligheid of walging aan "Den Haag' denken.

Een kleiner aantal dwingt beperking tot hoofdlijnen af. En maakt geld vrij om van tijd tot tijd deskundig advies in te roepen. Of het dan ook nodig is om de week te gaan vergaderen betwijfel ik. Wie drie dagen per week over hoofdlijnen spreekt met het kabinet en zich niet met ambtenaren probeert te meten in commissievergaderingen, houdt vier dagen over voor inspiratie.

De details van de wijzigingen in WAO en Ziektewet vragen straks niet de aandacht van ieder Kamerlid. Maar juist bij zulke onderwerpen, die helaas het dagelijks leven van veel kiezers raken, is het van vitaal belang voor het bestaansrecht van het parlement, dat Kamerleden hun rol als volksvertegenwoordiger vervullen. En zeggen wat zij zelf vinden.

De zoemende vlieg in de bestuurderscabine van het CDA, Eerste Kamerlid Kaland profeteert deze week in HP-De Tijd: de collega's in de Tweede Kamer zijn te veel tot gijzelaars van de coalitie geworden, zetten hun verstand op oneindig en hopen op een bestuurlijk baantje in het na-parlementaire bestaan.

Hij heeft gelijk. Als Tweede Kamerleden iets meer gingen denken en doen als goede Eerste Kamerleden, dan konden Kaland c.s. de politieke adrenaline wat rustiger door de aderen laten vloeien, en zich overgeven aan een bedachtzame dommel, om in uitzonderlijke gevallen een wijs gebrom te laten horen.

    • Marc Chavannes