"Zorgsector te weinig bij plan-Simons betrokken'

UTRECHT, 15 OKT. “Ik denk dat iedereen in de gezondheidszorg zo reikhalzend uitkeek naar vernieuwing dat wij die onzekerheid voor lief hebben genomen. Maar naarmate je dichterbij de datum van invoering komt en concrete uitwerkingen, spelregels en aanduidingen over toekomstige machtsverhoudingen ontbreken, ga je natuurlijk toch wel koude voeten krijgen.”

In zijn laatste maanden als voorzitter van de Nationale Ziekenhuisraad (NZR) heeft prof.dr. G.M. van Veldhoven nog een laatste poging ondernomen om de invoering van een aantal maatregelen van het plan-Simons per 1 januari uit te stellen. Vrijdag deed hij een dringend beroep op Eerste en Tweede Kamer om meer tijd uit te trekken voor de operatie. Ten minste een jaar.

Met name de zogenoemde "functionele omschrijving' van verpleging en verzorging (kruiswerk, gezinsverzorging, verpleeghuizen) kan volgens de NZR nog niet in de praktijk worden gebracht. De "functionele omschrijving' omvat afspraken waar en door wie een verzekerde verpleegd en verzorgd wordt. Dit is afhankelijk van afspraken met de verzekeraar. Van Veldhoven: “Half november schijnen we te horen hoe op 1 januari die functionele omschrijving er precies uit komt te zien. Dat is natuurlijk niet de manier waarop je een systeem invoert. De rechtszekerheid ontbreekt voor een groot deel van onze instellingen, met name de verpleeghuizen. En dan zeggen wij: daar doen we het niet voor. Dit schiet tekort. Bestuurlijk, organisatorisch, beleidsmatig en qua rechtszekerheid.”

Van Veldhoven (57) is sinds december 1986 voorzitter van de NZR, de overkoepelende organisatie van ziekenhuizen, verpleeghuizen en instellingen voor verstandelijk gehandicapten en psychiatrie. Op 1 januari wordt hij voorzitter van het college van bestuur van de Katholieke Universiteit Brabant in Tilburg, waar hij sinds 1972 hoogleraar economische psychologie is, de afgelopen vijf jaar in deeltijd.

Bij de NZR begon hij enkele maanden voordat de commissie-Dekker het plan presenteerde voor een nieuwe structuur en financiering van de gezondheidszorg. “Ik vond dat wel fijn, dat daar een soort tabula rasa-situatie zou ontstaan die voor mij net zo bevreemdend zou zijn als voor alle anderen in de gezondheidszorg. Iedereen moest opnieuw beginnen.” Van Veldhoven schaarde zich achter de voorstanders van het plan-Simons. “Minder regels, minder bureaucratie, dat is nog steeds een goede zaak. Concurrentie? Iets meer vechten om de patiënt, door betere dienstverlening, kan geen kwaad.” Maar voor Van Veldhoven is het een open vraag of het nieuwe stelsel naar tevredenheid zal functioneren: “Het staat of valt met de beheersbaarheid.”

Eén van de meest opmerkelijke verschillen tussen de plannen toen en nu is dat door Dekker niet werd gesproken over een volksverzekering, constateert Van Veldhoven. Simons spreekt weliswaar van "een moderne zorgverzekering voor iedereen', maar dat beschouwt Van Veldhoven als "een kwestie van semantiek': “Het blijft een pakket voor iedereen waar alles in zit.”

Nieuw was ook de "functionele omschrijving' van zorg, Simons' manier om substitutie van bijvoorbeeld dure zorg door goedkopere zorg mogelijk te maken. “Die functionalisering is een omvangrijke operatie. Aan de ene kant maakt die alles flexibeler, maar hij legt ook een aantal zwarte pieten op verschillende borden. De zwarte piet ligt bij de patiënt in die zin dat hij zich kan afvragen hoeveel wettelijke zekerheid hij straks nog heeft, welke zorg hij kan claimen. Het maakt bijvoorbeeld ook het bestaan van een ziekenhuis of verpleeghuis onzekerder, want functionele zorg is zorg die niet meer omschreven wordt in termen van instellingen en voorzieningen, maar in termen van behandelwijze.”

Van Veldhoven is van mening dat de stelselwijziging te veel een zaak is van de politiek en te weinig van de gezondheidszorg. “We hebben wel geadviseerd in alle verplichte nummers die daarover moeten worden gemaakt, maar ik kan niet roemen over de mate waarin wij als veld in deze hele operatie betrokken zijn. Het lijkt af en toe wel of we een ander systeem moeten hebben vanwege de koopkrachtplaatjes. Het aantal zorginhoudelijke kwesties dat over de tafel is gegaan, valt in het niet bij de belangstelling die ik met name bij WVC geconstateerd heb voor de koopkrachtuitkomsten.”

Van Veldhoven is er niet zeker van dat maatregelen die Simons op 1 januari wil nemen ook daadwerkelijk uitgesteld zullen worden. Hij is er wel zeker van dat ze op die korte termijn onuitvoerbaar zijn. “Het hangt nu van de Eerste Kamer af. De massaliteit waarmee de Tweede Kamer zich nu kennelijk in een politiek akkoord achter Simons heeft opgesteld, heeft mij een beetje verbaasd. De partijen hebben elkaar gevonden en niemand heeft er nog belang bij zich af te vragen welke onzekerheden en kwade risico's de stelselwijziging met zich meebrengt. De Tweede Kamer is blij dat de discussie achter de rug is.”

“Dat mag dan zo zijn dat CDA-fractievoorzitter Brinkman vorige week geen garantie heeft willen geven dat de maatregelen op 1 januari ingaan, ik vind dat ze zich tot nu toe in de Tweede Kamer reuze stil hebben gehouden over de risico's.”

Een van de effecten van de stelselwijziging is de toenemende macht van de verzekeraars. Die baart Van Veldhoven zorgen. “Aan de andere kant is er natuurlijk ook bij de instellingen sprake van schaalvergroting, maar dat er onevenwichtigheden dreigen staat voor mij wel vast. Dit lijkt alemaal op het opbouwen van machtsblokken. Je kunt je afvragen of dat een ontwikkeling is die je zou moeten wensen. Ik denk dat Simons zich daar op verkeken heeft.

“Simons heeft nauwelijks overleg gevoerd over de invoering van maatregelen per 1 januari. Als hij de zaak uitstelt, dan denk ik dat verzekeraars, aanbieders van zorg en zelfs ook patiënten wellicht gezamenlijk nog best een aantal constructieve voorstellen kunnen doen over de invoering. Feit is dat Simons een aantal zaken omtrent de invoering onvoldoende op een rijtje heeft gezet.”

    • Ward op den Brouw