Zaak-Bosio blijft met veel vragen omgeven

DEN HAAG, 15 OKT. In de geheimzinnige affaire-Bosio blijft ook na de schriftelijke antwoorden van minister Hirsch-Ballin nog veel onopgehelderd. In 1982 kreeg de in Arnhem wonende Fransman M. Bosio, die als failliete ondernemer onder curatele stond, van Economische Zaken een subsidie van 650.000 gulden, om een bedrijfje op te kunnen zetten voor het produceren van air-conditioning-apparaten.

Bosio kreeg een regeringscommissaris boven zich geplaatst, die op zijn beurt twee vertegenwoordigers aantrok. Bosio zou later beweren dat de regeringscommissaris het bedrijf tegenwerkte, waardoor het niet van de grond kwam en de subsidie snel op was. Bovendien zou de man talrijke contacten hebben met internationale wapenhandelaars.

In 1983 werd Bosio door de regeringscommissaris ontslagen, volgens eigen zeggen omdat hij teveel lucht had gekregen van diens duistere praktijken. Zo'n twee jaar later, zo stelt Bosio, werd hij weer benaderd door een van de twee vertegenwoordigers, die hem vroeg of hij een ander bedrijfje van Bosio als bestemmingsadres mocht gebruiken voor een partij kokosnoten uit Ghana. Bosio kon er een paar duizend gulden mee verdienen en omdat hij krap bij kas zet stemde hij naar eigen zeggen toe.

Korte tijd later, in oktober 1985, belde de vertegenwoordiger weer, met de mededeling dat er marihuana in de container met kokosnoten zat. Op dezelfde dag confisceerde de Belgische douane de smokkelwaar in Antwerpen haven. Bosio vertelde het verhaal aan de politie in Arnhem. Die seinde de CRI in Den Haag in, die echter al op de hoogte was, getipt door een man die contacten had met de Amerikaanse drugsbestrijdingsorganisatie DEA. De CRI had vervolgens de Belgische autoriteiten getipt, zo blijkt nu uit de antwoorden van Hirsch Ballin.

Later zou de vertegenwoordiger Bosio verteld hebben dat hij en zijn bedrijfje werden misbruikt voor illegale wapen- en drugshandel, waarbij de CIA betrokken was. Toen Bosio de zaak bij Justitie aanhangig maakte zouden de twee vertegenwoordigers opeens van de aardbodem zijn verdwenen, en de regeringscommissaris met onbekende doodsoorzaak zijn overleden.

In 1989 wendde Bosio zich tot de Kamercommissie voor verzoekschriften, die klachten van individuele burgers over de rijksoverheid behandelt. Korthals Altes, die als minister de affaire had ontkend, kreeg in die commissie de leiding van het onderzoek. In april 1991 concludeerde de commissie dat Bosio de subsidie nooit had mogen krijgen, maar dat er verder niets aan de hand was.