Vijfde hoorzitting van commissie-Engwirda Nieuwe getuige over gifstort

ALPHEN AAN DEN RIJN, 15 OKT. De vijfde hoorzitting van de commissie-Engwirda in Alphen heeft gisteravond een nieuwe getuige opgeleverd. De commissie, die onderzoek doet naar de illegale stort van chemisch afval op de vuilstortplaats in de Coupépolder, hoorde gisteren het voormalige Alphense raadslid H.G. Metaal (PvdA), die al in juni 1980 vragen stelde over de gang van zaken in de Coupépolder. Hij wilde destijds onder meer weten of er vaten met gif waren gestort, zoals hij had vernomen.

Metaals informant, blijkt nu, was C. Blenk, een oud-medewerker van de Afvalverwerking Rijnmond (AVR). Deze had zijn informatie van een collega bij de AVR, die regelmatig in de Coupépolder kwam. Blenk wilde zijn naam en functie niet in het openbaar noemen, maar wilde zijn oud-collega wel vragen - eventueel achter gesloten deuren - als getuige in een latere hoorzitting op te treden.

Na een aantal gesprekken tussen Blenk en zijn oud-collega over de praktijken in de Coupépolder zocht Blenk in 1980 in Alphen contact met de PvdA, zijn “eigen partij”, en kwam terecht bij Metaal. Volgens Blenks informant kwam het tot 1980 “zeer regelmatig” voor dat chauffeurs van afvalvervoerbedrijven met vaten naar overslagstations van de AVR in Utrecht, Gouda of Alphen reden, waarvan ze konden weten dat het zou worden geweigerd. De AVR-overslagstations weigerden de vaten met verfverdunningen of oplosmiddelen inderdaad, want die konden niet met het huishoudelijke afval mee naar de AVR. Na zo'n weigering reden de chauffeurs rechtstreeks met hun vracht naar de Coupépolder, zei Blenk, “De grootste deugniet was het containerbedrijf Verkerk.”

De vuilstort in Alphen was vooral interessant omdat storten in sommige gevallen meer dan vijftien keer goedkoper was dan verbranden bij de AVR.

De Coupépolder stond bij de “containerboeren”, die het afval aanvoerden, bekend als “toegankelijk”, aldus Blenk. Het toezicht was minimaal en de deur stond meestal open. Als dat niet het geval was, was er altijd wel iemand in de buurt met een sleutel van het toegangshek, wist de informant van Blenk. “Er werd 's nachts en 's ochtends vroeg illegaal afval aangevoerd”, zei Blenk.

Metaal stelde een maand na zijn gesprek met Blenk raadsvragen over de Coupépolder, onder meer over de stort van vaten die waren geweigerd bij de AVR-overslagstations. Volgens de verantwoordelijke wethouder, D. van Leeuwen, werd vuil dat bij de AVR werd geweigerd, ook in de Coupépolder geweigerd. Ook wilde Metaal weten of het toezicht op de stortplaats, met één ambtenaar, wel voldoende was. De wethouder was van mening dat het toezicht “voor de volle honderd procent waterdicht” was.

De raadsvergadering in juni 1980 spitste zich vooral toe op Metaals bewering dat in de Coupépolder met stortfooien werd gewerkt; geld dat medewerkers op de vuilstort ontvangen voor het toelaten van bepaalde storten. De raad verzocht hem die beweringen aan de officier van justitie voor te leggen of anders in te trekken. Blenk had hem verteld dat “iedereen, ook de hogere ambtenaren” van Openbare Werken van de stortfooien moesten afweten, omdat dat in de containerwereld heel normaal is. “Sommige bedrijven zetten de stortfooi zelfs op de rekening”, zei Metaal gisteren.

Metaal vroeg in 1980 ook of het waar was dat er buiten de normale openingsuren werd gestort. B en W antwoordden hem dat in bijzondere omstandigheden kon worden afgeweken van de normale openingsuren. De openstelling buiten normale uren was noodzakelijk om branden te bestrijden of grondwerkzaamheden uit te voeren. Daarbij werd volgens Openbare werken geen vuil aangevoerd.

Metaal vroeg B en W een onderzoek in te stellen naar de situatie in de Coupépolder. De gemeente liet enkele weken later - zonder succes - naar vaten graven, op aanwijzingen van omwonenden. Een politiefunctionaris, belast met het onderzoek, was volgens Metaal door de dienst Openbare werken zwaar onder druk gezet het onderzoek te stoppen.

Burgemeester Paats, wethouder Van Leeuwen en directeur Openbare Werken Bos voerden daarna gesprekken met omwonenden en werknemers op de stortplaats. De conclusie luidde dat de controle de laatste jaren was toegenomen. “Het huidige beheer van het stort benadert een wijze van beheer volgens de richtlijnen opgesteld door het ministerie van volksgezondheid en milieuhygiëne voor nieuw te stichten stortplaatsten van vuil.”

Metaal zei gisteravond dat hij na zijn vragen in de raad van chauffeurs van containerbedrijven de bevestiging had gekregen dat er illegale storten plaatshadden, dat er “heel veel sleutels” van de stortplaats in omloop waren, dat de vloeibare inhoud van tankwagens illegaal werd geloosd. Daarbij noemde hij de naam van het chemische bedrijf Biesterfeld uit Alphen.

Het is Metaal altijd een raadsel gebleven dat de gemeenteraad noch zijn eigen partij actie hadden ondernomen om de waarheid te ontdekken, zei hij gisteravond. De “bestuurlijke desinteresse” waartegen hij in de zomer van 1980 opliep was volgens Metaal vooral te wijten aan een gebrek aan kennis en een “gebrek aan bereidheid die kennis te vergaren. “Er was een sfeertje van: "Dat kan niet in Alphen. De wereld om ons heen is slecht, wij niet.' Ze waren kortzichtig, naïef. Er waren aanwijzingen dat er een tijdbom tikte onder Alphen. Men liet hem gewoon doortikken.”