Nog veel onenigheid over minimumloon en koppeling; Hot item voor de rest van de regeringsperiode Lubbers III

DEN HAAG, 15 OKT. Een van de grote politieke items volgend jaar zal zijn hoe het in de rest van de regeringsperiode van het kabinet Lubbers III verder moet met het minimumloon en de verhouding tussen uitkeringen en cao-lonen. De partijen van de regeringscoalitie legden vorige week tijdens de algemene politieke beschouwingen in de Tweede Kamer vooral het accent op de eensgezindheid over het beleid van 1992. Duidelijk werd echter tevens dat over de toekomst van minimumloon en "koppeling' na volgend jaar nog veel onenigheid bestaat, zowel binnen het kabinet, tussen regeringsfracties en kabinet als tussen regeringsfracties onderling.

Voor 1992 is de zaak, althans op papier, rond. De bruto sociale uitkeringen en het minimumloon blijven circa één procent in stijging achter bij het gemiddelde cao-loon. De koopkracht wordt gehandhaafd door verlaging van het laagste belastingtarief en verhoging van de belastingvrije voet voor werkenden. Ter financiering hiervan is besloten de inflatiecorrectie in de belastingschijven niet toe te passen, waardoor belastingbetalers sneller onder een hoger tarief kunnen vallen. Hogere inkomens hebben van deze laatste maatregel meer nadeel dan lagere inkomens.

Minister De Vries (Sociale Zaken) zou volgens een intern voorstel van dit voorjaar aan het kabinet een aantal jaren door willen gaan met het langzaam vergroten van de afstand tussen bruto minimumloon en sociale uitkeringen enerzijds en de bruto cao-lonen anderzijds. Hij ziet dit als een mogelijkheid om de kosten van het minimumloon geleidelijk te verlagen zonder de band tussen minimumloon en sociaal minimum te verbreken.

De minister werd in de discussie vorige week in de Tweede Kamer echter gepasseerd door CDA-woordvoerder Terpstra. Hij bepleitte, met steun van D66, een bevriezing van het minimumloon. Gezien de verwachte ontwikkeling van de inflatie de komende jaren betekent dat een snellere verlaging van het bruto minimumloon ten opzichte van de cao-lonen dan in het voorstel De Vries.

Dat premier Lubbers de gunstige werkgelegenheidseffecten van een bevriezing van het minimumloon erkende - de vorige kabinetten Lubbers hebben immers jarenlang het minimumloon en de sociale uitkeringen bevroren - maar desondanks niet erg warm liep voor het voorstel heeft een politieke en een financiële achtergrond. Wat de politieke kant betreft: hij krijgt ruzie met CDA-minister van sociale zaken De Vries zodra hij het minimumloon laat achterblijven bij het sociaal minimum.

De Vries verzet zich - en heeft dat in het verleden ook als fractieleider gedaan - tegen een situatie waarin een minimumloner, die een gezin moet onderhouden, een aanvullende uitkering moet aanvragen om even veel te kunnen besteden als iemand met een uitkering op het niveau van het sociale minimum. De bevriezing van het minimumloon, zoals voorgesteld door de CDA-fractie, zou in die visie consequenties moeten hebben voor de sociale uitkeringen: ook een bevriezing van de uitkeringen - en ontkoppeling van uitkeringen en cao-lonen na 1992 - dus. De PvdA-fractie in de Tweede Kamer is echter nog lang niet zo ver. Om de koopkracht van het bevroren minimumloon en de bevroren uitkeringen op peil te houden is echter veel meer belastingverlaging nodig dan in het plan van De Vries. Daar is de financiële achtergrond van de voorzichtige houding van premier Lubbers.

De CDA-fractie suggereerde een verlaging van de BTW. Maar waar het geld vandaan moet komen voor zo'n verlaging is onduidelijk. Het vorige kabinet kon profiteren van meevallers in de opbrengsten van belastingen en premies, maar die zijn voor dit kabinet voorlopig niet te verwachten. Minister Kok (Financiën) maakte de Tweede Kamer ook duidelijk dat het kabinet in deze regeerperiode al zoveel op subsidies snoeit dat de Kamer geen hoge verwachtingen moet hebben over extra bezuinigingen op deze posten.

De gelden die in het regeerakkoord waren gereserveerd voor een eventuele BTW-verlaging hebben al een andere bestemming gekregen. Het kabinet heeft bovendien na 1992 een extra financieel probleem als het de beperking van de inflatiecorrectie in 1992 als een tijdelijke maatregel blijft zien. Er zal dan in 1993 nieuwe, blijvende dekking moeten worden gevonden voor de koopkrachtreparatie in 1992.

Premier Lubbers maakte de verwarring aan CDA-kant even nog groter door de mogelijkheid open te houden dat het minimumloon voor elke nieuwe generatie minimumloners in één klap fors wordt verlaagd zonder dat de sociale uitkeringen op dezelfde wijze worden verlaagd. Dat zou aansluiten bij de begin dit jaar door de WRR bepleite individualisering van het minimumloon, maar de opvattingen van minister De Vries staan daar nog steeds lijnrecht tegenover. De afgelopen zomer heeft De Vries het gewonnen in het kabinet omdat premier Lubbers zijn minister van Sociale Zaken niet wilde laten vallen.

Naast premier Lubbers zijn ook enige CDA- en PvdA-ministers voorstander van individualisering van het minimumloon. Het sterkst leeft die gedachte bij Andriessen (CDA) en Ritzen (PvdA). In de voorstellen van vorige week van de CDA-fractie staat niet direct verdere individualisering voorop. Het standpunt ligt nog dicht bij dat van De Vries. De vraag is of De Vries zijn verzet kan volhouden als een forse verlaging van het minimumloon wordt gecombineerd met een belastingherziening die meer recht doet aan de tendens tot individualisering.

Ook de WRR bepleit die combinatie. Hoewel de commissie-Stevens, die onlangs voorstellen deed over zo'n belastingherziening, zich niet principieel uitsprak voor individualisering van de belastingheffing, biedt haar advies de voorstanders van verlaging van het minimumloon een aantal aanknopingspunten. De discussie is alleen verdaagd. Volgend jaar, als de beslissingen worden genomen over het advies van "Stevens', moeten de knopen echt worden doorgehakt. De Vries kan het dan nog moeilijk krijgen.