Ministerieel tempo

TWEE NIEUWSFEITEN op één en dezelfde dag: de Gasunie maakt melding van extra aardgasverkopen aan het buurland België en de Nederlandse minister van economische zaken kondigt aan dat hij wil afzien van de bouw van een energiecentrale op de Maasvlakte nu blijkt dat Noorwegen in de Nederlandse behoefte kan voorzien. Het heeft altijd weer iets paradoxaals dat een semi-OPEC-land energie importeert. Maar terecht is in Nederland gekozen voor diversificatie van energiebronnen en spreiding van risico's. Op die manier is de continuïteit in de voorziening immers het best verzekerd.

De afgelopen jaren is langdurig gesproken over de bouw van een nieuwe centrale op de Maasvlakte. De belangrijkste vraag daarbij was of moest worden gekozen voor een conventioneel gestookte kolencentrale dan wel voor een milieuvriendelijker kolenvergassingsinstallatie. Daarbij speelde een in de Tweede Kamer met algemene stemmen aanvaarde motie een belangrijke rol. In deze motie die dateert van begin janauri 1989 werd van de toenmalige minister van economische zaken “een maximale inspanning gevraagd” om op de Maasvlakte een installatie op basis van kolenvergassing te realiseren.

Opeenvolgende ministers van economische zaken hebben zich steeds sterk gemaakt voor de eerste oplossing met als belangrijkste argument dat de kolenvergassingstechniek nog onvoldoende was ontwikkeld. Door voor deze ongewisse optie te kiezen zou onzekerheid kunnen ontstaan over de energievoorziening. Zoals minister Andriessen zelf eind vorig jaar in een artikel in deze krant schreef: “Geen enkele ondernemer verandert midden in een hoogst gecompliceerd ontwikkelingsproces ineens het zorgvuldig gekozen tijdpad. Niemand ook durft de zekerheid en de betaalbaarheid van de elektriciteitsvoorziening op het spel te zetten door op twee nieuwe en uiterst kostbare paarden tegelijk te wedden.”

DE CRUCIALE VRAAG is steeds geweest of de ontwikkelaars van de kolenvergassingstechniek voldoende kans hebben gehad en of het milieubelang voldoende in de afwegingen is betrokken. Daarover is begin dit jaar een uitspraak gedaan door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. De rechter schorste het ministeriële besluit voor de bouw van een conventionele centrale, omdat een milieu-effect-rapportage ontbrak.

Tot veler verrassing deelde minister Andriessen gisteren in een brief aan de Tweede Kamer mee dat hij helemaal wilde afzien van de bouw van een nieuwe centrale op de Maasvlakte. Uit Noorwegen te importeren energie (opgewekt door waterkracht) en warmtekrachtkoppeling blijken volgens hem een bruikbaar alternatief.

Afgezien van de vraag of het mogelijk is wat de minister voorstelt - de reactie van de samenwerkende elektriciteitsproducenten is sceptisch - is zijn voornemen uit milieu-overwegingen zeker toe te juichen. Ook de keuze voor diversificatie van de energievoorziening wordt geen geweld aangedaan. Maar waarom zijn deze nieuwe inzichten er nu opeens wel, en een jaar geleden nog niet? Zo snel gaan de ontwikkelingen op energiegebied toch niet? En hoe staat het nu werkelijk met het kolenvergassingsalternatief en de voorlichting daarover aan de Tweede Kamer? Het zijn vragen die, ondanks het voornemen om af te zien van de bouw van een centrale, niet onbeantwoord mogen blijven.