Lot kolencentrale nog niet bezegeld door plan minister; Voornemen van Andriessen over Maasvlakte omstreden

ROTTERDAM, 15 OKT. En toen was er, gisteren, ineens minister Andriessen (economische zaken) in een wat oudere gedaante. In zijn eerste maanden als minister had hij het in kleine kring al laten vallen: hij wilde niet als “roetmop” de geschiedenis ingaan. En bij de bouw van een nieuwe kolencentrale op de Maasvlakte zou dat gevaar minstens dreigen.

Vervolgens trad de minister in overleg - zijn favoriete stijlfiguur. Hij sprak met de Samenwerkende Elektriciteitsproducenten (Sep), die een belangrijke invloed hebben op zijn beleid. Hij sprak met de directie van het Elektriciteitsbedrijf Zuid-Holland (EZH), die sterk voorstander was van een conventionele kolencentrale. Hij sprak met energiespecialist en partijgenoot Lansink van de CDA-fractie. En de conclusie was daar: hoewel hij het liefst een andere oplossing zag, kwam Andriessen in de loop van het vorig voorjaar tot de conclusie dat een conventionele kolencentrale, ondanks de milieubezwaren, onvermijdelijk was. En pas gisteren, na een politieke martelgang van ruim een jaar, kwam hij op zijn voornemen terug.

Want nadat hij vorig jaar zomer het besluit voor de bouw van de kolencentrale nipt door de Kamer goedgekeurd had gezien - alleen CDA en VVD steunden hem - waren de protesten niet van de lucht. Uiteraard was er een fel verzet van de milieubeweging. En van de provincie Zuid-Holland. Maar uit een andere, meer verrassende hoek, klonk een nog feller en aanhoudender protest, hetgeen de minister in grote problemen zou brengen.

De Amerikaanse oliegigant Texaco stelde, om te beginnen, dat Andriessen de Kamer onjuist had voorgelicht. Hij had de Kamer voorgehouden dat de techniek van Texaco - het milieuvriendelijker alternatief van kolenvergassing - “technisch niet haalbaar” was, en dit was volgens Texaco een pertinente onjuistheid. Daarnaast zou hij ten onrechte hebben nagelaten de milieu-effecten van zijn besluit te toetsen.

Dat vond niet alleen Texaco, dat vonden ook Zuid-Holland, minister May-Weggen (verkeer en waterstaat) en de Stichting Natuur en Milieu. Ze vormden - minister May uitgezonderd - te samen een coalitie in de strijd tegen de kolencentrale. En na een half jaar van sluimerende en soms manifeste kritiek moest de minister bakzeil halen bij de rechter, de voorzitter van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. Andriessen diende zijn Maasvlakte-besluit te schorsen, en alsnog de alternatieven voor de kolencentrale te onderzoeken.

Onder juristen galmde de uitspraak van de rechter - waartegen geen beroep mogelijk was - nog geruime tijd na, maar voor Andriessen was de situatie niet anders dan dat hij klem zat. Aan de ene kant eisten zowel Sep als EZH van hem dat die kolencentrale er kwam. Aan de andere kant groeide ook bij hem - opnieuw - het besef dat zo'n kolencentrale eigenlijk niet meer van deze tijd is. En vervolgens waren er Natuur en Milieu, Texaco en Zuid-Holland, die hem - procedureel of inhoudelijk - steeds nieuwe spaken in de wielen staken.

Het via de rechter afgedwongen onderzoek naar alternatieven - een zogenoemde Milieu-Effect Rapportage - bracht inmiddels ook weinig reden tot vrolijkheid. EZH hield hoe dan ook vast aan de kolencentrale, de Sep ook, maar de argumentatie voor die voorkeur bleek, zeker in milieutechnisch opzicht, hoogst twijfelachtig. Het kwam zelfs zover dat een daartoe aangestelde commissie van deskundigen de opstellers van het MER - EZH - hun werk over lieten doen: hun voorkeur voor de kolencentrale mocht er niet toe leiden dat alternatieven - zoals kolenvergassing en warmtekrachtkoppeling - als onvoldoende beargumenteerd werden weggeschreven.

Toen kwam EZH vorige week met de gevraagde aanvulling. En ineens stond er één zinnetje, dat een uitkomst leek te bieden. In dat zinnetje stelde EZH dat via warmtekrachtkoppeling meer elektriciteitsvermogen gerealiseerd zou kunnen worden dan aanvankelijk gedacht. Andriessen greep het met beide handen aan en stelde vorige week woensdag, na lezing van het EZH-stuk, aan zijn medewerkers onmiddellijk voor een brief te doen uitgaan om de kolencentrale te laten vallen.

Maar daaraan - de minister zal het de komende maanden nog sterker ervaren - kleven vele praktische bezwaren. Vorige week al bleek uit de informele reactie van de Sep op het ministeriële voornemen dat de elektriciteitsproducenten a) niets voelen voor de voorkeur van de minister, dat het b) onzeker is of het decentraal vermogen waarop hij hoopt wel tijdig gerealiseerd zal worden, en c) dat de minister in het geheel geen mogelijkheden heeft het plan voor de kolencentrale te wijzigen. Een dergelijk voornemen maakt deel uit van een zogenoemd E(lektriciteits)-plan, dat is vervaardigd door de Sep en eerder door zowel minister als Kamer werd goedgekeurd. Alléén de Sep is juridisch in de gelegenheid zo'n E-plan te wijzigen. Met andere woorden: de minister kan veel willen, uiteindelijk zal hij steun van de Sep moeten krijgen om zijn plan te realiseren.

En de Sep is intussen hoogst sceptisch - ook in zijn publieke reactie. Terwijl EZH, belast met de bouw van de centrale, geen enkele neiging vertoont het ingeslagen pad te verlaten. “We gaan er steeds vanuit dat die centrale er komt”, liet de directie vanochtend weten. En president-commissaris S. Patijn deed er nog een schepje bovenop: momenteel werken 85 mensen aan het plan voor de nieuwe kolencentrale, en de minister mag een schadevergoeding verwachten als hij op deze weg voortgaat.

Zo krijgt Andriessen in zijn oudere gedaante te maken met soortgelijke, zoniet grotere problemen dan hij reeds de eerste maanden van zijn ministerschap ontmoette. En onderwijl blijft het nog altijd onzeker of er nu wel of geen kolencentrale op de Maasvlakte komt.

    • Tom-Jan Meeus