Federatief Europa goed idee, maar slechte tactiek; Wie een Europese markt wil, moet ook een Europese regering willen

Nederland heeft een zeker gelijk in de Europese Politieke Unie. De Europese Gemeenschap mist het vermogen om de economische eenwording politiek te controleren zoals dat vanuit nationaal niveau bezien, mag worden verwacht.

De gevolgen zijn bekend: een democratisch tekort, een gebrek aan bestuurskracht en efficiency, op Europees niveau en wereldwijd, en een negatieve interstatelijke concurrentie op niet economische terreinen, zoals de sociale zekerheid, justitie en het milieu. Daar moet iets aan worden gedaan. Wie een Europese markt wil, moet ook een Europese regering willen, en dat is op zijn minst een federatie naar Amerikaans of Zwitsers model. Maar helaas, de andere lidstaten willen niet - met uitzondering van het desintegrerende België.

Deze onwil is te begrijpen. Behalve de terechte twijfel aan het batig saldo van zo'n operatie, stuit het voornemen op het onvermogen van staten om zichzelf op te heffen. Meer in het algemeen zijn deze politieke "overlevingseenheden' gierig wat hun soevereiniteit betreft en hun geschiedenis laat zien dat geweld en niet het economische belang alleen hen tot overdracht doet besluiten. Dit geldt ook voor het recente verleden waarin de Tweede Wereldoorlog en de daarop volgende dreiging uit het oosten, de staten van West-Europa ertoe dwong centrale rechten van verdediging aan de Verenigde Staten over te dragen. Deze onderschikking is sindsdien gehandhaafd, zoals telkens blijkt als de spanning in de wereld toeneemt. In zo'n periode scharen de Europese staten zich in het Amerikaanse gelid, terwijl zij als de spanning wegebt, hun afhankelijkheid vergeten.

Deze verhouding, hoe ambivalent ook, bleek voor alle betrokkenen succesvol, maar vormt voor de EG een handicap. De integrerende werking van geweldsdreiging is Atlantisch en niet Europees gericht. Hier ligt de belangrijkste conditie waardoor de EG intergouvernementeel is opgezet en dat is gebleven. De staten van West-Europa zitten daarmee in een pijnlijk dilemma verstrikt: De verzwakking van de nationale positie dwingt enerzijds tot een sterk en federatief Europa waardoor anderzijds de eigen positie, strikt nationaal gezien, verder wordt verzwakt. Geweldsdreiging van buitenaf zou dit dilemma kunnen doorbreken, maar zoals gezegd, deze integrerende werking is niet Europees gericht. Zo duurt het dilemma voort met als redelijk compromis de intergouvernementele opzet.

Als deze diagnose juist is, rijst de vraag waarom Nederland een uitzondering vormt en zo onthecht lijkt van zijn directe belangen dat het als soevereine staat vrijwillig in een federatie op wil gaan.

Wat er ook is geschreven over het Nederlandse moralisme in de buitenlandse politiek, feit is dat het federatieve idealisme pas sinds kort door de regering wordt beleden. Tot aan de Tweede Wereldoorlog onderscheidde Nederland zich in dit opzicht niet van andere landen. Het had zijn soevereiniteit met geweld gewonnen en alleen door geweld voor bepaalde periodes afgestaan. Ook na de oorlog was aanvankelijk weinig van het federatieve idealisme te bemerken in de praktische politiek. De toetreding tot de NAVO was een feitelijke onderschikking aan Amerika, en de EG waar Nederland enige tijd later lid van werd, toonde tot tevredenheid van de meeste politici in dit land in wezen slechts intergouvernementele trekken.

Wanneer gebeurde het dan wel? Het federatieve streven was geen spontane opwelling van goede wil, maar een diplomatieke vondst van een klein land dat zich binnen een één keer gesloten samenwerkingsverband te weer stelt tegen het machtsoverwicht van grote landen. Het is in feite een vertragende onderhandelingstactiek waarbij het meest vergaande - een federatieve samenwerking - in stelling wordt gebracht om het minder vergaande - intergouvernementale samenwerking - te frustreren.

Het gaat hier om het heroïsche gevecht in de jaren zestig van de toenmalige minister van buitenlandse zaken Luns met de Franse president de Gaulle. Frankrijk probeerde toentertijd de EG te reorganiseren tot een derde macht tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, waarbij het, om de eigen status te beschermen niet voor een federatieve maar een intergouvernementele opzet koos. Hierdoor kwam Nederland in de problemen. Het voelde er niet voor om ten koste van de bindingen overzee de band met Frankrijk te versterken, maar vreesde eveneens zijn Europese reputatie te beschadigen door een eenvoudig "nee'. Aldus bedacht de Nederlandse diplomatie de federatieve optie. Dit argument frustreerde het Franse streven, terwijl het aan de Nederlandse trouw aan Europa de schijn van grote zuiverheid verleende. Het ideaal als tactische manoeuvre.

Deze tactiek was niet zonder succes. Frankrijk matigde zijn ijver, en na zijn fiat aan de toetreding van het Verenigd Koninkrijk werd de Atlantische factie binnen de EG sterker.

In het recente verleden werd deze tactiek opnieuw beproefd om een Frans voorstel tot militair-politieke samenwerking op intergouvernementele leest te blokkeren. Het betrof hier een reactie op de succesvol verlopen Golfoorlog, waar niettemin het gebrek aan Europese daadkracht pijnlijk afstak bij het Amerikaanse initiatief. In dit geval was het Nederlandse succes echter dubieus te noemen.

Uit wat de internationale pers dit voorjaar schreef sprak irritatie en die richtte zich op de Nederlandse minister van buitenlandse zaken Van den Broek. Deze bewindsman wees bij de onderhandelingen op het federatieve ideaal maar sprak daarnaast openlijk over de gevaren voor de Atlantische alliantie, waarmee de twee kanten van zijn politiek tot een logische inconsistentie verwerden. Aan de ene kant wilde hij de sterke band met de VS continueren en aan de andere kant pleitte hij voor een Europese federatie waardoor die band hoe dan ook zou worden verzwakt. Deze tegenstrijdigheid kan als een tactische blunder worden beschouwd, maar ook als een naïviteit van iemand die in zijn eigen tactiek is gaan geloven.

Inmiddels ging het van kwaad tot erger. Ook al had de rest van Europa zijn verbazing over het Nederlandse standpunt uitgesproken, voor de nationale regering werd wat allereerst een tactisch middel was het eigenlijke doel, en vandaaruit lanceerde zij het inmiddels vermaarde conceptverdrag "Naar de Europese Unie'. Het treurige lot van dit document is bekend. Het verdween van tafel zo gauw het er op lag. Dit echec van de Nederlandse gedachte was te voorspellen. Het voorstel is een compromis waarin volgens federatief model het Europese Parlement meer macht krijgt, maar niet de - minimale - "overmacht' over de intergouvernementele Raden van Ministers. Het gevolg zou zijn geweest dat de competentiestrijd tussen deze twee niet wordt opgelost maar juist versterkt en de bestuurskracht van de Gemeenschap verder wordt verzwakt. Daar zit niemand op te wachten.

Maar er is meer dat het Nederlandse voorstel reeds bij voorbaat tot mislukken doemde. Het is al gezegd, de lidstaten willen geen soevereiniteit afstaan ten gunste van een Europese federatie.

Nu zit Nederland met de gebakken peren. De regering heeft zich in haar eigen netten verstrikt en is mede door de Brusselse lobby van vooral het Europese Parlement in de federatieve oplossing gaan geloven. Wellicht dat deze ervaring voldoende is om de politiek van dit ideaal te ontlasten. In theorie is het juist - zij het zeer betwistbaar -, maar in de praktijk is het als tactiek onbruikbaar geworden en als doel in strijd met de realiteit. Laat Nederland - zoals bij de Europese Monetaire Unie - zich vrijelijk weren waar het allemaal gebeurt, in het intergouvernementele strijdperk.

    • Paul Kapteyn