CIA onthield Atoombureau gegevens Irak

WENEN, 15 OKT. De Amerikaanse inlichtingendienst CIA heeft het Internationaal Atoom Energie Agentschap (IAEA) stelselmatig en over een periode van jaren onkundig gelaten van haar kennis over het Iraakse atoomwapenprogramma.

David Kay, de leider van enkele VN-inspectieteams in Irak noemt dat “een zeer frustrerende ervaring”. “Wij bezochten complexen in Irak waarvan we het bestaan tot voor kort niet kenden, en die tijdens de Golfoorlog nauwgezet door de Amerikaanse luchtmacht waren gebombardeerd.”

Sinds 1969, toen Irak het Non-proliferatie Verdrag tekende, heeft het IAEA uitsluitend de onderzoeks-kernreactoren op het Al-Tuwaitha complex ten zuiden van Bagdad geïnspecteerd. In de zogeheten gebouwen 80 en 85 werd de dienst niet toegelaten, omdat er geen aanwijzingen zouden zijn dat daar een clandestiene (niet gedeclareerde) ontwikkeling gaande was.

Nu staat vast dat Irak daar calutrons voor de verrijking van uranium voor ontwierp en dat de CIA daarvan op de hoogte was. In 1989 verboden Amerikaanse autoriteiten de export van vacuümpompen naar Irak omdat die in deze calutrons gebruikt konden worden.

David Kay zegt: “Herhaaldelijk lieten inlichtingenmensen ons weten dat wij op het verkeerde spoor zaten, maar ze weigerden de juiste informatie te verstrekken. In die bijeenkomsten had je de neiging hen de nek om te draaien.” Het IAEA eist nu dat inlichtingendiensten in de toekomst zijn inspecteurs van de essentiële informatie zullen voorzien. Bovendien vindt het IAEA dat het inspectiesysteem aanmerkelijk moet worden verscherpt.

Irak heeft sinds 1981 een groots opgezet programma voor kernwapens ontwikkeld en bij voortduring de internationale gemeenschap bedrogen. Dat blijkt uit het rapport over het geheime atoomwapenproject PC-3 van het Iraakse ministerie van Industrie dat door een VN-team was buitgemaakt en deze week door de Veiligheidsraad is vrijgegeven. David Kay noemt dit het "Smoking Gun-rapport'.

Vlak voor de invasie van Koeweit, vorig jaar, heeft Irak de betrokken apparatuur en het gespecialiseerde personeel overgebracht naar een geheime plaats Al-Athir, 64 kilometer ten zuiden van Bagdad die tijdens de Golfoorlog niet werd gebombardeerd.

De "Smoking Gun' is voorlopig het belangrijkste van de vracht documenten die de IAEA-inspecteurs vorige maand in beslag hebben genomen. Irak werkte aan een atoomwapen van het implosie-type. Een ander document geeft aan dat Irak succes had geboekt met de fabricage van componenten voor een atoomwapen uit metallisch uranium. Het IAEA rapporteert ook dat zeer grote hoeveelheden uranium en in verschillende stadia bewerkte uraniumprodukten zijn aangetroffen, tot een totaal van 400 ton.

Het werk aan PC-3 bestond uit theoretisch onderzoek en de ontwikkeling van computermodellen, de ontwikkeling van materialen en produktiemethoden en de fabricage van een geschikt ontstekingsmechanisme. Ook werden in Al-Atheer diverse beproevingsmethoden ontwikkeld en (niet-nucleaire) proef-explosies uitgevoerd.

Pag.4: Verbazing over atoomrapport

Het stuk dat de VN het "smoking gun' document noemt is gedateerd 9 juni 1990 en beschrijft het werk dat aan de ontwikkeling van een kernwapen is verricht in de periode januari tot mei 1990. Het is het eerste concrete bewijs dat Irak wel degelijk een kernwapen ontwikkelde. VN-inspectieteams moesten tot en met hun vierde rapport (van 27 augustus) erkennen dat geen sluitend bewijs voor een wapenprogramma (de "weaponization') te vinden was, al begonnen de ongunstige aanwijzingen zich op te stapelen en moest ook de geestelijke vader van het programma, dr. Jaffar, erkennen dat de schijn tegen Irak pleitte.

Vreemd is dat de auteur van het rapport, Hikmat Nu'aim Al-Hilu, "assistant director general' van het project, kennelijk zelf geen kernfysicus is. De VN-vertalers plaatsen regelmatig een verbaasd "sic' bij beweringen die technisch onjuist zijn. Ook verder maakt het rapport een onevenwichtige, soms zelfs naïeve indruk: het theoretisch werk wordt slechts globaal aangeduid, maar men getroost zich veel moeite uit te leggen hoe een initiator voor een kernwapen werkt (en hoe men die nu zelf heeft gefabriceerd). Bizar is de voorkeur die Irak heeft voor de produktie van plutonium uit uranium dat uit de eigen fosfaatmijnen is gewonnen (terwijl het land honderden tonnen aan geïmporteerd uranium bezit).

Het rapport vermeldt dat literatuuronderzoek weer artikelen van "bijzondere betekenis' had opgeleverd die het theoretisch begrip verbeterden en aanpassing van computermodellen mogelijk maakten. Men beschrijft de moeilijkheden bij de ontwikkeling van een ontstekingsmechanisme, waarvan de meeste onderdelen, zoals steeds nadrukkelijk wordt vermeld, "niet commercieel verkrijgbaar' zijn. Intrigerend is dat ook expliciet wordt aangegeven dat de mini-schakelaars van het soort "kryton' niet commercieel voorhanden zijn: juist in de verslagperiode wist Engeland de export van deze krytons (van de Amerikaanse onderneming CSI) te verhinderen. Onbekend was toen of Irak er voordien al in geslaagd was de schakelaars te bemachtigen (zoals Saddam Hussein volhield).

De kern van het werk in Al-Atheer is volgens het verslag het materiaal-onderzoek. Het rapport beschrijft de produktie van metallisch uranium (dat als "reflector' in een kernwapen moet dienen) en de produktie van ceriumsulfide waaruit men smeltkroezen voor het omsmelten van uranium wilde maken.

Alleen als gevolg van de Golfoorlog heeft het IAEA het al lang vermoede Iraakse kernwapenprogramma nu kunnen ontmaskeren. Of de oorlog dan ondanks alles niet een godsgeschenk is geweest? David Kay, de leider van het zesde IAEA-onderzoekteam, beaamt dat: “Dictators als Saddam Hussein maken kennelijk alleen grote fouten. Het is net als met Hitler, die de Tweede Wereldoorlog begon toen zijn onderzeebootprogramma nog niet klaar was. Als Hussein een paar jaar had gewacht tot zijn kernwapen klaar was, was het leed in het Midden-Oosten niet te overzien geweest.”

Voor wat Irak betreft, dat in 1969 al het Nonproliferatie Verdrag (NPV) ondertekende, heeft het controlesysteem van het IAEA volledig gefaald. Kay geeft dit toe en vindt dat er dan ook dringend strengere regels moeten komen. In elk geval zullen inlichtingendiensten veel meer informatie aan het IAEA moeten geven. “Het is voor ons zeer frustrerend geweest dat inlichtingenmensen in vergaderingen vaak zeiden dat onze informatie niet klopte, maar dat ze die niet wilden aanvullen. Op zulke momenten kon je ze wel hun nek omdraaien”, aldus Kay. Hij vindt ook de de bepaling in het NPV over uitzonderingen op de inspecties waar het gaat om nucelair onderzoekswerk, drastisch moet worden aangepast.

De IAEA-inspecteurs hebben nu tot taak om alle apparatuur voor het Iraakse atoomwapenprogramma onklaar te maken. Begonnen wordt met de ongebruikte brandstof. Die wordt door de Sovjet-Unie, destijds van meet af aan de belangrijkste bondgenoot van Irak en leverancier van wapens, "overgenomen'.

    • Karel Knip
    • Theo Westerwoudt