CDA-senator P. Boorsma; Ambitieus en toch ontwapenend; "Er is veel valse bescheidenheid, maar ik ben eerlijk: ik wil een mooie carrière en verder niets'

Vorige week dreigde de CDA-fractie in de Eerste Kamer, mede op instigatie van senator Peter Boorsma, de behandeling van het plan-Simons te frustreren door er géén vragen over in te dienen. Deze doorkruising van de normale procedures werd een dag later al weer ongedaan gemaakt. Boorsma is in korte tijd een begrip geworden. Soms moet een minister speciaal voor Boorsma in de senaat verschijnen: hij is dan de enige met vragen. En die vragen kunnen zeer ver gaan.

Bijzonder deskundig, een man "die indringende vragen stelt'. Altijd bezig met overheidsfinanciën. Voortvarend type, misschien wat te vasthoudend. En ambitieus: “de BV Boorsma Vooruit is weer in actie!”. Maar ook vriendelijk: “Hij kan heel ontwapenend zijn.” In de meeste oordelen over het CDA-Eerste Kamerlid Peter Boorsma (47), hoogleraar Openbare Financiën aan de TU Twente, tref je dezelfde elementen. Zelfs het PvdA-Tweede Kamerlid Ad Melkert, die hem vorige week tijdens de algemene beschouwingen min of meer beschuldigde van politieke sabotageacties, zegt Boorsma's "bekwame analyses' vrijwel altijd de moeite waard te vinden. Een anoniem Eerste Kamerlid dat hem een onbetrouwbare carrièrepoliticus vindt - “hij doet er alles aan om ooit premier te worden” - vertelt óók dat Boorsma bij etentjes gezellig en charmant kan zijn.

Boorsma is in korte tijd een begrip geworden. Tweemaal al moest het kabinet in de Eerste Kamer dreigen met aftreden om het verzet van Boorsma en met hem dat van de CDA-fractie te breken. Vorige week was het weer raak, toen de CDA-fractie op zijn aanraden weigerde mee te werken aan de schriftelijke voorbereiding van de behandeling van wetsvoorstellen voor een nieuw stelsel van ziektekosten, het befaamde plan Simons. Langs deze weg wilde hij het kabinet bewegen tot een fundamentele herbezinning op de plannen.

Het is Boorsma ten voeten uit. Melkert herinnert zich met enig afgrijzen dat Boorsma inzake het huurwaardeforfait een verhaal hield over "de marginale waardevermeerdering van de tuin'. “Dat is geen marginale toetsing meer, de eigenlijke taak van de Eerste Kamer.” Ook staatssecretaris Simons heeft zich wel eens hardop afgevraagd of Boorsma niet eerder in de Tweede Kamer thuis hoort, zo intens bemoeit hij zich met de details van de stelselwijziging.

Boorsma's opvattingen over politiek en financiën zijn sterk beïnvloed door zijn werkzaamheid van 1974 tot 1978 op het ministerie van financiën. Daar werkte hij op de afdeling begrotingsvoorbereiding onder meer aan de 1%-operatie: de eerste poging in Nederland, door PvdA-minister Duisenberg, om de overheidsuitgaven minder snel te laten groeien. Boorsma over die periode: “Ik kwam van de Vrije Universiteit, waar ik economie had gestudeerd en vervolgens als wetenschappelijk medewerker was gebleven. Op Financiën kreeg ik opeens te maken met het dagelijkse handwerk, met de werkelijkheid achter de cijfers. En ik heb ervan genoten. Het bevredigde mijn leergierigheid, die al sinds mijn vroege jeugd heel groot was.”

Boorsma leerde er ook cynisme. “Ik zag dat men zich in de politiek regels en grenzen voor de uitgaven probeert op te leggen, maar dat men er vervolgens weer onderuit probeert te komen via allerlei budgettaire grappen en grollen. Ze zeggen het één maar doen het andere.”

Ieder jaar kan Boorsma zich in zijn commentaar op de miljoenennota opwinden over halfwas rechtvaardigingen van uitgaven, "definitiegoochelarij' en inconsequente redeneringen. “Wetenschappelijk gezien leeft "Den Haag' in de duistere middeleeuwen”, schreef hij vorig jaar in Economisch Statistische Berichten.

Hoewel van eenvoudige, gereformeerde komaf - “mijn vader was een eenvoudige landarbeider, mijn talenten heb ik voornamelijk van mijn moeder” - was het voor Boorsma al vroeg vanzelfsprekend dat hij "een vooraanstaande positie in de maatschappij' zou innemen. Hij zegt dat die vroegere armoe hem ook een zekere hardheid heeft bijgebracht. “Ik ben zeer begaan met het lot van mensen zonder talent die moeten sappelen voor hun bestaan; ik zag het van dichtbij bij mijn vader. Maar ik leg ook de nadruk op plichtsbesef, waardoor ik tegen veel soorten subsidies ben. “"Arbeid: de zoete nood', zo beschouw ik dat.”

Na zijn financiën-periode ging hij naar de TU Twente, afdeling bestuurskunde, waar hij snel hoogleraar werd, en niet bij toeval: “Al tijdens mijn studie wilde ik hoogleraar in de Openbare Financiën worden”.

Boorsma verrichtte er onderzoek naar de mogelijkheden van privatisering van overheidstaken, efficiëntie bij de politie, vormen van milieuheffingen: praktische zaken ten behoeve van beleidsadviezen. In 1981 publiceerde hij, met subsidie van het VNO, een lijvig onderzoek met per begrotingshoofdstuk honderden zaken die geprivatiseerd zouden kunnen worden, waaronder de stenografische dienst van het parlement à 2 miljoen, maar ook de rijksbijdragen aan de ziektekostenverzekeringen à 3,5 miljard.

Hij analyseerde gemeente- en provinciebegrotingen en beschreef in dat kader met een mengeling van cynisme en verontwaardiging het proces waardoor lantaarnpalen meestal beter worden onderhouden dan rioleringen: wat je niet ziet kan nog wel een jaartje wachten en daarover krijgen B en W toch geen boze brieven. Pas als de wegen gaan verzakken komt de overheid in actie, en dan wordt haar zelden grove nalatigheid verweten.

In zijn inaugurele rede als lector in 1980 stelde Boorsma voor te gaan rooien in de verzorgingsstaat: een heroverweging van de uitgaven op grond van het belang voor de bevolking en de doelmatigheid waarmee dat belang gediend wordt. Hij keerde zich fel tegen het opportunistische snoeien, waarbij het bestaande beleid niet wezenlijk wordt aangetast. En zoals een gesnoeide boom alleen maar harder gaat groeien, gaan op die manier ook de overheidsuitgaven alleen maar harder groeien.

Als een mooi voorbeeld van rooien stelde Boomsma later voor om het ministerie van landbouw op te heffen en de taken onder te brengen bij EZ en Onderwijs. Dat zou honderden miljoenen kunnen opleveren en daarbij de efficiëntie verhogen. En getrouw aan zijn motto "een spreker te zijn van woorden en uitvoerder van daden' stapte Boorsma als hoogleraar in de ene commissie na de andere.

Het huidige CDA-Tweede Kamerlid Hans Huibers studeerde bij Boorsma af en herinnert zich dat op de TU altijd omstreden was dat Boorsma zich meestal drie van de vijf dagen ergens in het land bevond. Boorsma's verdediging voor zijn afwezigheid was dat de wetenschapper niet in een ivoren toren moet zitten, maar zich ook met praktische zaken moet bemoeien. Bijkomend voordeel was volgens Huibers dat Boorsma voor veel studenten gemakkelijk stages en baantjes kon regelen, omdat hij overal contacten had.

Ook buiten zijn directe werkterrein is hij actief. Zo is Boorsma penningmeester van het Christina Deutekom-concours in Enschede en organiseerde hij vorig jaar een tournee van jonge zangers naar de Antillen. Geen wonder dat Boorsma over zichzelf zegt: “Ik heb altijd haast”.

Boorsma had ook zitting in de befaamde Commissie Dekker over de herziening van het ziektekostenstelsel (1986-87). Medelid prof. Dunning kent hem uit die tijd als een energiek en drukbezet man die kwam binnenstormen en vooral bijdragen leverde vanuit zijn vakgebied. “Aan de generale problemen droeg hij minder bij. Over bejaardenzorg had hij bijvoorbeeld niet veel ideeën.”

In 1982 werd hij lid van het CDA, omdat hij het no-nonsensebeleid van Lubbers en Ruding als een verademing ervoer. In 1987 werd hij Eerste Kamerlid, om de financiële deskundigheid daar te verstevigen. Velen zien zijn bemoeienissen als "wetenschappelijk': Boorsma is een technocraat. Eerste Kamerlid, en financieel woordvoerder J. van der Meer (PvdA), meent bij voorbeeld dat zijn volhardende tactiek weinig politiek is: “Ik zou gas terugnemen als ik wist dat het kabinet zou gaan dreigen met een kabinetscrisis, zo niet Boorsma. Ik zou het machtswoord als gezichtsverlies ervaren.

Hij kan dan misschien wel gelijk hebben, maar zo gaat dat niet in de politiek. De burger kan ook niet begrijpen dat iemand eerst zo hoog van de toren blaast maar vervolgens terugwijkt voor het machtswoord van Lubbers. Wij zitten er dan ook naar te kijken van: hoe lang zou dit toneelstukje nu weer duren? Want ze zwichten uiteindelijk toch. Het heeft iets potsierlijks.'' Oud-minister Ruding noemde Boorsma eens "een patertje langs de kant'.

Interessant in dit verband is dat in wetenschappelijke kring Boorsma's werk zeker gewaardeerd wordt, maar dat hij juist als een praktische wetenschapper wordt gezien. Prof. F. van den Winden, hoogleraar openbare financiën in Amsterdam, rekent zichzelf tot de meer theoretische "economen van de publieke sector'. Van Winden: “Boorsma's werk behoort tot de oudere, meer institutionele benaderingswijze, waarbij geen modellen worden gevormd, maar waar praktisch wordt geanalyseerd wat er bij voorbeeld op een ministerie gebeurt. Het zit dichter bij politicologie.”

De invloed van Boorsma binnen het CDA is moeilijk te peilen. Feit is dat zijn confrontatiepolitiek mede ondertekend wordt door de partijvoorzitter Van Velzen, ook lid van de Senaat. CDA-Tweede Kamerlid Hans Hillen meent, met anderen, dat Boorsma zegt wat veel CDA'ers wel denken maar niet durven te zeggen. Ze steunen zijn methodes niet altijd, vinden hem soms een brokkenpiloot, maar geven hem wel gelijk in zijn kritiek. Hij dankt zijn invloed niet aan een georganiseerde achterban of groep binnen het CDA, maar aan zijn ambitie en zijn capaciteiten.

Over Boorsma's optreden zegt Hillen: “Mijn verstand zegt dat zijn confrontatietactiek niet werkt, maar mijn hart zegt dat hij door zijn lef enintuïtie voor treffende banale vragen de kloof tussen burger en politiek minder groot maakt. In de Tweede Kamer overheerst teveel de gladde bestuurspolitiek: subregels, amendementen en harde coalitiediscipline. De politiek moet echter de echo van de emotie van de samenleving zijn en daarom zijn er meer mensen als Boorsma nodig.”

Zelf zegt Boorsma over zijn tactiek: “Mijn ideaal is "speaking truth to power' en ik wil niet op voorhand al gaan matigen en nuanceren. Dat is de dood in de pot. En het heeft ook wel degelijk effect: de ministeries en het kabinet worden voorzichtiger. En als het kabinet het machtwoord uitspreekt en wij de regering niet om een belastingkwestie naar huis willen sturen is tenminste duidelijk dat ze het niet op argumenten kunnen winnen. Ik voel me volksvertegenwoordiger en daar ben ik trots op.”

Over zijn ambities zegt hij: “Er is veel valse bescheidenheid in de wereld, maar ik ben eerlijk: tot nu toe heb ik een mooie carrière en die wilde ik ook. Verder moet je in dit stadium niets willen, dan raak je gefrustreerd. Minister van buitenlandse zaken zou ik niet willen worden, maar als Financiën op mijn weg komt, zal ik dat boeiend vinden. Maar als ik zie hoe weinig vrijheid oud-hoogleraren als Ritzen en Hirsch Ballin overhouden en hoezeer ze gedicteerd en geleefd worden dan zou ik ook blij zijn als die beker aan mij voorbij ging.”

    • Hendrik Spiering