Zoeken naar een oorspronkelijk stukje oerwoud; "Wat een fantastische korstmossen, zijn ze niet prachtig?'

CORDILLERA DE TALAMANCA (Costa Rica), 12 OKT. Aan de ene kant van de Pan American-highway oogt het oerwoud, voor zover daar nog sprake van is, armoedig. Bomen en planten zijn er schaars en her en der liggen gekapte maar nog niet weggesleepte boomstammen.

Langs deze rechterzijde van de snelweg tussen Costa Rica en Panama - tachtig kilometer ten zuiden van de hoofdstad San José - is het tropische bos evenwel nauwelijks doordringbaar. Veertig meter hoge eiken, varens en veel bamboe belemmeren de doorgang. Door de hoogte van 3.000 meter hangt in deze zogeheten tropische nevelwouden in de Cordillera de Talamanca een voortdurende mist en het regent er venijnig.

Het enthousiasme van de Nederlandse onderzoeker-in-opleiding drs. Maarten Kappelle (28 jaar) wordt door de treurige klimatologische omstandigheden in het geheel niet getemperd. Integendeel. “Oh, wat een mooie orchidee”, roept Kappelle, nadat hij zich met een vervaarlijk kapmes een weg heeft gebaand. Even verderop kruipt hij met handen en voeten over de drassige bodem en rukt iets uit de grond. “Kijk nou toch eens hier! Wat een fantastische korstmossen, zijn ze niet prachtig?”

Aanvankelijk als student en nu als onderzoeker van de Universiteit van Amsterdam is planten-ecoloog Kappelle al zes jaar bezig met het inventariseren van de flora in de nevelwouden van Costa Rica. Dit jaar is hij in samenwerking met studenten van de Universiteit van Nijmegen begonnen aan een door de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO) betaald project waarbij gekeken wordt in hoeverre eenmaal gekapt oerwoud zich herstelt en wat de ecologische waarde is van dit zogeheten secundaire bos.

Kappelle is een nogal eigenaardige man. Een bezeten onderzoeker die de afgelopen jaren in de nevelwouden op veertig uitgezette percelen van 500 m2 zo'n 5.200 planten, struiken, varens en mossen verzamelde waarvan er uiteindelijk zo'n 1.500 verschillend bleken. “Als ik een plant zie, word ik helemaal gek”, verklaart hij. “Je hoopt altijd weer een nieuwe, nog niet ontdekte soort te vinden”.

De vernietiging van de jungle even verderop is Kappelle een gruwel. Hij wijst naar een boom en noemt hem “de spil waar alles om draait”. Het is de Quercus costaricenses, een eikeboom die tussen 1945 en 1975 vooral de houtkappers heeft gelokt. Het hout van deze boom is van uitstekende kwaliteit en goed geschikt voor de vervaardiging van stutten voor mijnschachten, het bouwen van boten of voor de produktie van wijnvaten.

Evenals in alle andere Latijns-Amerikaanse landen is de vernietiging van het regenwoud in Costa Rica voortvarend uitgevoerd. Minder dan vijftig jaar geleden was nog ruim zeventig procent van het land ondoordringbaar oerwoud. Vooral de aanleg van de snelweg tussen de VS en Panama heeft er echter toe geleid dat kolonisten in Midden-Amerika voorheen ontoegankelijke gebieden konden bereiken. Het percentage redelijk ongeschonden bos is daardoor inmiddels teruggelopen tot amper 25.

De ontbossingssnelheid in Costa Rica is volgens Kappelle de hoogste van geheel Latijns Amerika. Tegelijkertijd echter is de bescherming die in dit land wordt geboden aan de resterende ongerepte gebieden zeer strikt te noemen. Ongeveer eenvierde deel van het land heeft een al dan niet volledig beschermde status als bosreservaat of als nationaal park. De enige mensen die zich daar verdringen zijn wetenschappers en vooral toeristen die veel dollars betalen om enkele dagen in het oerwoud te kunnen logeren. Dank zij dit zogenoemde ecotoerisme - een zeer belangrijke bron van inkomsten voor Costa Rica - lijkt het voortbestaan van de overgebleven jungle in ieder geval redelijk gewaarborgd.

Het Nederlandse onderzoek concentreert zich in een gebied dat dertig jaar geleden volledig werd gekapt. Inmiddels is de omgeving tot bosreservaat bestempeld hetgeen betekent dat er alleen na schriftelijke toestemming incidenteel mag worden gekapt. De natuur heeft hierdoor, althans voor een leek, bijna zijn oorspronkelijke vorm aangenomen.

Kappelle is zeer te spreken over zijn eerste bevindingen. “Ik ben verbaasd over de kwaliteit. De samenstelling in soorten is prima. Alleen de structuur is anders. De bomen zijn hier de helft lager. Het zal minstens vijfhonderd jaar duren vooraleer er weer bomen van veertig meter hoog staan. Maar al met al ziet het woud er veelbelovend uit.”

Kappelle hoopt met zijn onderzoek te kunnen aantonen dat dit secundaire bos prima te gebruiken is als "exploitatiebos'. Het woud kan dan dienen als een soort groentetuin waar af en toe verantwoord produkten uit kunnen worden genomen zonder het oerwoud zelf aan te tasten. Kapelle wijst op de Buddleia, een boom die hier veel groeit en die makkelijk valt te benutten als producent van brandhout. “Je kunt hem knotten en dode takken eruit snijden. De boom is een pionier en groeit weer razendsnel.”

Ook bamboe's kunnen volgens Kappelle makkelijk “geoogst” worden waarmee meubels zijn te vervaardigen. Bamboe bezit eveneens de eigenschap dat het razendsnel weer aangroeit. Ook door akkerbouw en bosbouw te combineren valt er een verantwoord gebruik te maken van de jungle. Elsen en bramenstruiken kunnen prima naast elkaar staan. De bomen en struiken houden het water vast en de bramen kunnen geoogst en verkocht worden. “Je kunt de bossen verder opwaarderen door economisch interessante planten aan te kweken.”

Kappelle verzet zich tegen de opvatting die zijn Zwitserse collega's in Costa Rica propageren en die zo veel inhoudt als zou ook het originele regenwoud “goed te beheren” zijn door er af en toe selectief in te kappen. “Als je dit doet, neemt hoe dan ook de genetische variatie en de watercapaciteit af. Het bos heeft een belangrijke hydrologische functie waardoor erosie en overstromingen voorkomen kunnen worden. Daar kun je niet mee gaan experimenteren. Door een verstandig gebruik van het secundaire bos is het bovendien niet nodig.”

Probleem is evenwel nog dat de kolonisten van het eerste uur die nu koeien laten grazen doorgaans geen geld hebben om zaden te kopen en om mankracht in te huren die nodig is voor exploitatie van het secundair bos. Boeren moeten bovendien worden opgeleid omdat ze nu veelal niet weten wat ze met bosprodukten kunnen doen.

Een van de uitzonderingen op die regel is Ulises Monge, een boer die zich hier dertig jaar geleden met zijn gezin heeft gevestigd in de Vallei van San Gerardo de Dota. Van veeteelt is hij inmiddels overgeschakeld op de kweek van forellen. Van de overheid koopt hij jaarlijks het broed van drieduizend forellen die een jaar lang aansterken in een kunstig aangelegd bassin. Het vissenzwembad wordt voortdurend van vers water voorzien via een beek die wordt afgetapt.

Monge is redelijk tevreden met zijn nieuwe bestaan. Drie keer per dag voert hij nu zijn vissen met een soort hondebrokken. “Alleen de prijs van forellen is nog te laag”, moppert hij waardoor hij voorlopig een flink deel van zijn eigen voorraad opeet.

Kappelle maakt zich wel nog zorgen over de oude gewoonte van Monge en veel van zijn streekgenoten om ook appelbomen te kweken. Door het gebruik van insecticiden en onkruidbestrijdingsmiddelen verdwijnt de vegetatie onder de bomen en spoelt bij een fikse regenbui de bodem weg. “Maar deze boer doet ten minste zijn best”, zegt de onderzoeker. De enige schade die hij nog aan het bos toebrengt is door het kappen van hout voor de oven waarin zijn vrouw heerlijke koekjes bakt.

Iemand die zich eveneens druk maakt voor een beter natuurbeheer in dit gebied is Julio Sánchez, de meest gezaghebbende ornitholoog van Costa Rica. In dit berggebied is de volgens kenners mooiste vogel op aarde, de quetzal, vrij eenvoudig te zien. De vogel met de grootte van een papegaai heeft een prachtig groene kleur die in de schaduw een blauwe glans te zien geeft. Daarnaast heeft de quetzal een felrode borst, een punkkapsel en bezit het mannetje een groene staartveer die een meter lang kan zijn.

Sánchez zamelt geld in voor zijn quetzal-educatie- en studiecentrum (Qerc) dat de lokale bevolking lessen geeft in natuurbeheer. Met het geld worden tevens laurierbomen geplant waaraan wilde avocadopitten groeien, het belangrijkste voedsel van de quetzal. Zo slaat hij twee vliegen in een klap: bescherming van 's werelds mooiste wezen (“wellicht op God na”) en herbebossing.

Sánchez is optimistisch over de mogelijkheden om het tropisch bos te behouden en wellicht zo veel als mogelijk uit te breiden. “In de stad noemen steeds meer mensen zich ecoloog omdat het je een intellectueel imago geeft. De boeren hier beseffen eveneens meer dan vroeger de waarde van hun omgeving omdat ze de vernietiging steeds verder hebben zien gaan. En iemand die dier en plant verliest, verliest zijn land.”

    • Marcel Haenen