Speuren naar een vlucht roodkeelduikers

TEXEL, 12 OKT. “Ik zie een zeekoet...een Jan van Gent...twee grote mantelmeeuwen...een Noordse stormvogel...” H. Baptist, bioloog bij de Dienst Getijdewateren van Rijkswaterstaat, tuurt schuin naar beneden uit het raampje van de Piper Navajo en spreekt zijn waarnemingen met sonore stem in op de bandrecorder. Vliegend op 150 meter hoogte telt hij de vogels en zoogdieren op het Nederlandse deel van de Noordzee. “Ik zie een kleine mantelmeeuw...een zeekoet...een roodkeelduiker...”

Het toestel, eigendom van een particuliere Zeeuwse maatschappij, vervoert meestal zakenlieden door Europa, maar om de twee maanden staat het enkele dagen ter beschikking van Baptist en zijn medewerkers. Er worden steeds drie trajecten afgelegd: de kustvlucht, die zich dicht langs de kust van Cadzand tot Rottumeroog voltrekt; de Texelvlucht, die de volle zee bestrijkt, en de Borkumvlucht daar ongeveer tussenin. De gemiddelde snelheid bedraagt 200 kilometer per uur.

Vandaag is de dag van de Borkumvlucht, die we onder de hoede van Baptist meemaken in de hoop een glimp op te vangen van de tuimelaar. Deze dolfijnsoort, die in de jaren zestig uit het Nederlandse deel van de Noordzee verdween, is er vorig jaar teruggekeerd. De bioloog telde er 27, ruwweg tussen IJmuiden en de Doggersbank. Ook dit jaar ontsnapten ze niet aan zijn speurend oog, maar vandaag willen ze niet te voorschijn komen. Meeuwen en koeten genoeg, maar geen tuimelaars.

Biomonitoring heet het type onderzoek waarmee Waterstaat veranderingen in verspreiding en aantallen zeevogels en zeezoogdieren wil vaststellen. Het wordt al jaren beproefd en geldt sinds 1990 als officieel telsysteem voor een periode van nog eens tien jaar, tot omstreeks 2000. Zo probeert men erachter te komen in hoeverre maatregelen die een verbetering van het natuurlijk evenwicht op de Noordzee beogen, effect sorteren.

Bij een volledig telprogramma van drie dagen wordt een zee-oppervlak van gemiddeld 650 vierkante kilometer onderzocht. De waarnemer beperkt zijn observaties tot een strook water van 150 meter breed, schuin onder zijn zitplaats, en heeft dan een zodanig zoekbeeld, dat hij een vogel of ander dier binnen één à twee seconden in het vizier krijgt. Er resten dan nog vier tot vijf seconden voor het signaleren van bijzonderheden als soort, leeftijdsklasse en "associatie'. Onder die term valt bijvoorbeeld een zwerm vogels in de staart van een vissersboot.

Baptist behoort tot de geroutineerde tellers en weet soorten die een sterke gelijkenis vertonen, in een oogwenk van elkaar te onderscheiden. Als hij zich al zou vergissen, komt dat door misleidende elementen. “Waar we veel last van hebben”, vertelt hij ter hoogte van Terschelling, “zijn de overblijfselen van de sepia, een inktvis die na overlijden zijn rugschild achterlaat en dat schild heeft precies de vorm van een kleinere vogel.” Er komt ook regelmatig afval voorbijdrijven: plastic flessen, zakken en kratten. Baptist ziet van die hoogte wat anderen ontgaat: een gele ballon aan een touwtje, neergedaald op zee in plaats van vrij door het luchtruim te zweven.

In augustus dit jaar overschreed hij de grens van het Nederlandse continentale plat om de Britse sector in te vliegen, wat een verrassende ontdekking opleverde. Zijn geschreven verslag maakt er summier melding van: “55.08 NB 0.06 WL: 110 witflankdolfijnen en 500 witsnuitdolfijnen, alle actief fouragerend.”

Wat er achter dit zakelijke bericht schuil gaat, wordt alsnog duidelijk. Baptist: “Ja, dat was een fantastich gezicht. We hebben ontdekt dat witsnuitdolfijnen in groepsverband jagen. Soms gaan ze met acht, tien tegelijk op een rij liggen en tasten met hun ingebouwde sonar de omgeving af, waarna er één vooruit schiet. Soms zwemmen ze in een cirkel, een soort spiraal, duiken onder, flitsen door elkaar en duiken weer met z'n allen op. Dit soort gedrag wijst erop dat ze de vis willen verhinderen te ontsnappen, vooral richting bodem. Ze sluiten een school haring als het ware in om er dan onbelemmerd van te eten.”

Witsnuit en witflank zitten nu onder de Engelse kust. In december komen ze onze kant op om hier tot omstreeks mei-juni te blijven. De verspreiding van deze soorten hangt nauw samen met de aanwezigheid van paaiende haring, een verband dat de tuimelaar indertijd ernstig parten heeft gespeeld. Vóór de oorlog kwam deze soort, de "flipper' van het dolfinarium, ook in het Nederlandse deel van de Noordzee veelvuldig voor, zelfs tot dicht onder de kust. Vanaf de Scheveningse pier of de boot naar Texel zag men hem regelmatig uit de golven opspringen, maar sinds de vroege jaren zestig is hij hier niet meer waargenomen.

Baptist: “Vermoedelijk kreeg de soort toen zwaar te lijden onder de lozingvan bestrijdingsmiddelen, de giftige drins die uit de Rijnmond kwamen. Die hebben een slachting aangericht onder de grote sterns op het eilandje Griend, dat verhaal is bekend, maar ook andere dieren bleven niet gespaard. Ik noem de eidereend, de bruinvis èn de tuimelaar. En die tuimelaar had het toch al zo moeilijk vanwege een minimale haringstand. Dus de vergiftiging kwam bovenop voedselgebrek en dat moet hem noodlotting zijn geworden. Al weet je het natuurlijk nooit met honderd procent zekerheid. Als we zulke dieren niet zien, wil dat niet per definitie zeggen dat ze verdwenen zijn. In elk geval kunnen we sinds vorig jaar zeggen: ze zijn er. Dat zou ik niet beweren als ik ze niet zelf had gezien.”

Vandaag dus niet en daarom moet alles wat er over de tuimelaar en zijn familiegenoten te vertellen valt, uit al dan niet recente overlevering komen. Baptist: “Wist u dat er ook walvissen in de Noordzee zwemmen? Dwergvinvissen, maar toch. We zagen ze even ten noorden van de Doggersbank, op het Engelse continentale plat, dus nog niet op het Nederlandse deel, maar ze zitten er dicht tegenaan. Grienden zijn ook gesignaleerd, twee stuks, maar dat is al weer zes jaar geleden. De gewone dolfijn heb ik hier helaas nog nooit in levenden lijve gezien, maar het gebeurt wel eens dat er een dood exemplaar aanspoelt.”

Vóór terugkeer naar zijn Zeeuwse basis zou de Piper Navajo een tussenlanding op het Duitse Waddeneiland Norderney maken, maar slecht zicht dwingt tot herziening van het vluchtplan. Het wordt Texel, waar de hemel aanmerkelijk opklaart en Baptist krachten opdoet voor weer een paar uur turen en tellen. En praten in de microfoon: “Ik zie een drieteenmeeuw...twee zilvermeeuwen...een Jan van Gent...”

De Seabirds Guide van Peter Harrison ligt onder handbereik. Gisteren werd dit mondiale standaardwerk over zeevogels nog opgeslagen, maar zonder dat het uitkomst bood. Baptist: “Ik zag op de Texelvlucht naar de Doggersbank zowaar twee albatrossen en dat was iets heel bijzonders, want die vogels komen alleen op het zuidelijk halfrond en in de noordelijke Pacific voor. Dwaalgasten dus, maar van welke soort? Dat heb ik helaas niet kunnen zien. Harrison vermeldt zeventien soorten, maar als ik die plaatjes bekijk, kom ik er nog niet uit. Dat neemt niet weg dat ik genoten heb. Twee albatrossen van drie meter spanwijdte en dat boven de Noordzee.”

    • F.G. de Ruiter