SOLDATEN VAN EEN STAAT IN ONTBINDING

Beyond Nationalism. A Social and Political History of the Habsburg Officer Corps, 1848-1918 door István Deák 273 blz., geïll., Oxford University Press 1990, f 93,50 ISBN 0 19 504505 X

De dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije was een onmogelijke conglomeraat van volkeren, een zonderling politiek kunstwerk dat was geschapen door de uitgekiende huwelijkspolitiek der Habsburgers. In de tweede helft van de 19de eeuw werd dit fragiele staatkundige mozaïek steeds meer ondermijnd door oplaaiend nationalisme bij de vele volken en etnische minderheden. Het enige bindmiddel dat de zaak bijelkaar hield, was het leger. Opmerkelijk genoeg slaagde de Habsburgse monarchie er in het nationalisme buiten de kazernepoort, en vooral buiten de barakken van het officierscorps te houden.

Hoe ze dat deed, probeert de Amerikaanse Hongaar István Deák te ontrafelen in zijn boek Beyond Nationalism. A Social and Political History of the Habsburg Officer Corps, 1848-1918. Daartoe ploegde hij 1200 dossiers door van officieren die ooit trouw zworen aan keizer-koning Franz Joseph. Met deze legertrein aan informatie was Deák, wiens vader ooit als onderofficier van Franz Joseph diende, in staat een politieke en sociale geschiedenis van het officierscorps van de Habsburgse monarchie te schrijven.

Maar daarmee gaat dit boek ook en vooral over de problemen waarmee een multinationaal leger heeft te kampen in een staat die in ontbinding verkeert. Het zijn problemen waarover men thans in Joegoslavië kan meepraten en die lezing van dit boek tot een bepaald somberstemmende activiteit maakt. Niet verwonderlijk is dat Beyond Nationalism loopt van crisis naar crisis: het begint bij de revolutionaire beroeringen van 1848, toen het leger de monarchie redde, en eindigt in 1918 met de fatale crisis waarin de Eerste Wereldoorlog staat en leger had ge-dompeld.

In deze crises worstelden veel officieren met verschillende loyaliteiten. Zo was de Kroatische generaal Jelacic, die in 1849 een hoofdrol speelde bij het verslaan van de Hongaarse nationalisten van Lajos Kossuth, volgens Deák ""een bittere vijand van de Hongaren, een loyaal onderdaan van de Habsburgse kroon en een Kroatische nationalist - in deze volgorde''. Deák berekent overigens dat de helft van de Hongaarse officieren niet voor de Hongaarse zaak koos. Hun loyaliteit aan de Kroon en vooral de trouw aan hun regiment won het van nationalistische gevoelens.

INDUSTRIALISATIE

De rode draad in dit boek is het bewind van Franz Joseph, die in december 1848 op 18-jarige leeftijd de troon besteeg en zich tot taak stelde om de staat bijeen te houden. Hij hield het 68 jaar vol, net niet lang genoeg om het uiteenvallen ervan mee te maken. Maar wel lang genoeg om de desintegratie te vertragen. In het door industrialisatie snel veranderende Oostenrijk-Hongarije bleef de keizer-koning dezelfde en hetzelfde, namelijk aartsreactionair en autocratisch, en dat was op zich al een stabiliserende factor. Zijn conservatisme ging zelfs zo ver, dat hij van nieuwerwetsigheden als telefoon en lift niets moest hebben.

Hoewel het Habsburgse leger de nationalistische krachten kon beteugelen, toonde het zich buiten de landsgrenzen heel wat minder slagvaardig. En die onmacht had grote consequenties voor de langzame ontbinding van de dubbelmonarchie. Zo was Wenen in 1867 na de militaire nederlaag tegen Pruisen wel gedwongen om politieke concessies aan de Hongaren te doen: de staat werd in tweeën gedeeld. De centrale macht werd beperkt tot de ministeries van oorlog, financiën, en buitenlandse zaken. In plaats van een enkel leger kwamen er vier: het centrale leger (80% van de dienstplichtigen), een Oostenrijks, een Hongaars, en een aan het laatste ondergeschikt Slavonisch-Kroatisch leger.

Na deze staatkundige aanpassing vormde het ministerie van oorlog het belangrijkste onderdeel van de centrale macht, en mocht zich daarom in een grote belangstelling van Franz Joseph verheugen. Hij voelde zich in de eerste plaats militair. Dat gaf hem de kracht om vol plichtsbetrachting tot op zeer hoge leeftijd tot diep in de nacht dossiers van dat ministerie door te werken.

Maar omdat de regeringen van Oostenrijk en van Hongarije zo min mogelijk geld afschoven naar de centrale overheid, was het defensiebudget voor een grootmacht relatief laag. Dit had weer zijn neerslag op het leven van de officieren. De soldij, vooral voor de lagere rangen, was bijzonder gering en de huisvesting - meestal vochtige 18de-eeuwse garnizoensforten - miserabel. Ook de grillen van bepaalde generaals konden de manschappen op kosten jagen. Zo stelde in 1859 een regimentscommandant het dragen van zwarte snorren verplicht. Degenen die dit bevel opvolgden door schoensmeer op hun bovenlip te smeren, konden na elke regenbui een nieuw wit uniformjasje aanschaffen.

SOCIALE STATUS

Dat er toch nog genoeg mensen een militaire carrière in dit leger ambieerden, kwam door de sociale status die een beroepsofficier genoot. Tal van privileges waren zijn deel, van het recht om aanwezig te zijn op de walsfestijnen die Franz Joseph aanrichtte tot het recht om na 50 jaar trouwe dienst - vanaf 1868 verminderd tot 40 jaar - in de adelstand verheven te worden. In de keus van de naam stond men dan vrij. Hierbij speelde geloof of nationaliteit geen rol, in tegenstelling tot geld, want hoe duurder de titel, hoe kostbaarder de adelsbrief.

Ook op de militaire academies werd op etnische afkomst, geloof, als ook sociale achtergrond niet gelet. Alleen de Habsburgers hadden een streepje voor: voor een aartshertog lag een glanzende militaire carrière in het verschiet, ongeacht diens capaciteiten. Franz Josephs niet-discriminerende gedrag stak heilig af tegen de vooroordelen die zijn gedoodverfde troonopvolger Franz Ferdinand koesterde. Die stak zijn antisemitisme en anti-Hongaarse gevoelens niet onder stoelen of banken.

De officieren van het Oostenrijk-Hongaarse leger waren gemiddeld van lage sociale komaf, hetgeen contrasteerde met hun hoge sociale standing. Ze vormden een aparte sociale groep, met eigen omgangsvormen en codes. Zo tutoyeerden ze elkaar in inofficiële contacten. Dat zou tijdens de Eerste Wereldoorlog nog tot menig pijnlijk incident met Duitse officieren leiden.

Die intieme omgangsvorm droeg, volgens Deák, evenveel bij tot het esprit de corps als hun erecodes. Die erecode gebood om bij belediging de eer te redden met behulp van sabel, of, als de sociale status van de beledigende partij dat vereiste, over te gaan tot een duel. Ook al was duelleren bij wet verboden, sanctie erop bestond er nauwelijks en mocht een militair gerechtshof toch tot veroordeling overgaan, dan was Franz Joseph er altijd nog om het vonnis - degradatie bijvoorbeeld - te niet te doen.

De kern van de zaak is dat de officieren er belang bij hadden om waarden en normen te koesteren die hen onderscheidden van de rest van de bevolking. Die groepsgeest maakte hen minder ontvankelijk voor politieke en nationalistische agitatie.

NEDERLAAG

Dit alles veranderde drastisch na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Met elke verpletterende nederlaag verbleekte het beeld van het Oostenrijks-Hongaarse leger als a-politieke en a-nationalistische eenheid in een door nationalistische tegenstellingen barstende veelvolkerenstaat. Het "Kauderwelsch', het koeterwaals van verschillende talen waarmee de officieren zich verstaanbaar maakten bij hun soldaten, klonk steeds minder op het slagveld. Maar in een leger waar meer dan tien verschillende talen gesproken werden en waarin in 1914 door 90% van de officieren in minstens één andere taal dan Duits met de soldaten gecommuniceerd moest worden, was zo'n eigen taaltje eigenlijk onmisbaar.

Op de slagvelden en in de krijgsgevangenkampen namen de etnische spanningen onder de officieren steeds verder toe. In de staten die uit de puinhopen van de Habsburgse Monarchie verrezen, zouden de idealen van Franz Joseph dan ook niet hoog in het vaandel staan. En een groot aantal oud-officieren van dat Oostenrijks-Hongaarse leger zou later in nazistisch vaarwater terechtkomen.

Door zo de klemtoon te leggen op de tolerante aspecten van leger en samenleving tijdens het bewind van Franz Joseph probeert Deák deze periode van de Middeneuropese geschiedenis enigszins te rehabiliteren. Daarbij draaft hij wel wat door. Het is bijna "een wonder' te noemen, stelt hij bijvoorbeeld, dat dit leger met een minimum aan geweld de Habsburgse monarchie zolang bijeen heeft gehouden. Het onderdrukken van opstanden in de Balkan valt dan blijkbaar in de categorie van minimaal militair geweld. Aan de samenwerking van leger en politie om sociale onrust te dempen maakt hij helemaal geen woorden vuil.