Schuttersbergweg 156, Arnhem

Lijn 9, dat is een beetje een tegenvaller. Het was lijn 2 en ik had niet gedacht dat dat ooit zou veranderen. Maar het is nog altijd een trolley en hij neemt de bekende weg: Velperplein, Steenstraat, Velperweg en dan naar links, de eerste heuvel op. Sommige haltes, stel ik met voldoening vast, zijn verplaatst. Met voldoening, omdat ik dus nog weet waar ze waren.

Lijn 2 ging naar de Geitenkamp. Hier bewoonden we vanaf '52 een sjofel maar karaktervol bovenhuis. Touwtje uit de brievenbus. Kolenkist op het balkon. Hete bliksem op tafel. Distributieradio in het voorkamertje (en in de achterkamer het eerste televisietoestel, maar toen was het al bijna '60, toen had mijn vader al een elektrisch scheerapparaat en een bromfiets, mijn moeder had al een centrifuge en zelf had ik al een fototoestel, een Agfa-Click; toen was voor ons de Geitenkamp al bijna voorbij).

Dit was wat je noemt een nette arbeidersbuurt. Hier zei men: het geld groeit me niet op de rug. Hier vroeg men zich af wat de buren wel niet moesten denken. Men hield zijn stoepje schoon en zijn tuintje in orde. En men had een bedoeling met zijn kinderen, namelijk dat ze vooruit zouden komen.

Er valt nu en dan wat regen vandaag, maar dat hindert niet, dat geeft extra glans aan momenten van opheldering, als de zon opeens warm door haar sluiers gluurt.

Het oude bovenhuis blijkt, net als de rest van de buurt, gerenoveerd. Minder oud dan toen eigenlijk. Fleuriger. Er hangen blauwe en rode rolgordijnen. Jonge mensen, neem ik aan. Dus dat zit wel goed.

Intern beraad leidt vervolgens tot het besluit nog maar eens naar school te lopen. Langzaam, langzaam aan maar, je hebt alle tijd van de wereld.

Daar zijn ze: de straatnamen, die al die jaren hebben gesluimerd en nu blij opveren. De huizen waar je je vriendjes ging ophalen - wat jammer dat niemand meer een naambordje op de deur heeft. De winkels waar je met of voor je moeder boodschappen deed - sommige zijn er nog!

Zorgvuldig worden oud en nieuw gescheiden. Op de hoek van de Zaslaan bij voorbeeld, daar was naar mijn idee altijd al een groentewinkel, maar die heette natuurlijk niet Gülsah. Laat staan dat er lesauto's rondreden van rijschool Ilknur. Maar nog zuiver Ernums klinkt het taaltje van twee vrouwen, die me kwebbelend tegemoet komen met een wandelwagentje.

Ik voel me thuis, ik voel me op mijn gemak, en ik moet zeggen: dat spreekt beslist niet vanzelf. Vaak val ik bij confrontaties met vroeger ten prooi aan een nerveuze treurnis, de verscheurende bewegingloosheid van een hond die zijn hazen naar alle kanten ziet wegschieten en beseft dat hij ze allemaal zal missen. Want ja, zo is het leven nietwaar? Maar hier...

Een bergdorp. Zo heb ik de Geitenkamp weleens genoemd en dat was nauwelijks overdreven. Dit sprookjesachtige samenstel van klimmende en dalende straten, rare bochten en trappen, verscholen pleintjes, intieme achterommetjes en hier en daar zowaar nog een hellinkje met achtergebleven bos... ik wil best geloven dat het ook elders in Nederland spannend was om klein te zijn, maar toch nergens zo spannend als hier, dit was speciaal voor avonturen gebouwd!

Naar school dus. "Over de paadjes', dat wil zeggen binnendoor, langs andermans schuren en tuinen. Algauw, te gauw naar mijn zin, kom ik uit op de Kuyperstraat. Het speelplein (bezet met auto's) ligt een niveau hoger en nog hoger, aan het eind van een boogvormige opgang, staat het schoolgebouw, streng en onverzettelijk.

SVO - opleiding voor de vleessector. Eén van de lokalen is inderdaad als een slagerij betegeld en verlicht. Je ziet het schimmige bewegen van jongelui met witte mutsjes. Maar er zijn geen aanwijzingen dat er daadwerkelijk geslacht wordt.

Dit was de Talmaschool. Hier werd gevoetbald met een kale tennisbal. Hier ging de bel en dan moest je in de rij gaan staan en dan ging je langs meester Goten naar binnen - die deed een keer mee aan de quiz Tot ziens in Jeruzalem, bijbelkennis, NCRV-radio, en hij won!

Hier moest je op maandagmorgen voor de klas een psalm opzeggen. Bidden, zingen, lezen, schrijven, rekenen, handenarbeid, figuurzagen: het wapen van Zeeland, ik worstel en kom boven. Vaderlandse geschiedenis!

Wat me, na al die tijd op deze jaren terugkijkend, het meest fascineert, is de oorlog - hoe waanzinnig kort die nog maar geleden was, hoe smartelijk de absolute nietigheid van ons land aan het licht was gekomen. In vijf dagen werden we door een vreemde mogendheid bezet en het duurde vijf jaar voordat andere vreemde mogendheden zo goed waren ons te bevrijden. Wat moeten onze opvoeders, zowel thuis als op school, het moeilijk hebben gehad om ons na deze catastrofe een realistisch en toch bemoedigend beeld van Nederland bij te brengen. En het is ze gelukt. Bij mij is in ieder geval dit blijven hangen: Nederland is niets bijzonders, maar wel op een hele bijzondere manier.

En dan die totale fixatie op goed en kwaad, die moet ook met de oorlog te maken hebben gehad. Natuurlijk, het zijn altijd de kleintjes, de zwakkelingen, die roepen dat er regels zijn, dat het spel eerlijk gespeeld moet worden. Maar dit ging dieper, hier sprak het gruwelijk besef dat in ieder mens het beest op de loer ligt, dat de ketenen van fatsoen en braafheid en godsvrucht niet stevig genoeg gesmeed konden worden. En was dat zo of niet?

Naast de school nog steeds de gymzaal, nu kennelijk in gebruik bij de tafeltennisvereniging OLDRA. Deze vreselijke herinnering de rug toekerend, lees ik op de deur van het huisje aan de overkant: Imminga. Heette zo die jongen niet, die in de zesde bij ons op school kwam? Was zijn vader niet bij de politie? Waren ze niet gereformeerd? Gereformeerden hadden bij meester Goten een streepje voor. God, wat was mijn vader woest toen die man zei dat ze mij maar naar de MULO moesten sturen. Want dat had alles met dat gereformeerde en niets met mijn intelligentie van doen.

Over het Marktplein terug, de Schuttersbergweg weer op. In een winkeltje, waar toentertijd tabakswaren werden verkocht, koop ik een koffiebroodje. Dat verschaft me het voorwendsel om dicht bij ons vroegere huis op zo'n typische Geitenkampse stoep te gaan zitten.

Boven de weg wiegt als vanouds de bovenleiding, geheimzinnig, altijd in afwachting van de trolleybus die op een dubbele manier te voorschijn zal komen: uit een bocht en uit de diepte.

Ikzelf verwacht nu met name het geluid van die bus en geleidelijk dringt tot me door dat het geluidsbeeld van deze plek onherstelbaar beschadigd is. Er is zowel te veel als te weinig. Te veel auto's, te weinig kinderen op straat, terwijl het toch half één is, tussen de middag.

Dan dwalen mijn gedachten af naar de bossen die aan drie kanten om de buurt heenliggen.