Politiek worstelt met principe milieuheffing

DEN HAAG, 12 OKT. Het milieu is een schaars goed, maar volgens alle economische wetten te laag geprijsd. Sinds het pionierswerk van de Britse econoom Mishan in de jaren zestig pleiten economen daarom voor regulerende heffingen. Als je vervuiling duurder maakt, rem je de consumptie van schaarse milieugoederen af. Maar wat ga je precies belasten, wie laat je betalen en wat doe je met de opbrengst? De economen zwijgen nu en de politici hebben het antwoord nog niet gevonden, zo bleek deze week tijdens de algemene en financiële beschouwingen in de Tweede Kamer.

De Europese Commissie heeft recentelijk een regulerende energieheffing voorgesteld die overeenkomt met 3 dollar per vat olie in 1993. Andere brandstoffen worden in dit voorstel navenant belast, waardoor energie 7 à 8 procent duurder wordt. Dat levert de schatkist in Nederland 2,5 miljard gulden op. In het jaar 2000, als de heffing is opgelopen tot 10 dollar per vat olie, bedraagt de opbrengst 8 miljard.

Minister Kok mag dat geld echter niet houden: de collectieve lastendruk mag niet stijgen en dus moet het geld worden teruggesluisd naar de samenleving. Hoe dat gebeurt, moet elke EG-lidstaat zelf weten. In Nederland, waar de commissie-Wolfson voor het kabinet de mogelijkheden van een regulerende heffing bestudeert, wordt vooral gedacht aan het goedkoper maken van arbeid (verlaging van sociale premies of loonbelasting).

Maar ook dit is vooralsnog theorie. Het kabinet heeft daarom voor de korte termijn een uitweg gekozen via de WABM, de Wet Algemene Bepalingen Milieubeheer die al sinds 1980 bestaat. Die brengt dit jaar 926 miljoen gulden in het laadje. Dat bedrag wordt volgend jaar verhoogd met 591 miljoen, in 1993 met 949 miljoen en in 1994 met 1120 miljoen. Althans, als het kabinet zijn zin krijgt. Voor 1993 lijkt de race gelopen; of de Kamer akkoord gaat met de verhogingen daarna, is nog maar de vraag.

De bezwaren tegen de WABM, of beter: tegen het gebruik van de WABM, leven niet alleen bij de oppositie maar ook bij de regeringspartijen, zo bleek deze week. Minister Kok (financiën) waarschuwde al voor budgettaire problemen, mochten de WABM-verhogingen nà 1992 het onderspit delven.

De bezwaren komen kort en bondig hierop neer: 1. De cumulatie in de loop van de jaren negentig van een regulerende energieheffing èn een WABM-heffing legt op een aantal zware industriële bedrijven een te zware last. Overigens komt van de extra WABM-lasten eenderde ten laste van de industrie en moet de rest vooral door de energiebedrijven worden opgebracht. 2. De WABM-opbrengst wordt oneigenlijk gebruikt. Wettelijk is de WABM-heffing geen regulerende maar een bestemmingsheffing: het geld wordt niet teruggesluisd maar gaat naar het ministerie van Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer (VROM). Minister Alders (milieubeheer) moet het geld volgens de wet aanwenden ter compensatie van milieuschade. In werkelijkheid worden er ook andere zaken mee gefinancierd, zoals het openbaar vervoer en milieuprojecten in de Derde wereld.

In antwoord op schriftelijke Kamervragen antwoordde minister Kok dat met de extra WABM-gelden de komende jaren “in de meerjarenramingen voorziene uitgaven” worden gefinancierd. Kan het vager?

De pragmatische aanpak die het kabinet hanteert, blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat de WABM volgend jaar niet met 550 miljoen maar met 591 miljoen gulden wordt verhoogd ter compensatie van de mislukte vaartuigenbelasting. Die was bedoeld om de reparatie van schade aan waterkanten te kunnen financieren. De 41 miljoen extra moet nu worden opgebracht door de betalers van WABM-heffingen. Dat zijn vooral de energiebedrijven (en via hen de huishoudens) en de industrie, het verkeer en de landbouw. Het uitgangspunt “de vervuiler betaalt” lijkt hier wel erg ver zoekgeraakt.

Nu milieuheffingen in toenemende mate worden gebruikt om de rijksbegroting rond te krijgen, stelde VVD-leider Bolkestein donderdag in een motie voor de opbrengst van alle “van rijkswege geheven heffingen” voortaan niet naar VROM maar naar Financiën te sluizen. Dat voorstel mag dan bij het CDA en in het bijzonder bij financieel woordvoerder Terpstra op steun rekenen, het brengt het uitgangspunt “de vervuiler betaalt” natuurlijk geen stap dichterbij. Veeleer wordt volgens de motie-Bolkestein de wet aangepast aan de gegroeide praktijk. De motie werd aangehouden.

Hetzelfde lot trof een andere motie, van Van Mierlo (D66). Die was dermate vaag geformuleerd dat geen weldenkend mens ertegen kon zijn. Van Mierlo's motie wees wel de juiste richting: de grondslag van de toekomstige regulerende heffing moet breder zijn dan de maatstaven die het kabinet nu voor de extra WABM-heffing hanteert (de energie-inhoud en de CO2-uitstoot). De vervuiling zelf moet worden belast.

Maar hoe? Dat liet Van Mierlo in het midden. In en buiten de Kamer worden als mogelijkheden genoemd een heffing op drinkwater (om de daling van het grondwaterpeil te stoppen), op veevoer (tegen de mest), op bestrijdingsmiddelen, op zand en grind, op chloor of op ammoniak. Kortom, een heffing op bulkstoffen zodat de inningskosten niet te hoog oplopen.

De opbrengst van zo'n toekomstige regulerende energie- of milieuheffing - die dus losstaat van de huidige WABM-bestemmingsheffing - moet, daarover bestaat Kamerbrede overeenstemming, worden gebruikt voor lastenverlichting op arbeid. Maar hoe?

Een enigszins uitgewerkt voorstel werd deze week alleen door Groen Links gepresenteerd. De prijs van aardgas en electriciteit moet volgens dit plan niet in 1992 met 7 of 8 procent worden verhoogd, zoals de Europese Commissie wil, maar in drie jaar worden verdubbeld. De opbrengst wordt geschat op structureel 17,7 miljard gulden en deels gebruikt om energiebesparende en milieu-investeringen te stimuleren. Het geld wordt echter vooral gebruikt om arbeid goedkoper te maken, door de basisaftrek in de loon- en inkomstenbelasting te verhogen en de AAW-AWBZ-premies met 3 procent te verlagen. Te fors en te snel, maar wel de goede richting, was het commentaar van een invloedrijke politicus: minister-president Lubbers.