OOST-EUROPA

Van Tallinn tot Tirana. Oost-Europa tijdens het interbellum door Jacques Neeven, Harm Ramkema (eindred.) en Erik van Schaijk 134 blz., Werkgroep Oost-Europa Projekten (Utrecht) 1991, f 28,90 ISBN 90 71875 09 1

In Oost-Europa komt de geschiedenis terug. Niet in letterlijke zin, wel in de vorm van namen die weer mogen, oude leiders die in ere worden hersteld, oude partijen bij wier tradities door nieuwe partijen wordt aangeknoopt. Oude koningen blijken nog te leven en taboes worden van hun mantels ontdaan. Verdrukte nationaliteiten melden zich weer of, sterker, trekken tegen elkaar ten strijde: wat in Joegoslavië gebeurt, heeft veel, zo niet alles, te maken met de onontkoombaarheid van de historische erfenis.

Hoogste tijd dus voor een boek dat de Oosteuropese landen tijdens de pre-socialistische periode een beetje belicht, en dan meer bepaald tijdens het interbellum, zo heeft men bij de Utrechtse Werkgroep Oost-Europa Projekten gedacht. Een heel nuttige gedachte, omdat de geïnteresseerde lezer die zich een beetje wil verdiepen in de vraag wat er onmiddellijk aan oorlog en communisme vooraf is gegaan, alleen terecht kan bij specialistische geschiedenisboeken die duizend jaar terugreiken.

In Van Tallinn tot Tirana. Oost-Europa tijdens het interbellum worden na een algemene inleiding van eindredacteur Harm Ramkema de kleine Oosteuropese landen - inclusief de drie Baltische staten - beknopt behandeld door acht verschillende auteurs. Ze beperken zich daarbij in de meeste gevallen strikt tot de periode van het eind van de Eerste tot het begin van de Tweede Wereldoorlog. Van dat schema wordt alleen afgeweken waar dat nodig lijkt, zoals in het geval van Albanië dat zich in 1912 onafhankelijk verklaarde, en in het geval van de Balkanoorlogen.

Het is met acht verschillende auteurs onmogelijk kwaliteitsverschillen te vermijden, hoe keurig ze zich ook allemaal hebben gehouden aan de opdracht zowel de intern-politieke als de buitenlands-politieke en de economische ontwikkelingen te belichten. Sommige bijdragen zijn wat vlak, om niet te zeggen bloedeloos en encyclopedisch uitgevallen met een opsommerige overdaad aan informatie. Dat is niet helemaal verwonderlijk gezien de beperkte ruimte (zo'n twintig pagina's per land) en de ingewikkeldheid van het thema. Maar in sommige gevallen stoort het, zoals in het eerste hoofdstuk, over de Baltische landen, die wellicht beter afzonderlijk van elkaar hadden kunnen worden behandeld. Nu wordt de lezer op- dan wel afgescheept met een hoofdstuk waarin in rap tempo wordt versprongen van land naar land naar land en weer terug, van de ene hoofdstad naar de volgende dictator, de volgende staatsgreep, het volgende ultimatum. Wat resteert, is vooral ademnood.

De andere auteurs lijden minder onder de ruimtedwang, al is daarbij niet steeds gezegd dat hun bijdragen aan overzichtelijkheid, helderheid en tempo winnen. De bijdrage van Jörg K. Hoensch over Tsjechoslowakije is wat mij betreft het best geslaagd: zijn uiteenzetting is glashelder en overtuigend. Hoensch rekent bovendien, zoals onlangs in deze krant Jána Blahová al heeft gedaan, af met de hardnekkige mythen over de wijsheid van de vooroorlogse president Tomás Masaryk, de man die niet alleen aan de wieg van Tsjechoslowakije heeft gestaan maar ook de kiem heeft gelegd voor veel problemen die het eind van de Eerste Republiek aanzienlijk hebben bespoedigd. Hoensch doet wat sommige andere auteurs nalaten: hij schetst kaders en analyseert, waardoor de historische band met het heden gestalte krijgt. Dat is trouwens ook Sorin Alexandrescu met zijn bijdrage over Roemenië gelukt.