Noud Cals over zijn vader mr. Jo Cals en het einde van diens kabinet; "Hij was geen bezeten man, eerder: bevlogen'

Zondagnacht is het voor Noud Cals (46) precies vijfentwintig jaar geleden, dat hij met de andere leden van het gezin, inclusief zijn vader, de premier, bij een goed glas wijn in het Catshuis - hun woonhuis - napraatte over de gebeurtenissen van die nacht, die later als de Nacht van Schmelzer de geschiedenis zou ingaan. Het was de nacht waarin er niet alleen een einde kwam aan het kabinet-Cals, maar ook aan de politieke carrière van mr. Jo Cals.

“Mijn moeder en ik hadden tijdens de nacht in de loge van de Tweede Kamer gezeten”, herinnert hij zich. “Dat was niet gebruikelijk en mijn vader zal er ook zeker niet op aangedrongen hebben. Mijn moeder wilde er zelf naartoe en toen ben ik maar meegegaan. Toen we terugkwamen, zijn de twee jongsten uit bed gekomen en heeft mijn vader het een en ander verteld, zoals over zijn contacten met Marga Klompé. Hij was heel teleurgesteld, maar niet overgeëmotioneerd. Hij was een man die zijn emoties altijd met grapjes en relativeringen bedekte. Hij was zeker geen gesloten man, hij was zelfs een prettig causeur, maar hij liet niet diep in zich kijken.

“Mijn vader werd zelden echt boos, ook in de familiekring niet. Het ging er bij ons thuis nog ouderwets aan toe, hij was een echte pater familias, iemand die in het gezin zijn privileges had. Ik ben de tweede zoon - na mij komen nog twee zusjes en een broer - en ik moet zeggen dat ik mijn vader heel weinig heb meegemaakt. Dat was, achteraf bezien, het grote probleem. Je kende hem niet, want hij was er nooit. Als je problemen had, ging je naar moeder toe - zij heeft ons grootgebracht.

“In de tijd dat hij minister was - van 1952 tot 1963 - zagen wij kinderen hem alleen 's zondags bij het eten. Door de week was hij er praktisch nooit. Hij kwam als wij uitgegeten waren. Dan at hij snel iets met mijn moeder en vervolgens ging hij op zijn kamer weer aan het werk. Ik heb wel eens een tikkeltje dramatisch gezegd: ik heb pas op mijn achttiende een vader gekregen. Dat was de periode van 1963 tot 1965, toen hij het als gewoon Kamerlid - voordat hij premier werd - wat rustiger kreeg. Mijn jongste zus, een nakomertje, heeft hem misschien wel het beste leren kennen. Op zijn sterfbed zei hij: "Net nu ik Marga leer kennen, lig ik dood te gaan'. En zij zei: "Het was toch best een aardige man'.

“Hij was geen bezeten man, eerder: bevlogen. Hij genoot van het politieke bedrijf, het debatteren vond hij heerlijk. Ook de ceremoniële kant van zijn functies vond hij leuk. Dan bewoog hij zich als een vis in het water. Wel moest alles goed georganiseerd zijn, want hij was een perfectionist. Mijn moeder moest van de ceremoniële aspecten niets hebben. Mijn vader steunde erg op haar. Marga Klompé heeft wel eens gezegd: "Zonder je moeder had hij het nooit gered'. Van die sterke emotionele band tussen mijn ouders was ik me niet bewust, dat hielden ze voor zichzelf.

“Marga Klompé was voor ons tante Marga, tevens peettante van mijn zus. Ze was zijn beste vriendin in de politiek, iemand die veel bij ons thuis kwam. Haar steun aan Schmelzer in "de nacht' heeft hun vriendschap niet blijvend geschaad. Ze is aan zijn ziekbed geweest en ze heeft mijn moeder na zijn dood nog vaak opgezocht. In de politiek had mijn vader verder geen grote vrienden, maar uitgesproken vijanden had hij evenmin.

“Natuurlijk voelde hij zich die nacht door Schmelzer in de steek gelaten, maar hij was in staat later met zo iemand zakelijk te blijven omgaan. Ikzelf geloof niet dat Schmelzer toen moord met voorbedachten rade heeft gepleegd, zoals Vondeling later heeft beweerd. Maar het was wel duidelijk dat de KVP zich ongemakkelijk begon te voelen en op een redelijke manier van de coalitie wilde afkomen.

“Mijn vader was ervan overtuigd dat een rooms-rode coalitie de beste weg was voor ons land. Toen die mogelijkheid er niet meer was, had hij geen zin meer in het premierschap. Voor de PPR kon hij niet kiezen toen het er op aan kwam, al heeft hij dicht bij een afscheid van de KVP gestaan. Hij had zijn carrière aan de KVP te danken - dat heeft zeker meegespeeld. Maar het was niet alleen een kwestie van dankbaarheid, hij was ook echt aan die partij verknocht.”

Na zijn premierschap deed zich voor Cals iets wonderlijks voor: hij kon nauwelijks meer een geschikte functie vinden. Het hem aangeboden burgemeesterschap van Den Haag en Nijmegen wees hij af vanwege de representatieve werkzaamheden, waarvoor zijn vrouw niets voelde. Commissariaten werden hem door het bedrijfsleven nauwelijks aangeboden, omdat - zo vermoedt zijn zoon - "economie niet vaders sterkste punt was'. Er bleven alleen tijdelijke functies of deeltijdfuncties over: voorzitter (met A.M. Donner) van de Staatscommissie van advies inzake de Grondwet en de Kieswet; commissaris-generaal voor de Nederlandse uitzending naar de wereldtentoonstelling in Japan; voorzitter van de NOVIB; president-commissaris van Elsevier. Noud Cals: “We pestten vader wel eens een beetje ermee: voorzichtig met geld, want vader heeft nog geen echte baan.”

De situatie werd echter ronduit pijnlijk toen Cals in 1970 - ruim een jaar voor zijn dood - bij KVP-voorzitter Van der Stee moest aandringen op een maatschappelijke functie. De KVP-top wil hem dan terughalen in de politiek - als minister en eventueel zelfs als premier - maar Cals houdt die boot af. Hij zegt dat hij Biesheuvel acceptabel acht als premier, maar Van der Stee vertelt hem dat die op grote bezwaren stuit bij Schmelzer, Klompé en De Jong.

In het verslag van die bespreking met Van der Stee schrijft Cals: “Van der Stee blijft erop aandringen dat ik in ieder geval de kwestie van het ministerschap open zal houden en geen verklaringen zal afleggen waaruit blijkt dat ik in geen geval in een Kabinet zitting zou willen nemen. Ik: herhaal de irrealiteit en wijs op de zekerheid die voor mijn gezin gewenst is.”

“Vergeet niet dat hij vier studerende kinderen had”, zegt Noud Cals.

Niet lang daarna wordt Cals ernstig ziek. De eerste verschijnselen van kanker openbaren zich en hij zal ten slotte zes maanden lang aan zijn ziekbed in het Westeinde-ziekenhuis in Den Haag gekluisterd liggen. “Een grote lijdensweg”, zegt zijn zoon. “De laatste twee maanden was hij niet meer aanspreekbaar, niemand werd meer bij hem gelaten. Daarvoor was er nog elke zondag een mis aan zijn bed. Hij heeft ook zelf zijn uitvaartmis geregeld. Hij is naderhand niet opgebaard, er was te weinig van hem overgebleven. Het moet voor hem een heel moeilijk proces zijn geweest. Toen hij pas in het ziekenhuis lag, kreeg hij zware pillen. Als hij mijn moeder dan belde, begon hij wartaal te spreken. Hij had het zelf in de gaten en heeft toen gevraagd de telefoon weg te doen.”

Cals overleed, 57 jaar oud, op 30 december 1971. Zijn vrouw, Truus Cals-Van der Heijden, dochter van een hoogleraar die hij tijdens zijn Nijmeegse studietijd had leren kennen, stierf elf jaar later.

Zoon Noud is werkzaam als Inspecteur van de Rijksfinanciën op het ministerie van financiën. “Ik schrijf nu voor Kok het type nota's waarmee mijn vader die grijze loodgieterstassen vulde die hij altijd voor het weekeinde mee naar huis nam.”

    • Frits Abrahams