Nederlands geen wereldtaal en zal dat ook niet worden

BRUSSEL, 12 OKT. “Nogtans sal jij aan mij gebonden bly Met die onsigb're naelstring wat niet breek.”

Met dat citaat van de Zuidafrikaanse dichteres Elisabeth Eybers besloot vanmiddag de Nederlandse minister van Onderwijs en Wetenschappen, dr.ir. J. Ritzen, zijn redevoering op het gisteren en vandaag in Brussel gehouden colloquium "Nederlands in de wereld'.

Datzelfde citaat werd overigens gisteren al aangehaald door de Zuidafrikaanse hoogleraar Tony Links om aan te duiden dat ook in Zuid-Afrika de banden met het Nederlands onverbrekelijk blijven, ondanks huids- of politieke kleur.

"Het leven hangt soms af van een draadje, verniel daarom deze telefoon niet', had hij op een telefooncel zien staan bij aankomst op Schiphol. “Datzelfde geldt voor de navelstreng tussen het Afrikaans en het Nederlands”, zo hield professor Links zijn gehoor voor.

Een internationaal colloquium met deelnemers uit negen landen waar geen woord "over de grens' wordt gesproken. Dat is de unieke gebeurtenis die de Vlaamse Raad, de volksvertegenwoordiging van Vlaanderen, deze twee dagen heeft georganiseerd om aandacht te schenken aan de positie van de Nederlandse taal in de wereld, een volgens minister Ritzen “waardevol initiatief”.

Meer dan honderd vertegenwoordigers uit Nederland, Vlaanderen, Frankrijk, Zuid-Afrika, Namibië, Indonesië, Aruba, Suriname en de Nederlandse Antillen waren in Brussel verzameld om in de grandioze zalen van het Belgische parlementsgebouw en het Egmontpaleis te discussiëren over hun speciale band met het Nederlands. Voor Nederlanders een voor de hand liggende zaak, maar voor de Vlamingen een verworvenheid waar een eeuw moeizame strijd aan voorafgegaan is.

Voor Ritzen zijn er voornamelijk nuchtere cijfers: er zijn 21 miljoen Nederlandssprekenden in Europa, daarmee neemt het Nederlands in de Europese Gemeenschap de zevende plaats in, vóór Grieks en Deens. Buiten Europa zijn er nog ongeveer een miljoen sprekers van het Nederlands, emigranten en bewoners van al of niet voormalige Nederlandse gebiedsdelen.

Op basis daarvan meent Ritzen dat er niet gestreefd moet worden naar een “agressieve Néerlandophonie”. “Het Nederlands is geen wereldtaal en pretendeert dat ook niet te worden”, zo vond Ritzen. Niettemin was de Nederlandse minister het eens met het vrij algemene pleidooi dat de rol van de Nederlandse Taalunie, het verdrag dat in 1980 werd gesloten tussen Nederland en Vlaanderen over wederzijdse normering van het Nederlands, moet worden uitgebreid tot buiten de Europese grenzen. Ritzens gedachten gaan in dat verband naar “associatieverdragen met een aantal landen die prioriteit geven aan de samenwerking op het gebied van de Nederlandse taal”. Dat wil zeggen: aansluiting bij de doelstellingen van de NTU, gemeenschappelijke ontwikkeling van de Nederlandse taal, bevordering van de kennis en het verantwoorde gebruik van die taal, bevordering van de Nederlandse letteren en bevordering van de studie van die taal en letteren in het buitenland. De deelnemrs aan het colloquium, veelal afkomstig uit de wetenschap en de cultuur, leken daar in elk geval gaarne toe bereid. Nu hun regeringen nog.