Museum van de herinnering

Op de Achterpagina van de krant van afgelopen dinsdag stonden mooie regels over een kleine, bijzondere gebeurtenis uit een historisch jaar waar we betrekkelijk weinig van weten. Mooi is eigenlijk het woord niet, maar ik zou zo gauw geen beter weten. Het was een kostbare anekdote over een pijnlijke geschiedenis die zich in het najaar van 1945 minder in woord dan in gebaar in een Amsterdamse school had afgespeeld.

Michiel, een eersteklasser van het Vossiusgymnasium uit de lichting 1945-'46 (die nu een midden-vijftiger moet zijn) vertelde aan Alfred van Cleef hoe zijn toenmalige geschiedenisleraar Jacques Presser in verlegenheid raakte toen hij een vraag stelde die hem geheel uit zijn evenwicht bracht. Argeloos had hij gevraagd “Waarom nu pas en niet eerder?” nadat Presser had verteld dat zijn boek over Napoleon eindelijk zou uitkomen. Presser had geen antwoord gegeven, maar hem zwijgend aangekeken en naar buiten gestaard voordat hij de les had vervolgd. Thuis hoorde Michiel waarom (de toen nog niet beroemde) Presser het boek vijf jaar lang niet had kunnen publiceren en drong het tot hem door welke gaffe hij had gemaakt.

De verwarring van Presser (waarover deze zelf nooit heeft geschreven en er ook geen gewag van maakt in zijn Gesprekken met Philo Bregstein) steunt op een herinnering die de Engelstalige historicus en columnist van The Observer, Michael Ignatieff voor "de essentie' van geschiedenis houdt. “De enige geschiedenis die echt bestaat, is de geschiedenis die ligt opgetast in het geheugen van levende mensen”. De in Canada, uit Russische ouders geboren Ignatieff heeft in zijn familiegeschiedenis (The Russian Album, uitgegeven door Penguin Books, Londen, 1988; ook in Nederlands vertaald) een verhandeling geschreven over de betekenis van de herinnering voor de geschiedschrijving. Ignatieff, wiens grootvader minister van onderwijs was in de laatste regering van de tsaar, houdt daarin een pleidooi voor een hogere waardering van de herinnering in de geschiedwetenschap. Het professionele gilde van geschiedschrijvers laat die bron weliswaar niet geheel ongebruikt (oral history bestaat grotendeels uit gesproken herinnering), maar beseft volgens hem te weinig dat “de mooiste geschiedenis nog onontgonnen in de hoofden van de mensen zit'.

Ignatieff gaf zich daar rekenschap van toen hij in zijn jeugd - een jaar of dertig geleden - een oude Amerikaanse neger op televisie hoorde die in Liberia was opgegroeid en de laatste Amerikaan was die nog onder de Afrikaanse slavernij was geboren. Na zijn dood zou er niemand meer zijn die uit eigen ervaring de slavernij in Afrika had gekend. Latere historici die zich in de geschiedschrijving over de slavernij zouden verdiepen, zouden dat authentieke moment nooit meer kunnen achterhalen als ze niet over de getuigenissen van de slaven (die geen boeken schreven) beschikten. Zodra de herinnering met de mensen die het hebben meegemaakt is verdwenen, verdampt alle menselijke ervaring uit een bepaalde tijd en zijn volgens Ignatieff de volgende generaties veroordeeld tot het bestuderen van historische mythes. Dat is een waarschuwing die hout snijdt en die op de Nationale Archievendag (vandaag) alle aandacht verdient. Wat Nederland betreft, is dat een passende gelegenheid om te pleiten voor een wetenschappelijke exploratie van de herinneringen die in het jaar van Jacques Pressers terugkeer op het Vossiusgymnasium in de roes van de Bevrijding onder de voet zijn gelopen.

Negentienvijfenveertig is niet alleen het bevrijdingsjaar waarin een einde kwam aan bezetting en vervolging, maar het is ook het jaar waarin een kostbaar deel van het nationale geheugen verloren is geraakt. Het verhaal over het Vossiusgymnasium mag een minuscule tragedie zijn, het is representatief voor het Grote Zwijgen dat toen begon. Dat zwijgen beheerste kampslachtoffers die na hun terugkeer niet over hun vernederingen durfden praten, maar ook overlevenden die na de bevrijding geen familie meer aantroffen of geen belangstelling voor hun kampervaringen ondervonden. Vele kinderen die hun ouders hadden verloren moesten er van hun pleegouders over zwijgen “omdat je je ouders met praten niet terugkrijgt”. Het grote zwijgen strekte zich uit tot een veel ruimere kring, die pas vele jaren na de oorlog duidelijker contouren kreeg. Ze omvatte verzetsmensen die jarenlang niet over hun onverwerkte psychische problemen hadden kunnen praten zo goed als kinderen van NSB-ouders die de last van de geschiedenis in onbespreekbare schaamte met zich hadden meegedragen en kinderen van gevallen verzetshelden en gesneuvelde militairen wier verlies in de jaren van wederopbouw en dynamisch vooruitzien onvoldoende aandacht had gekregen.

Uit historiografisch gezichtspunt is 1945 (na de bevrijding) een hoogst merkwaardig jaar. Er zijn maar weinig boeken over het dagelijks leven in dat eerste naoorlogse jaar, hoegenaamd geen geschriften die de sfeer en de gemoedsstemming van die tijd goed weergeven en nauwelijks beschrijvingen waarin de Nederlander van toen, oorlogsslachtoffer of niet, psychologisch is geobserveerd. Even wonderlijk is het ontbreken van historische reflectie in dat psychologische kader op de voorgaande vijf jaren in de kranten van 1945. Pas tegen het einde van 1946 verschijnen in de voormalige verzetskrant Het Parool - die in dat jaar al een zeer grote oplage heeft - de eerste reportages over de in Duitsland ontdekte (!) concentratiekampen. Maar over de inwendige conditie van de slachtoffers die de kampen hebben overleefd, over hun aanpassingsproblemen, over hun ervaringen met de soms onaandoenlijke naoorlogse bureaucratie (die in de Amsterdamse woningdistributie op grote schaal woningen "weggeeft' zonder zich ervan te vergewissen of de oorspronkelijke bewoners nog in leven waren) - geen woord. Over de ervaringen van de terugkerende kooplieden en winkeliers, die het vege lijf hadden gered en door de concurrentie op kersvers antisemitisme werden getracteerd, evenmin. Noch over al die duizenden andere voorvallen van min of meer gelijke orde die het verstand van een normaal mens te boven gaan. Er werd niet over geschreven omdat de Grote Vooruitgang was ingezet. Er werd niet over gepraat omdat het grote vergeten het herinneren smoorde. De geschiedschrijving van de herinnering heeft nog heel wat goed te maken.

P.S. Vandaag houden de archiefinstellingen in Nederland ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Koninklijke Vereniging van Archivarissen open huis. Deze Nationale Archievendag is volgens de bonisseurs van de vereniging “een ideale gelegenheid voor een nadere kennismaking met een voor velen minder bekend, maar zeer rijk onderdeel van de Nederlandse cultuur”. Bij die uitstalling wordt de aandacht gevestigd op de doorgaans voor het publiek gesloten archiefdepots, op waardevolle historische documenten, kaarten en oude films, restauratie- en conserveringstechnieken en op de hulp die beschikbaar is voor het verrichten van genealogisch onderzoek. Maar laten we volgend jaar ook alvast een begrotingspost reserveren voor een museum van de herinnering.

    • H.A. van Wijnen