Man's best friend

Tot gisteren was in mijn tuin het geraniumseizoen voorbij: alle vier soorten die ik heb (Geranium himalayense, G.sanguinum, G.macrorrhizum en G.phaeum) hadden tenslotte opgehouden met bloeien. Ze hadden, in estafette, de toorts aan elkaar doorgegeven sinds de maand mei, gezamenlijk massa's blauwe, magenta en witte bloemen voortbrengend. Als planten huisdieren waren zouden deze geraniums, of ooievaarsbekken, de essentie van het hondachtige vertegenwoordigen: dat een beetje uitsloverige, ietwat sentimentele en nogal harige soort honden - gewoonlijk van de melkboeren-variëteit: Skipper uit De hondenmatroos is het oertype.

Met geraniums is iets hinderlijks aan de hand: hun Latijnse naam wordt in het gewone taalgebruik geüsurpeerd door een verwante soort, de pelargonium. De pelargonium heeft een heel andere plaats in de samenleving dan de winterharde geranium: in de zomer snuffelen ze wat rond in gemeenteplantsoenen en op vensterbanken, en 's winters moeten ze binnenshuis worden vertroeteld als schoothondjes met een wollen jekkertje. Maar de winterharde geranium kan overal tegen; de meesten zijn dan ook oorspronkelijk inheems in Europa. Sommige behouden zelfs de hele winter hun kleed.

Als je uit bent op een voethoge klomp bladeren die tussen hogere planten of heesters in moet staan (als bedekker van de kale benen van een hydrangea bijvoorbeeld), iets dat zich als een waterval over een rand of een oever zal storten, dat het hele seizoen door zal bloeien, of iets dat gewoon voor zichzelf zorgt, dan is de ooievaarsbek de hond die je zoekt. Hij is niet opzichtig; niet-tuiniers zullen hem niet bewonderend aangapen zoals zij bij een Afghaan of Ierse wolfshond zouden doen, maar in ieder ander opzicht is hij van onschatbare waarde. Waarachtig, als je ziet hoe gehoorzaam en gewillig ze groeien, ben je geneigd om te zeggen: "Brave plant'.

De eerste die ik verkreeg, Geranium himalayense, vroeger bekend als G.grandiflorum, kocht ik op advies van Robin Lane Fox. Hij beschrijft hem (in Better Gardening) als "de klassieke Geranium, genaamd grandiflorum, wiens vloed van bloemen begint in juni en die de lichte plekken vormt op die plezierige Edwardiaanse schilderijen van borders en pergola's, vereeuwigd op het hoogtepunt van de zomer'. Zoals alle doeltreffende reclameteksten bevat deze beschrijving zoveel evocatieve woorden dat het moeilijk is vast te stellen welke mij er op uit deed gaan om de plant te kopen: het zou die gedachte van een Edwardiaanse zomer kunnen zijn geweest, het visioen van nooit eindigende zomers in de jaren van voor de Eerste Wereldoorlog, van theedrinken op de grasvelden en van vrouwen met wondermooi versierde hoeden. Vreemd dat er nog een ander beeld bij in gedachten komt: de dochter des huizes in de armen van een jeugdige plattelander op de hooizolder.

Vreemd ook dat het deel van de beschrijving dat niet bleek te kloppen juist dat hartje zomer is. Niet dat de Edwardiaanse geranium dan niet bloeit, maar hij begint in april; vorig jaar, op 21 april, was het van mijn eerstgekochte planten de eerste waar een bloem aan kwam. Deze bloemen zijn van een schitterend paarsachtig blauw en steken gretig boven het gebladerte uit als honden die wachten op het moment dat ze een weggegooide stok achterna mogen rennen. Als je ze hun gang laat gaan krijg je later weer nieuwe bloemen; en als je de bloemstengels snoeit, zoals ik dit jaar na de tweede bloei heb gedaan, komen er al snel nog meer bloemen en bovendien ziet de plant er dan wat ordelijker uit (de bloemstengels hebben namelijk de neiging languit te gaan liggen).

Van de planten gaat een indruk van blakende gezondheid en kracht uit, die tot grote tevredenheid stemt; van onderen komen er steeds nieuwe loten uit die zich ontvouwen tot nog meer bladeren; dan zien de bloemen er popelend uit, alsof ze klaar staan om mee uit te mogen op een flinke wandeling. Het enige dat mij soms kwelt is de gedachte dat het een andere soort zal blijken te zijn, bekend als "Johnson's Blue', die er bijna niet van is te onderscheiden, tenminste op foto's. Ik weet niet waarom ik mij daar zo bezorgd om maak, ik ben volkomen gelukkig met de planten die ik heb, maar het zou me teleurstellen als ze tenslotte toch niet Edwardiaans bleken te zijn.

Een andere die maar doorgaat met bloeien is G.sanguineum, de bloedooievaarsbek, die iets nederiger is dan zijn Himalayaanse bloedverwant. Zijn bladeren zijn kleiner en komen, op de beschaduwde plek waar ik hem heb neergezet, niet zo hoog. In een ongelofelijk korte tijd (hij werd deze lente geplant) heeft hij alle beschikbare ruimte gevuld met elegant gebeeldhouwde heuveltjes. Ik zou zelf niet dadelijk aan bloed hebben gedacht bij het beschrijven van de kleur dezer bloemen, het rood heeft wat paars door zich heen, maar misschien is dat het dichtst dat de natuur er bij kon komen.

Op de donkerste plekken van de tuin heb ik twee witbloemige geraniums: G.macrorrhizum "Album' en G.phaeum "Album'. De eerste groeit in diepe schaduw en woestijnachtige droogte; je kunt, zoals Graham Stuart Thomas zegt, "absoluut van hem op aan'. Dit is bodembedekking op zijn best: geen onkruid komt er door, hij geeft massa's bloemen (helaas maar één keer), de bladeren zijn geurend en hij is min of meer groenblijvend. In het voorjaar hakte ik er wat van af en plantte dat op een nog drogere plek aan de voet van een kastanjeboom, waar hij zonder morren overleeft. Hij is zo sterk dat hij, als hij door een voetbal werd getroffen, deze vermoedelijk terug zou gooien.

De G.phaeum, oftewel weduwe-in-de-rouw, heeft in zijn oorspronkelijke gedaante donkere dieppaarse bloemen die mooi zijn maar niet erg geëigend voor een plek die ook al donker is. Ik koos de witte variëteit, die gewillig maandenlang gebloeid heeft op een plek onder de Noordmuur, waar de zon alleen op de langste dag van het jaar een paar seconden schijnt. Hij lijkt geen bosjesvormer te zijn, tenminste nog niet, de stengels zijn zowat zestig centimeter lang en een beetje onregelmatig, maar de bloemen zijn mooi. De bedoeling was hem op een tijdelijke plaats neer te zetten, teneinde een zich wat lelijk ontwikkelende jonge Hosta sieboldiana te maskeren, maar als die hosta groter wordt zal er iets moeten gebeuren. Ik weet alleen nog niet wat.

De reden dat het geraniumseizoen nu opeens weer niet voorbij is, is dat kennissen van ons bezig zijn hun tuin totaal overhoop te halen. Wilden we wat planten, vroegen ze, en voegden er verleidelijk aan toe dat ze rose geraniums hadden. Ik herinnerde mij die geraniums, het zijn (daar ben ik bijna zeker van) G.endressii, lyrisch aanbevolen voor droge schaduw door Lane Fox. Ik had dan ook meteen een plaats voor ze, een plek waar deze zomer alles verdorde en de geest gaf, zelfs planten die het vorig jaar heel goed gedaan hebben, doordat boven hun hoofden een ontmoeting plaatshad tussen de beuk en de peer.

Er waren nog meer gegadigden maar gelukkig kreeg ik een grote bos van deze plant toegewezen, vol roze bloemen, ik bracht haar zo vlug ik kon naar huis en zette haar in de grond. Instant tuinieren, al het harde werk gedaan door iemand anders: wat wil je nog meer. "Je realiseert je toch wel,' zeiden onze vrienden, "dat je flink moet terugsnoeien zodra je ze geplant hebt.' "Natuurlijk', zei ik luchtig. Maar toen puntje bij paaltje kwam kon ik het niet. Het is, zoals Lane Fox opmerkt, "geen ordelijke plant', maar desondanks ziet hij er, net als zijn verdere familie, zo geestdriftig uit, als een feestganger klaar om zich in het gewoel te storten: wie kan zich er toe brengen hem de oren en de staart te couperen nadat hij net een nieuw thuis heeft gevonden?

    • Sarah Hart