Het niveau van de Nederlandse journalist is te laag

De journalist Jan Blokker is onlangs benoemd tot bijzonder hoogleraar in de persgeschiedenis aan de Erasmus-universiteit in Rotterdam. De leerstoel aan de Erasmus-universiteit is ingesteld door de Maarten Rooijstichting, die is opgericht door de hoofdredactie van NRC Handelsblad. Blokker (63) is bekend als venijnig columnist, auteur, filmscriptschrijver en televisiemaker. Hij studeerde enkele jaren Nederlands en geschiedenis, en werkte bij Het Parool, Algemeen Handelsblad, Volkskrant en VPRO. Een interview over zijn plannen en meningen als media-geleerde. "Ik neem aan dat de studenten er zijn om het werk te doen.'

Van journalisten kun je nooit zeker zijn. De een weigert een koninklijke onderscheiding omdat hij bang is zijn positie als franc tireur te verliezen. De ander accepteert sierlijk een ridderorde, al was het maar voor de kinderen, maar hij wil, zoals Blokker, niet Ruud of Wim zeggen, Excellentie is het beste. Afstand houden uit angst om aardig gevonden te worden of erger: uit angst om aardig te vnden. Zachtheid van karakter dus. En zelfbehoud, want een columnist die mededogen heeft doet aan eenzijdige ontwapening. Maar hoe zit het met een hoogleraarschap - is dat niet de definitieve bijzetting in het establishment?

""Welnee. Ik vind het mooi om op mijn oude dag de fakkel door te geven, en op een zeker abstractieniveau over het vak na te denken. Journalisten doen dat te weinig. Maar de reacties zijn interessant. Afgezien van familie en vrienden die het doodgewoon leuk vonden, was er een zekere besmuiktheid, vooral in de journalistieke hoek. Iets lacherigs: een journalist wordt toch zeker geen hoogleraar? Dat zegt iets over de verhouding met de wetenschap. Bij veel kranten heerst nog de opvatting dat je het best één jaar mulo kunt hebben om een goeie verslaggever te worden.

""Dan zijn er mensen, zoals mijn nog levende en krasse schoonouders, die een soort eerbied in hun stem krijgen. Als schrijver van stukjes in kranten heb ik kennelijk onderaan de sociale ladder gebungeld, maar nu ben ik met stip in de sociale toptien terecht gekomen. Vooral oudere mensen vinden professor worden nog het hoogst bereikbare. En dan bijzonder hoogleraar!''

Waarom wordt er zo weinig nagedacht over de journalistiek?

""Dat weet ik niet precies. Als je in de persgeschiedenis kijkt en je wilt iets opzoeken dat misschien relevantie heeft voor het heden, kom je niets tegen. Er zijn in Nederland geen grote boeken over journalistiek geschreven. Wel artikelen en meningen, of gedenkboeken zoals van Hemels over de Volkskrant, maar dat is meer politicologie en sociologie dan persgeschiedenis. Er bestaan eigenlijk geen echte studies, met uitzondering van de puur juridische-ethische kanten van het vak. Hetzelfde geldt overigens voor televisie - tot mijn grote spijt - en voor het boekenvak. Je zou toch zeggen dat het allemaal vehikels van cultuuroverdracht zijn, dus de moeite waard.

""Ik geef een voorbeeld. Het is toch merkwaardig dat er niets is gepubliceerd over grote hoofdredacteuren van de laatste eeuw? Mensen als Goeman Borgesius, Boissevain, Lücker, niet te vergeten. Lücker moet toch een heel interessante man zijn geweest. Nog altijd hangt om hem een mythe: waarom is het misgegaan bij de Volkskrant, is er een coup tegen hem gepleegd of niet? Tegelijkertijd moet ik vaststellen, mag ik vaststellen, dat hij een grote rol heeft gespeeld na de oorlog. De infrastructuur van de Volkskrant, de opmaak en de indeling van de rubrieken is niet de laatste tien of twintig jaar bedacht - die komen van die rare Lücker. Over hem bestaat niets, tida ada . En onderwerpen als het primaat van het nieuws, hoor en wederhoor, collectieve dwalingen, objectiviteit, de effecten van artikelen - daar hoor je journalisten zelden of nooit over praten.''

Hoe is die vreemde houding van journalisten tegenover wetenschap te verklaren?

""Ik verdenk journalisten er altijd van dat ze een soort minachting hebben voor een academische studie. Ze zien niet in dat het nuttig is om althans een paar jaar kennis te maken met het systematisch nadenken op enig abstractieniveau, het bij elkaar halen van bronnen, zien hoe zaken aan elkaar gerelateerd zijn. Dat leer je niet op de ambachtsschool, niet op de mulo, niet op de school voor de journalistiek. Daar is die universiteit nu eenmaal voor. En natuurlijk voelt iemand die na een universitaire opleiding op een krant komt zich als een kat in een vreemd pakhuis. Hij moet onder de douche om zijn onzin kwijt te raken en vooral zijn wetenschappelijke geweten, want dat is niet der journalistiek. Daarom is die post-academische studie journalistiek zo goed en vind ik het énig om eraan mee te doen.

""Als het lukt om een doctorandus binnen twaalf maanden bij te brengen wat journalistiek is dan heb ik hem honderd maal liever dan zo'n laag-voorhoofdige muloscholier met diploma school voor de journalistiek. Het wordt langzaam beter, moet ik erkennen, maar ik vind het gemiddelde niveau van de Nederlandse journalist nog te laag. Je komt ze ook nooit tégen, ze lezen geen boeken, gaan niet naar concerten. Een goed journalist moet uit vele vaatjes kunnen tappen.''

Als je massacommunicatie, politicologie en sociologie terzijde schuift, wat blijft er dan over van persgeschiedenis?

""Wat over blijft is: hoe is het gegaan, púúr historisch. Willem Visser heeft bij het 125-jarig bestaan van het Handelsblad een geschiedenis geschreven, en dat is een póging. Maar het is een gedenkboek zoals je er veel vindt, dus met een bepaald karakter. Die tref je ook bij uitgeverijen, vooral de 19de-eeuwse zoals Boom, Kluwer, Tjeenk Willink. Die waren heel belangrijk voor wat er überhaupt gelezen werd, want ze gaven boeken uit maar ook kranten, om de persen te vullen. Je komt er helaas niet achter waaróm ze bepaalde lectuur en literatuur kozen. Als je dat op een goeie historisch verantwoorde manier onderzoekt, dan bereik je een zeker abstractieniveau en krijg je inzicht hoe machten en invloeden op elkaar inwerkten.

""De verhouding Lücker, Romme en de KAB, de katholieke vakbond, is volgens mij nooit bestudeerd, noch de invloed van de VVD op Algemeen Handelsblad of de NRC. Wij weten dát die er was, niet de omvang. We weten dat er een eind aan is gekomen, maar niet precies hoe. Die twee kranten verloren lezers. Alleen omdat de achterban, het oude VVD-bestand wegliep? Waarom liep die weg?''

De leeropdracht is: persgeschiedenis, in het bijzonder de persvrijheid. Wat gaat professor Blokker over de persvrijheid zeggen?

""Ik ben niet geneigd om allerlei case-histories te behandelen, die heel feitelijk en legalistisch gaan over frustratie van de persvrijheid, of over censuur. Mij interesseert nu meer hoe het was gesteld met vrijheid binnen zo'n krant. Op redacties zijn altijd mensen geweest die het journalistiek hoog in de bol hadden, maar die te maken kregen met directies en advertenties, en druk uit de achterban. Dat is heel duidelijk in de grote periode van de verzuiling, dus van ongeveer 1870, wanneer in Nederland op klein niveau de massapers begint, tot ruim 1960. Ik vind dat interessanter dan de 20.000 scripties die per dag worden gemaakt over massacommunicatie, bijvoorbeeld over geweld op de televisie. Dat is zo'n raar vak met veel algemene komplikaatsies weet je wel, daar leren we niets van.''

Als er zo weinig materiaal is, wat gaat de hoogleraar dan vertellen?

""Haha, ik krijg het nog druk de komende maanden, en ik heb beloofd mijn columns te blijven schrijven. Maar in alle onschuld neem ik aan dat studenten er zijn om het werk te doen. Hoogleraren hebben prachtige gedachten, bepaalde vermoedens, ontdekken gaten in het terrein van de wetenschapsbeoefening en daar sturen ze hun kleine slaafjes op af. Die doen het grondwerk, en ik hang daar theoriën boven of ik schuif ze er onder. Zo werkt het.

""Er moet nog veel materiaal te vinden zijn. De uitgeverijcultuur, zeker in de regio, was die van kleinschalige familiebedrijven. Daarom denk ik dat er nog veel op zolders ligt. Daar moet te vinden zijn waarom het met kranten die kant uit ging en niet dié kant, hoe ze hun plaats vonden in de verzuiling of niet.

""In het Persmuseum of de UB zie je voornamelijk officiële publikaties, dus de gedenkboeken van bijna altijd hielelikkerige auteurs, meestal een redacteurtje die een jaar vrijaf mocht en het wel uit z'n hersens liet om te schrijven dat de hoofdredacteur de boel fleste, of welke belangengroepen het redactionele beleid beïnvloedden.

""Toch gebeurde dat, en niet alleen op nationaal niveau. Ik weet toevallig dat op het eind van de vorige eeuw een groepje deftige liberale burgers in Zutphen een krant hebben opgericht, en dat is nagevolgd door een krant van drie liberalen in Ridderkerk, dat was toen nog een antirevolutionair bolwerk. Het kostte natuurlijk niet zo veel om een krant te beginnen, één redacteur in een huiskamer en een abonnement op nieuwsbureau Vaz Diaz. Of niet, want er stond weinig nieuws in; die Zutphense krant nam bijvoorbeeld beschouwingen van een liberaal parlementslid uit Zutphen, het was echt preken voor eigen parochie.''

Het vreemdste fenomeen binnen de persvrijheid is de zelfcensuur

""Ja, dat is fascinerend. Kijk maar eens hoe gereageerd is op die rede van Bolkestein over islamieten in Nederland. Zelfs het verslag in de NRC met al zijn idealen van scheiding tussen nieuws en opinie, was zo beladen dat ik dacht: dat kan niet. Jullie hebben weliswaar aan het eind van de week dat kader met de echte tekst geplaatst, maar de discussie komt niet op gang. Er rust kennelijk een taboe op het cultuur-relativisme. Ik vraag me trouwens ook af: hoe schandelijk of journalistiek wenselijk is het om te schrijven dat een Marokkaan of Turk iemand heeft beroofd?

""Ik lees er nooit discussies over. Bij dit conformisme, deze zelfcensuur, stuit je op psychologische processen binnen een groep. Opinion-leaders geven een richting aan, mensen met de grootste waffel of de beste argumenten hebben een intimiderende werking op de rest. De anderen houden dan hun mond, uit zwakheid of verbaal onvermogen, of omdat ze gewoon geen zin hebben.

""Wetenschappelijk kun je daar niet veel mee doen. Je kunt alleen proberen te achterhalen wat er op papier aan directieven en aanbevelingen is gedaan. Ik denk dat het buitengemeen interessant zou zijn om achteraf de notulen van de twaalfuursvergadering van de Volkskrant te bestuderen. Binnen de Volkskrant toen het nog dat katholieke ochtendblad was, tijdens de laatste jaren van Lücker, is er wel degelijk oppositie gevoerd. Mensen als Martin Ruyter, Ineke Jungschleger, Henk Huurdeman een beetje, en Odijk van de kunst, die uiteindelijk als coupplegers de geschiedenis in zijn gegaan, hebben toch wel een afwijkend beleid gevoerd. De rubriek Dag in Dag uit bracht in die jaren zestig vreemd nieuws over provo's en flower power, en dat werd maar net gedoogd. De rest van de redactie moest er niets van hebben, die bleef rooms en Lückeriaans, dat heb ik tien jaar later nòg gemerkt. Er was dus geen sprake van een totale omwenteling; het grootste deel van de redacteuren bleef gewoon zitten, net als het ambtenarenapparaat van de DDR, als die vergelijking niet te stout is.

""Er is nog iets merkwaardigs. Je ziet dat het alternatieve nieuws van de rebellenrubriek Dag in Dag uit plotseling formeel nieuws wordt en promoveert naar de voorpagina. Merkwaardigerwijs niet op het moment dat Lücker verdwijnt, maar veel later. Het heeft dus niet alleen te maken met de officiële commentaren, maar ook met de nieuwsselectie. Ik vrees echter dat je er wetenschappelijk niet veel mee kunt doen, zoiets is alleen te achterhalen via oral history. Dat geldt ook voor andere kranten. Ik vermoed dat er niet veel vast ligt over de gevechten tussen Steketee van het Algemeen Handelsblad en zijn commissarissen over de politieke lijn.''

Welke instelling moet de journalist hebben? Etnocentrisme is fout, cultuurrelativisme ook. Ideologie belemmert het uitzicht, objectiviteit bestaat niet. Hij moet onbevooroordeeld zijn maar toch een referentiekader hebben om onderscheid te maken tussen leugen en waarheid, tussen goed en fout. Wat krijgen de studenten te horen?

""Tja, al die slechte dingen dus niet. Ik denk dat hij in de eerste plaats een grote kennis van zaken moet hebben. Het vermogen om te onderscheiden welk nieuws hardstikke gelogen is of wellicht waar zou kunnen zijn. Het is een feit dat objectiviteit niet bestaat en er dus geen strenge scheiding is tussen feiten en opinies. Maar de journalist moet voortdurend de positie innemen van: ik sta er buiten en kijk. Ik weeg en oordeel, en kan dat alleen doen op basis van een voldoende hoeveelheid kennis en intelligentie. Dat moet het genenpatroon zijn en elke poging om daarvan af te wijken, bij voorbeeld door participatiejournalistiek, leidt tot helemaal niks. Dat heeft zichzelf Godzijdank opgeblazen. Vooral in de jaren zestig had je die merkwaardige dichotomie. Het volk moest mondig worden, maar tegelijkertijd was er die krankzinnige behoefte van journalisten om daarbij leiding te geven. Men voelde de sterke behoefte het ontvoogde volk te vertellen hoe nieuws gewogen en geïnterpreteerd moest worden.''

Spreken we nu voornamelijk over de Volkskrant?

""Absoluut niet, het geldt nationaal en internationaal. De Amerikaanse pers heeft in het hele Vietnam-conflict ontzettend veel boter op het hoofd geladen.

""De verblindheid waarmee men partij koos, en zelfs schreef dat Cambodja werd bevrijd door de Vietnamezen, tot en met het moment dat meneer Pol Pot opstond, ongelofelijk. Er bestond kennelijk een onbedwingbare neiging om partij te kiezen, niet alleen in commentaren maar ook in de verslaggeving, en pas jaren later heeft men zich verbijsterd afgevraagd hoe dat kon. Dat geldt voor de verslaggevers in het veld, maar ook voor de eindredacteuren en de hoofdredacties.''

En nationaal?

""Je zag duidelijk dat journalisten, en ook mensen in intellectuele kringen, die spraken over ontvoogding en ontzuiling, tegelijkertijd kampioenen werden van andere opvattingen. De kranten, Volkskrant maar ook Handelsblad en NRC, stonden vol van meelevende, of op zijn minst met veel begrip geladen berichten over acties als Tomaat, de beeldende kunstacties, of over ontwikkelingen aan de universiteiten, zoals de inspraak die zo catastrofaal is gebleken voor het hoger onderwijs. Men had het valse en onjournalistieke idee dat men vóór moest gaan in wat toen als democratiseringsbeweging werd gezien. Later zag men beschaamd in, niet alleen in de journalistiek, dat men collectief mis was geweest. En het gebeurt weer, het gebeurt nog, want de staat van volmaaktheid bereikt een mens nooit.''

Waar krijgen wij nog spijt van?

""Misschien zijn wij te euforisch over de nieuwe wereldorde en wat daarna komt. Oost-Europa is natuurlijk van een andere orde dan Vietnam of de afbraak van het onderwijs. Maar je mag toch zeggen, of misschien is het ook een taboe, dat de scheiding tussen Oost en West een behoorlijk aantal gruwelijkheden in de ijskast heeft gehouden: religie, jodenhaat, xenofobie, etnocentrisme. Van den Broek wilde meteen een vredesmacht sturen naar Joegoslavië, en Van Eekelen stond ook klaar. Nou ja, Chroesjtsjov em Brezjnev deden het ook en dat vonden wij terecht ernstige vergrijpen tegen de rechtsorde.

""Tja, ik heb altijd op de middelbare school geleerd dat die Baltische staten er in hun twintigjarig bestaan een pan van hebben gemaakt. Griezelige, repressieve en racistische regiems, misschien hebben ze wat geleerd maar ik zie veel terugkomen. Uit die ijskast van de koude oorlog komen nu dingen die ik moreel verwerp, maar die ook objectief gezien zullen leiden tot grote, waanzinnige conflicten.

""De fatsoenlijke Nederlandse kranten hebben overigens behoorlijk en met kennis van zaken gerapporteerd. Maar in de berichtgeving overheerste toch een euforie. Het is moeilijk in zo'n situatie om je aan de algemene blijdschap te ontrekken, want er is iets gruwelijks voorbij en je neemt aan dat het beter zal worden. Denk maar aan Teheran: bij de vreugde over de val van de Sjah met zijn geheime politie Savak, was het moeilijk je voor te stellen dat Khomeiny nog erger zou zijn. Maar een paar kranten hebben dat goed, afstandelijk gedaan.''

De les is dus: verlaat alle geloof, wantrouw, en ga vooral om de hoek kijken.

""Ik heb daar een voorbeeld van. Tijdens die coup in de Sovjet-Unie stond die aardige Derk Sauer in zijn auto voor het paleis van Jeltsin met wat juichende mensen en hij riep: ja, maar als ik nu 100 meter achteruit rij, zie ik tweehonderd mensen voor een lege winkel staan. Ik dacht: verdomme man, dóe het dan. Nieuws, het formele nieuws dus is voor Nederlandse journalisten nog een onterechte autoriteit. Er wordt te weinig aan great reporting gedaan, dus het aftasten van de omgéving van het nieuws, wèg van de persconferentie of het paleis, wèg van de woordvoerders.''

Verlaat alle geloof, wantrouw - zo heb jij gewerkt in Israel en dat beviel niet iedereen. Er is zelfs een strafklacht ingediend over die artikelen wegens vergelijkingen met nazi-Duitsland.

""Ja. Dat heb ik mij wel aangetrokken. Niet omdat ergens een malloot naar de rechter stapte, hoewel het nooit leuk is om voor antisemiet uitgemaakt te worden. Maar als ik had geweten hoe het aankwam, als ik het had laten lezen aan een goeie eindredacteur en die had gezegd: Jan, dat gaat te ver, dan was de kans buitengewoon groot geweest dat ik drie zinnetjes had geschrapt. Het vervelendste vond ik eigenlijk dat Eddo Rosenthal, met wie ik in Israel ben opgetrokken en die ik hoog acht, het oneens was. Erger, hij was treurig en begreep het niet.

""Spijtig, maar ik zag nu eenmaal wat ik zag. Ik was tien jaar niet in dat land geweest en ik schrok me een ongeluk. Ik vond een sfeer van repressie en onderdrukking, heel eng. Ook wel te begrijpen, met al die verdomde Arabs om je heen, maar het is er en je mag er niet over schrijven. Wéér een taboe, net als het allochtonentaboe en het hulpverlenerstaboe. In zekere zin is het ook de tragiek van de WAO-discussie, dat er zo lang niet over gesproken mocht worden.''

Waarom dan tòch? Rebel? Honnête homme?

""Het heeft te maken met de sociale rol die je kiest. Misschien meer dan met diepgewortelde principes of onkreukbare integriteit. Je maakt een afspraak met de buitenwereld: zo is die man. En dan speel je de rol, die ook van jezelf is. Het geldt ook voor kleinere dingen. Ik schrijf twee maal per week een column in de Volkskrant en het komt niet in mijn hoofd op om tegen tien uur op te bellen om te zeggen dat het niet lukt. Het is een afspraak die je met jezelf maakt, maar die ook de buitenwereld raakt. Ik wil de man zijn die altijd levert, en op tijd, ook als ik griep heb of als er thuis iets is. Nee, dat is niet de behoefte om aardig gevonden te worden, want die neemt af. Het was nodig om een beetje orde in het leven te krijgen. Ik wil betrouwbaar worden gevonden op dat soort punten, en die behoefte neemt toe.

""Vroeger? Spreek me daar niet van, alle smoezen uit het smoezenboek. Niet zo geniaal als Joop van Tijn, die drie lezingen op een avond aannam, maar wel heel bekwaam. Op het moment dat je de reputatie van stiptheid krijgt, haal je het ook niet meer in je hersens om die in de waagschaal te stellen.''

Is de toga al klaar?

""Nee, maar ik mag er een laten maken van de Maarten Rooij-stichting. Tot mijn verbazing hoorde ik dat er in Nederland twee toga-fabrikanten zijn. Eén zit in Oisterwijk en bedient het zuiden tot de lijn Rotterdam-Winterswijk. De andere, in Heerenveen, werkt voor de andere helft van het land. Wonderlijke nieuwsfeiten, nietwaar? Ik begeef mij dus binnenkort naar Oisterwijk.''

    • W. Woltz