Een herfstmiddag in de Scheldestraat; Het probleem van de solide middenklasse

Als God de Scheldestraat niet had geschapen was Amsterdam nergens geweest. De Scheldestraat is de ruggegraat van de stad, de basis van het solide midden dat al generaties lang het leven in Amsterdam heeft bepaald en overeind gehouden, de enige garantie dat de stad niet als een kaartenhuis instort. In de Scheldestraat wonen: leraren, dokters, advocaten, huisvrouwen, referendarissen, hoofdverpleegsters, bedrijfsleiders, gepensioneerde onderwijzers, winkelchefs, studenten, ingenieurs, afgekeurde journalisten, restauranthouders, directeuren van kleine bankfilialen, politieinspecteurs, wetenschappelijk medewerkers, denkers, dwazen, procuratiehouders en kunstenaars.

De Scheldestraat vormt de flessehals tussen modaal en rijk, tussen het rommelige stadscentrum en het welvarende Buitenveldert en Amstelveen. Het huizenbestand bestaat nog bijna helemaal uit huurwoningen, maar die huren mogen er wezen. Op straat en in de winkels levert dat een interessante mixture op van de dynamiek van de gewone bourgeoisie, gecombineerd met het succes van Amsterdam-Zuid, een scheutje slechtheid uit de binnenstad en een stevige dosis benepenheid uit de even verderop gelegen Maasstraat. Er zijn twee sigarenzaken, drie kruideniers, vier kappers, twee grote bloemenzaken, een computerhandel, een Spar, een cateringbedrijf, een reisbureau en groot aantal horecagelegenheden: de Churchill-bar, restaurant Faust, bistro Lapin, het café Babbels en nog zeker tien anderen. De bevolking begint wat te vergrijzen, D'66 en de VVD zijn elk goed voor ongeveer een vijfde van de stemmen, maar de sociaal-democraten, jarenlang gesteund door zo'n veertig procent van de buurtbewoners, zijn er bij de laatste verkiezingen bijna de helft van hun aanhang kwijtgeraakt. De Scheldestraat is, kortom, de doorsnee van midden-Nederland: hardwerkend, solide, gematigd links van origine, maar we moeten de realiteit niet uit het oog verliezen.

De erkers en portieken rijzen strak omhoog, nog even rechtvaardig en deugdelijk als toen ze, in het begin van de jaren dertig, door Berlage en Wibaut werden neergezet. In de buurt achter de Scheldestraat is het stil als in een dorp. Over de lege, brede trottoirs van de Volkerakstraat passeren in een kwartier tijd één kat en één mevrouw in een lakjas, en in de Grevelingenstraat, de Roompotstraat en de Krammerstraat is het al niet anders.

""Het is hier een soort Peyton Place, een eiland in de stad,'' zegt de kapper, en die weet alles.

""Niemand is in staat zijn ideologieën, kleren, omgangsvormen en gewoonten sneller te veranderen dan de kleinburger,'' schreef Hans Magnus Enzensberger ooit. ""Hij is een nieuwe Proteus, leergierig tot aan identiteitsverlies toe. Steeds op de vlucht voor het verouderde snelt hij achter zichzelf aan.'' De arbeidersklasse en de hogere bourgeoisie mogen het soms politiek moeilijk hebben, ze weten dat ze onmisbaar zijn. ""De kleine burgerij daarentegen,'' aldus Enzensberger, ""moet voortdurend vechten met het gevoel dat ze overbodig is.''

Martin van der Kwartel is een wonderlijke sigarenwinkelier. Hij kent iedereen. Hij heeft sinds 1965 een zaak in de Scheldestraat, hij krijgt zo'n vijfhonderd mensen per dag over de vloer, hij weet van ongeveer drieduizend buurtbewoners wat ze roken en vanachter zijn toonbank ziet hij de wereld veranderen. Toen hij begon was er nog maar één restaurant in de straat, en op vrijdagmiddag en zaterdag stond zijn zaak altijd stampvol, omdat iedereen dan boodschappen deed. Nu lopen zijn klanten de hele week door in- en uit: veel mensen hebben tegenwoordig deeltijdbanen of flexibele werktijden, en ook de Scheldestraat kent een toenemend aantal gepensioneerden, WAO-ers, wachtgelders en werklozen. De gesprekken in de zaak gingen vroeger ergens over, zegt Van der Kwartel, over de opvoeding van de kinderen bijvoorbeeld, of over het leven. ""Nu praten ze over de auto en de vakanties, en ze gaan steeds vaker, twee, drie keer per jaar.''

In de jaren tachtig begon de straat te veranderen. De kleine ijssalon werd uitgebreid tot een regenboog van smaken, de fietsenwinkel ging zich specialiseren in mountainbikes en de twee groentehandelaren begonnen een concurrentieslag op het gebied van saladebakken. De eerste had er wel vijftien: avocadosalade, provencaalse salade, vruchtensalade stonden er naast zeker nog zes andere soorten, de ander, met een twee keer zo kleine toonbank, vulde de bakken met gemengde sla, wortels, aardappels en gesneden uien. Bij deze laatste stonden de oudere bewoners in hun deux-piece's en regenjassen rustig op hun beurt te wachten, bij de andere zetten haastige studenten en snel geklede dertigers de toon.

Die saladebarren stammen uit dezelfde periode waarin de straat opeens gedomineerd werd door jongeren met snelle auto's en draagbare telefoons, die elkaar over het troittoir bedragen toeriepen waar de rest van de straat van duizelde. Het waren zogenaamde yuppies, twintigers en dertigers uit de middenklasse die in het midden van de jaren tachtig in reactie kwamen tegen het in zichzelf gekeerde "ik-tijdperk' van het decennium daarvoor. Hun stijl legde de nadruk op zichtbare rijkdom en distinctie, en riep daarbij de illusie op dat dat alles ook verdiend was. Ze schiepen een cultuur die het leven en denken in de Scheldestraat nog tot in de jaren negentig zou beïnvloeden.

Martin van der Kwartel kreeg ze in die tijd ook veel in de winkel. Zijn echt rijke klanten, zoals Freddy Heineken, daar zag je nooit wat aan. Die kwamen gewoon voor een pakje sigaretten, een krantje en een pennetje. Maar die yuppen, die vroegen direct naar een gouden Dupont, en het duurste was nog niet goed genoeg. ""Pennen met briljantjes, dat hadden ze ergens gezien, en dat moesten ze dan hebben!''

De echte yuppen verdwenen uit de Scheldestraat ongeveer even snel als ze gekomen waren. Ze waren een te tragische kopie van de echte rijken. De jonge zakenlieden, kantoortijgers en ondernemers namen wel de normen, kleding en leefstijl van de rijken over, maar verschilden in één essentieel onderdeel van de echte aristocratie: waar deze laatsten hun rijkdom als een rustige vanzelfsprekendheid zagen, bleef bij hen het werken, de carrière, het klimmen voorop staan. Uit het ik-tijdperk erfden ze de mythe van de onbegrensde mogelijkheden, al zagen ze die nu vooral in het materiële vlak. Hèt handelsmerk voor de yup in die jaren was heen en weer rennen van afspraak naar afspraak en een chronisch gebrek aan tijd voor de gewone dingen des levens. Voor een deel kon dat niet anders: zonder hard te werken konden ze zich nooit een dergelijk excessief consumptiepatroon veroorloven. Voor een deel greep de yuppiecultuur daarin, zoals alle subculturen doen, ook terug op een belangrijk element in de oude burgerlijke cultuur: het arbeidsethos. Maar vooral ook werd die preoccupatie met werken bepaald door angst: de angst om weer aan de foute kant van de scheidslijn terecht te komen, om te struikelen, de oerangst om te vallen die altijd onder iedere middenklasse sluimert en die sterker wordt naarmate de toekomst onbestendiger is.

In diezelfde jaren reden ondertussen iedere zondagmiddag tientallen mannen van hun peperdure villa's aan de Goudkusten van Amsterdam-Zuid en Buitenveldert naar de Scheldestraat, ze parkeerden hun Ford Sierra's, Mercedessen en Alfa Romeo's dubbel en driedubbel voor de deur van de kosjere broodjeszaak van Sal Meijer, en dan was het ouderwets inladen: broodjes pekelvlees, kalfsrollade, warm vlees, halfom, hamburgerrib, zuur, kroketten. Thee moesten de klanten zelf inschenken. En nooit vroeg één van die mannen zich af of Sals zaak trendy was of niet, en of zijn broodjes halfvette osseworst wel representatief genoeg waren.

""Rijkdom heeft zo zijn voordelen en het pleidooi voor het tegendeel - hoewel dat vaak gedaan is - is nooit erg overtuigend geweest. Maar één ding is wel zeker: rijkdom is de medogenloze vijand van begrip.'' Zo begint John Kenneth Galbraith zijn klassieke meesterwerk The Affluent Society, waarin hij met een keur aan argumenten benadrukt dat collectieve goederen als wegen, zwembaden en lantarenpalen voor het menselijk geluk minstens zulke essentiële gebruiksgoederen zijn als ijskasten, tv's en andere consumptieartikelen, en dat bijvoorbeeld goed onderwijs een minstens zo belangrijke investering is als het neerzetten van een fabriek. Hij beschrijft een picnic-dagje van een familie: een prachtige auto, het heerlijkste eten, maar de wegen zijn nauwelijks te berijden, de lucht is vervuild, het park is niet om aan te zien en er is veel te weinig politie om de boel ook maar een beetje in de gaten te houden.

De Scheldestraat is een "Affluent Society' in het klein. In de sigarenzaak van Martin van der Kwartel zijn de best verkochte bladen Cosmopolitan - "Romantisch wakker worden in een vreemd bed' - Avenue, Avant Garde en Privé - "Yolande werkt nu voor Ted de Braak'. Maar hij heeft ook De Groene, Vrij Nederland, HP-De Tijd, Elegance - "Bruisend Brazilië' - Nouveau, Money - "De zakenman en zijn tweede vrouw' - Slaapkamer, VT Wonen en nog zo'n tweeduizend andere titels. In de bladen staan kleren beschreven die niemand in de Scheldestraat ooit zou durven dragen, en interieurs die nooit van z'n leven ergens op drie hoog gerealiseerd kunnen worden. Van der Kwartel begon in 1970 met drie bladen, VN, Panorama en Televizier. Nu heeft hij 104 meter aan tijdschriften in zijn zaak liggen. Zijn klanten weten meer dan al hun voorouders bij elkaar, ze weten alles over algenkuren, over woonideëen uit Afrika, over motorfietsen, over de relatie tussen Sandra en haar ex-man Ferdie en nog veel meer. Zelfs het niet-weten is een kunst op zich geworden: om alles te kunnen bijbenen wat belangrijk is moet minstens zoveel energie worden gestoken in het afhouden van alle ongewenste en oncomfortabele informatie.

Een deel van de Scheldestraat leeft zo min of meer in een wereld van dromen. Anders gezegd: er zijn voor veel mensen stukken uit de realiteit gesneden. Armoede, ouderdom, ziekte, verval, dood. Problemen ook, die zich nu nog om de hoek afspelen: de zwarte jeugd, de mogelijke immigrantengolven uit het zuiden en het oosten, het milieuvraagstuk. Wie naar de gesprekken luistert in de winkels, bij de kappers en in de café's kan maar tot één conclusie komen: voor de Scheldestraat lijkt het allemaal nauwelijks te bestaan.

Voor een deel komt dat omdat die stukken van de realiteit in het dagelijks leven van de Scheldestraat zelden te zien zijn, en als ze voorkomen worden ze meestal zorgvuldig uit het zicht gehouden. Maar de belangrijkste oorzaak ligt in het feit dat veel bewoners voor een belangrijk deel in staat zijn zelf hun leefwereld bepalen. Ze rijden hun auto tot in de parkeergarage van de Stopera, gaan naar een balletvoorstelling, drinken wat in het naburige café en ze zijn "op pad' geweest. Ze winkelen een uur in de Bijenkorf en drinken een kopje thee in De Bonneterie en ze zijn "de stad in' geweest. En wat de jongeren betreft: zolang ze beneden de vijftig zijn moeten de meesten zelfs hun eerste confrontatie met ziekte en verval nog beleven. In de Scheldestraat schijnt, kortom, de zon altijd.

De collectieve mythe van de Scheldestraat bestaat uit in essentie uit één onuitgesproken, stilaan aanvaarde gedachte: dat Nederland, op een paar kleine probleempjes na, eigenlijk "af' is. Als er in de Scheldestraat al over politiek gepraat wordt gaat het over het verleden, over de verzorgingsstaat, en wat daarvan afgebroken kan worden, en wat moet blijven. Bijna niemand draait zich om naar de toekomst.

John Kenneth Galbraith schreef zijn pleidooi voor een meer evenwichtige verdeling van de rijkdom tussen de private en de publieke sector in 1958, toen het openbare debat in de Verenigde Staten in een merkwaardige impasse verkeerde. Het "zoeken naar een Zaak', zo beschreef Daniël Bell die periode, en hij noemde zijn boek De uitputting van politieke ideëen in de jaren vijftig. ""Er moeten nog wat haarden van armoede worden opgeruimd,'' schreef Arthur Schlesinger jr maar dan zou de aandacht toch vooral moeten worden gericht op de problemen van de overvloed. En president Eisenhower, verontrust over een maatschappij zonder uitdagingen, benoemde zelfs een commissie "goals for Americans'. Nog geen vijf jaar later stond het land in vuur en vlam vanwege de demonstraties en de rassenrellen en met een schok ontdekten de Amerikanen dat vijftig miljoen van hun landgenoten onder de armoedegrens leefden.

In Nederland lijkt de gedachtenvorming op dit moment in een soortgelijke impasse te verkeren. Wie in deze maanden, na een jarenlang verblijf in een ander werelddeel, in de Scheldestraat zou terugkeren, zou een buurt aantreffen met ogenschijnlijk slechts één probleem en één openbare discussie. Te weten: kan ik 's avonds nog wel de straat op, en: wordt ons zuurverdiende invaliditeitspensioen niet door nietsnutten en zwartwerkers uitgevreten. Bij kapper Jelle van der Knoop gaan de gesprekken over het verbreken van de relatie tussen Yolande en Willem Alexander, over de vakantie, de nieuwe gordijnen en over de geestelijke crisis van dokter Simon uit Goede Tijden, Slechte Tijden.

Het is "wij' en "de anderen' in de Scheldestraat, en die "anderen' beginnen zodra men de brug over het Amstelkanaal gepasseerd is: de "krakers', "zwartwerkers', "simulanten', "illegalen', de "jeugdgangs' en de "criminelen'. De "invented poor' worden ze in de Amerikaanse sociologie wel genoemd, figuren die geen gewone mensen meer zijn, maar projecties van de angsten van de Bijenkorf en de Bonneterie.

Die angsten komen niet uit de lucht vallen. Er verschijnen steeds meer wolken aan de horizon van de Scheldestraat, en aan de overkant van de brug, waar de wereld van "de anderen' begint, trekt het zelfs stevig dicht. De komende jaren zal het straatbeeld er radicaal veranderen. Op dit moment zijn er in Amsterdam 52.500 woningurgenten, er zijn 70.000 werklozen en 26 procent van de bevolking is van niet-Nederlandse afkomst. 47 Procent van de Amsterdamse basisschooljeugd bestaat uit allochtone kinderen. (Rotterdam 35 procent, Utrecht 30 procent). Die nieuwe geboortegolf zal rond 2005 volwassen zijn, een huis nodig hebben en een baan zoeken. Veel Nederlanders trekken bovendien uit de stad weg. Vermoedelijk niet lang na 2005 zal dan ook in de hoofdstad de helft van de beroepsbevolking uit nieuwkomers bestaan. Dat hoeft geen probleem te zijn, als er de komende jaren maar veel energie in het onderwijs wordt gestoken. Sommige groepen - bijvoorbeeld Surinaamse meisjes - doen het goed, maar de meesten niet. In het Amsterdamse lager beroepsonderwijs maakte vorig jaar 43 procent van de leerlingen de opleiding niet af. Daarvan was 80 procent van niet-Nederlandse afkomst.

Een werkgelegenheidsprognose tot het jaar 2005 is moeilijk te maken, maar wel is voor Amsterdam een berekening gemaakt voor de werkgelegenheidssituatie onder nieuwkomers in 1995. Alleen al als men via positieve acties het werkloosheidspercentage onder allochtonen gelijk wil krijgen met dat van autochtonen, dan moet de hele toename van de werkgelegenheid van nu tot 1995 ten goede komen aan de nieuwkomers. Lukt dat niet, en het aantal werkende nieuwkomers stijgt niet noemenswaardig, dan zal het werkloosheidpercentage onder hen rond 1995 zijn opgelopen tot 45 procent.

Daar komt nog een extra complicatie bij. Het gaat hier niet om een statische groep immigranten, die bezig is zich langzaam te integreren, maar om een dynamisch proces waarbij via "migratiebruggen' van familieleden alsmaar nieuwe immigranten toestromen. Dat kan tot toenemende spanningen leiden.

De meeste immigrantenkinderen zullen opgroeien in de grote, redelijk goedkope flatwijken die in de jaren vijftig rond veel steden gebouwd zijn - een concentratieproces dat nu al gaande is. Nu de huren hoger worden en de huursubsidies verdwijnen zijn de laagste inkomens vrijwel helemaal op dit soort buurten aangewezen. De ervaring leert dat wijken in zo'n situatie een zeer intensief beheer vergen. Als dat niet gebeurt - en vanaf volgend jaar zijn de subsidies voor de befaamde "kleine beurt' inderdaad vrijwel ingetrokken - kunnen gemakkelijk Engelse toestanden ontstaan.

De problemen kunnen nog groter worden als, zoals in de Verenigde Staten in veel zwarte en gekleurde wijken gebeurd is, de "informele leiders' wegtrekken: de onderwijzer, de zwarte advocaat, de imam. Er ontstaat dan een scheiding binnen de minderheidsgroepen zelf. De kaders, de werkenden, de beter betaalden integreren, de rest van de buurt blijft achter en zakt, nu de voorbeelden weg zijn, steeds verder weg in een spiraal van apathie, armoede en geweld. Daarbij komt dan nog eens de toenemende druk van vluchtelingen uit Afrika en Oost-Europa, richting West-Europa. Die stroom kan meevallen - en daar ziet het nu naar uit - maar die situatie kan ook van de ene op de andere maand omslaan. En dat laatste betekent in de nabije toekomst aanzienlijk meer illegalen in de stad, en meer hongerige en dakloze mensen op straat.

Er hangt een omslag in de lucht, een politieke omslag, en misschien ook wel een maatschappelijke. Ook in de Scheldestraat is ander weer op komst, maar hoe en wat weet niemand, en niemand wil het weten ook.

De in Libanon gegijzelde John McCarthy beschreef na zijn vrijlating de eerste uren van zijn gijzeling als: ik had niet in de gaten dat het mezelf betrof, ik dacht dat het een film was. Veel inwoners van de Scheldestraat reageren op dezelfde manier als ze met een groot maatschappelijk probleem geconfronteerd worden: het is een film, het heeft niets met ons te maken. En voor wie niet verder kijkt dan één, twee jaar is dat nog waar ook.

""Als we niet oppassen wordt het hier een ghetto,'' zegt de kapper. ""Een ghetto van rijken.'' Onder het knippen hoort hij zijn klanten klagen. ""De invaliditeitsuitkering, voor driekwart zijn het zwartwerkers.'' ""Voor ons blijft er straks niets meer over.'' Ze zijn bang op straat en ze zijn bang voor hun pensioenen.

Honderd meter verder wordt op hetzelfde moment het laatste grote kraakbolwerk, de Wielingen, gesloopt. Eén eenzame man in een rode overall en één monsterachtig grote dragline happen samen de ene kamer na de andere uit het gebouw. Het was er de laatste jaren een puinhoop, maar tientallen thuislozen vonden er in elk geval een dak boven het hoofd. Nu zwerven ze weer door de stad.

Voor het hek kom ik een oude kennis tegen, een "jongen van de straat' met wie ik voor deze krant een paar weken door de stad zwierf. Van de ongeveer twaalf daklozen die in die reportage een rol speelden blijken er nu, een jaar later, vier dood te zijn: Meindert, die op het Amstelveld in de avondkou treurige en berustende gesprekken wilde voeren is op een herfstavond het IJ ingelopen, Jan-Willem is in het ziekenhuis bezweken aan een leverscirrose, Haagse Hilga, de oerlelijke, maar altijd welgemoede heroïne-prostituee is twee maanden geleden dood gevonden op oud spoorwegemplacement, vlakbij een paar lege rioolbuizen waar ze vaak de nacht doorbracht en de man die wij altijd "opa' noemden heeft zich, nadat hij tevergeefs een aantal hulpinstellingen had afgelopen, van de zomer in de binnenhal van de Bijenkorf te pletter gegooid.

Armoede, schaarste, honger, het was een doem die eeuwenlang over bijna de hele stadsbevolking hing. En wie ervan gevrijwaard was, wist dat het een kwestie was van wijsheid, en veel geluk. Pas sinds enkele generaties leeft er een middenklasse die zulke problemen niet meer van nabij gekend heeft. Die bevrijding heeft tegelijk een soort zorgeloosheid geschapen, een naviteit waarmee over onderwijs, werk, armoede, ziekte, verwardheid en schaarste gesproken wordt die niet helemaal van de wereld is.

Een voorbeeld. Op de magere gemeentebegroting voor de opvang van daklozen moet volgens de Haagse rekenaars volgend jaar nog eens acht ton bezuinigd worden. De gemeente Amsterdam weet wel beter en gaat dat geld nu uit andere middelen bijpassen. Nu al kan zelfs een simpele opvang als het zogenaamde Stoelenproject - niet meer dan een dak boven het hoofd en een kop soep - wegens geldgebrek nauwelijks van de grond komen.

Een ander voorbeeld. Door "efficiënter te werken' moeten de steden voor 1994 miljoen opbrengen, tien procent van hun budget. Hoe en waar dat moet gebeuren, daarover is nog niets bekend. Men heeft geen idee hoe de steden gaan veranderen, wat er allemaal zal gaan gebeuren, het enige wat men zeker weet en waar alle aandacht naar uitgaat is de bezuiniging die er in 1994 uit zal komen: 550 miljoen, tot op de komma.

Hele groepen als een baksteen laten vallen past niet in het Nederlandse beleidsdenken, en helemaal weg is de verzorgingsstaat nog niet. Het overheidshandelen en het politieke debat lijkt in deze periode echter volkomen geconcentreerd te zijn op de wankele balans tussen bezuinigen, rust en gemoedsrust. Werkelijk investeren in de toekomst lijkt, ondanks alle rhetoriek en ondanks de grote rijkdom van het land, geen prioriteit te hebben.

Het zijn woorden. Voor het nieuwe, veel besproken "opstapproject' - begeleiding van jonge allochtone kinderen, samen met hun moeders, is voor Amsterdam precies één miljoen gulden beschikbaar. Alleen: het is een aflopende subsidie, dus binnen vier jaar moeten de (deel)gemeenten het helemaal zelf betalen, en niemand weet hoe.

Woorden. Het ministerie van volkshuisvesting heeft, wegens de komst van grotere groepen vluchtelingen, ""het budget verhoogd met ƒ 9 mln''. Alleen luidt de zin daarop: ""Tegelijkertijd is het budget verlaagd met ƒ 30 mln''.

Woorden. Na ruim twee jaar publiek debat over sociale vernieuwing heeft de omvangrijke Turkse jeugdclub van Bos en Lommer zelfs nog niet een klein, eigen zaaltje voor al haar activiteiten. De wachtlijsten voor taalcursussen lopen in de honderden. Van de 1700 miljoen gulden aan regelingen die in principe in het gemeenschappelijke Fonds voor Sociale Vernieuwing gestopt zouden moeten worden is nog maar 600 miljoen binnen.

Woorden. In het kader van de "efficiency-campagne' moesten de twee jongens die jarenlang bij de GGD en GD ambulances schoonspoten vervangen worden door een machine. Met heel veel geluk kunnen ze, in het kader van de "sociale vernieuwing' misschien weer "teruggeploegd' worden naar een andere baan.

Het zijn woorden, zoals Yes, Flair, Nouveau en Avant-Garde woorden zijn, onderdelen van een en dezelfde wereld. Op dit moment zijn de invaliden de "invented poor' van Nederland. Het openbare debat gaat niet over de automatisering en het verdwijnen van een hele categorieën werk, niet over het tempo en de hoge werkdruk, maar alleen over de hoogte en de aard van de inkomenssubsidies van de nieuwkomers, de niet-snellen en de buitenstaanders. Daarmee wordt de aandacht verlegd naar het gedrag van werklozen, inplaats van de oorzaak van hun werkloosheid onder ogen te zien. De herziening van de wetgeving op dit punt is dan ook niet gebaseerd op wat maatschappelijk het beste is, maar op zuinigheid en rust. De legitimatie, het spreiden van "de pijn', staat centraal in de plannen, niet wat met al dat geld aan stimulerends, nuttigs, creatiefs, rechtvaardigs en goeds gedaan zou kunnen worden, niet de openbare werken, in de ruimste zin van het woord.

""De esthetiek van de winnaar sluit de ervaring van het verliezen, van de nederlaag, van de verwonding uit - behalve voorzover degenen die hieronder lijden kunnen worden gepresenteerd als uitzonderingen die de hulp van winnaars nodig hebben,'' schreef de Britse cultuurcriticus John Berger onlangs in een Volkskrant-column. Het is precies dat gevoel, dat zowel Den Haag als de Scheldestraat lijkt te verdoven.

Goede woorden en plannen zijn er zeker, en ze worden beloond, op de kas wordt goed gelet, maar wie aandacht vraagt voor het concrete praat tegen een muur. Zelfs de "revolutionairen' in de oude, sociaaldemocratische partij komen niet verder dan procedurevoorstellen, en hun visie reikt niet verder dan het komende halfjaar. Het middel - bezuinigingen - lijkt verheven tot doel, en het doel is achter de horizon verdwenen.

Alles in de wereld van de Scheldestraat houdt de illusie van onkwetsbaarheid en onafhankelijkheid in stand, en het geloof in eigen kracht. Voor alles wat daarbuiten valt is slechts één frase ingeruimd: ""Goh, wat erg!''

Ieder mens heeft in zijn leven wel zo'n periode, waarin de mythe van de onbegrensde mogelijkheden domineert. Ieder mens kent ook het moment waarop die illusie als illusie herkend wordt. Het probleem van de Scheldestraat is dat, in haar eigen, ingesloten wereld, die mythische fase eindeloos en eindeloos verlengd kan worden.

In Den Haag nam de Kamer deze week de toestand van de natie door. Er werd gesproken over het milieu, de salarissen van de dokters, de invaliditeitsuitkeringen, over de omroep, over incest en over de "verzelfstandiging van de burger'. In de Scheldestraat hing de eerste ochtendnevel. Het is herfst in Nederland, en de winter is in aantocht.