Boze Algerijnen: "Wat koop je voor democratie? Niets!'

ALGIERS, 12 OKT. “Democratie? Wat democratie? Onder Boumedienne (de vroegere president van Algerije) kon ik mijn mond niet open doen. Wie ook maar iets zei, werd met de bijbehorende martelingen subiet in de gevangenis gegooid. Maar we hadden allemaal een behoorlijk bestaan. Nu mag ik zeggen wat ik wil. Ik kan u vrijuit vertellen dat het hier één grote puinhoop is, dat ik liever vandaag dan morgen vertrek. En er is niemand die me wat doet. Maar het leven wordt wèl elke dag duurder en ik kan mij steeds minder permitteren. Wat koop ik voor democratie? Niets! Dus zeg ik maar: Leve wijlen Boumedienne.”

De man die mij van het vliegveld Houari Boumedienne bij Algiers afhaalde, lachte om zijn eigen grap. Het ging hem in zijn eenmansbedrijfje financieel niet slecht. Maar hij was toch heel erg kwaad - net zo kwaad als vrijwel alle Algerijnen.

Zij zijn boos op hun leiders die van Algerije een puinhoop hebben gemaakt. Zij zijn boos op de buitenlandse machten en krachten die tegen Algerije samenzweren. En zij zijn boos op de wereld die Algerije in de steek laat. Libië bij voorbeeld, dat onlangs weigerde Algerije een krediet van 1,5 miljard dollar te geven. Zelfs Saddam Hussein, nog maar een half jaar geleden Het Voorbeeld voor de Arabische Natie, is vergeten. “Hij is geschiedenis geworden”, hoor ik voortdurend. “We hebben nu iets anders aan ons hoofd, we moeten een nieuwe bladzijde omslaan.”

Maar een heleboel mensen willen juist de bladzijden terugslaan, eeuwen in de geschiedenis teruggaan. Dat wil een groot deel van de jeugd, die werkloos is en werkloos zal blijven. Volgens officiële getallen hebben anderhalf miljoen mensen geen werk, maar de werkelijkheid is veel treuriger: het zijn er ten minste twee, waarschijnlijk zelfs drie miljoen.

In Algerije zijn die jongeren overal en alom aanwezig. Tweederde van de bevolking is onder de 30 jaar. Honderdduizenden kunnen bij gebrek aan woonruimte niet trouwen. Wie trouwt, trekt bij zijn ouders in en zorgt ervoor niet al te veel kinderen te krijgen. Dat staat de beschikbare woonruimte eenvoudig niet toe. Bovendien: wie moet hen in de toekomst onderhouden, nu de werkgelegenheid en de mogelijkheden om naar het buitenland te emigreren steeds minder worden?

Bijna alle Algerijnen zijn er absoluut van overtuigd dat hun land in principe één van de rijkste en machtigste landen ter wereld is en dat zijzelf tot grootse daden in staat zijn.

Pag 4:

Wondermedicijn voor Algerije

De onafhankelijkheidsoorlog tegen het oppermachtige Frankrijk, die men tegen alle voorspellingen in won, heeft dat bewustzijn gecreëerd. En de islam, de laatste en de beste aller Godsopenbaringen, pleegt zulke gevoelens nog verder te stimuleren. Want elke rechtgeaarde moslim - en in Algerije is de islam heel diep verankerd - weet dat de islam vroeger al, dankzij Gods wil, zegevierend was en daarom in de toekomst opnieuw zijn superioriteit bewijzen zal.

In Algerije heeft men des te meer behoefte aan dit anker van hoop en vertrouwen, omdat miljoenen mensen in feite helemaal geen hoop en vertrouwen hebben - niet in hun leiders, niet in zichzelf, en niet in hun toekomst. Zij wachten op de dingen die gaan gebeuren. Maar zij wachten in kwaadheid, want ze willen helemaal niet wachten. Zij willen terstond en nú een baan hebben, waar zij niet al te hard hoeven te werken maar wèl met goede verdiensten, behoorlijke huisvesting, Westerse consumptie-artikelen, elke dag vlees op tafel en de mogelijkheid om zeker één keer per jaar naar het buitenland te reizen.

In de afgelopen dertig jaar zijn zij gewend geraakt dat de Overheid, in de vorm van de almachige eenheidspartij FLN, als de Goede Grote Gever optrad. De gigantische staatsondernemingen die onder wijlen Boumedienne naar stalinistisch model werden opgezet, dat wil zeggen kant en klaar in het buitenland gekocht, waren en bleven altijd verliesgevend. Maar er was niemand die zich daarom bekommerde.

Zeker éénmaal per jaar vierde de onderneming feest. Dan kregen de werknemers hun jaarlijkse bonus; zij mochten delen in de (imaginaire) winsten van het bedrijf, die dankzij de (minimale) produktiviteit van de werknemers waren behaald. Twee dagen tevoren kreeg een plaatselijke bank opdracht om een grote hoeveelheid geld te reserveren. Dat geld werd dan voor het oog van de nationale tv-camera's door de bazen van de onderneming en de plaatselijke chefs van het FLN aan de arbeiders uitgereikt.

De meeste Algerijnen wisten niet dat het allemaal bedrog was: dat de produktiviteit opnieuw ver beneden peil was gebleven en dat de gemaakte winsten in feite forse verliezen waren. Verliezen, die door de overheid met de mantel van liefde werden bedekt en met olie- en gasdollars werden gladgestreken. Dus traden de leiding van de onderneming, de directeur van de plaatselijke bank, de commandanten van het leger en de plaatselijke bewindvoerders van het FLN in de regio allemaal op in een grote komedie, die - nu er geen geld meer is en de overheid als de Zorgzame Moeder van alle Algerijnen ontvallen is - een tragedie aan het worden is.

De overgrote meerderheid van de bevolking heeft nog steeds geen idee van de economische schijnwereld waarmee de dictatuur hen jaren lang zoet hield. Geen wonder dat - nu de overheid gedwongen wordt haar vroegere rol van Goede Gever op te geven - er een algeheel gevoel is van woede en verbittering.

In Algerije praat en schrijft men over de economische liberalisering die de ondernemingen eigen verantwoordelijkheden geeft, inclusief de mogelijkheid om failliet te gaan. Maar het is tot dusverre voor de niet direct betrokkenen alleen maar theorie. De regering, de media en de politici hebben nog steeds de verzorgingsstaat als het enige, juiste model in het hoofd. Zij hebben de idee niet opgegeven van de "sociale rechtvaardigheid', waarop volgens de overheid en de Partij iedereen een onvervreemdbaar recht heeft. Het wil maar niet doordringen dat er weliswaar een zeer grote hoeveelheid olie- een aardgasdollars beschikbaar is, maar dat een steeds groter deel van die inkomsten nodig is om zowel de voortdurend gestegen importbehoeften van Algerije te dekken als de aangegane schulden af te betalen.

Het is dan ook geen toeval dat bijna alle kranten en politieke partijen nog steeds de "sociale rechtvaardigheid' hoog in hun vaandel voeren, maar tegelijkertijd beweren dat zij voor een vrije markteconomie zijn. Zo worden potentiële klanten en kiezers in een nieuwe, economische schijn-werkelijkheid geherhuisvest.

In de duizelingwekkende problemen van alledag verstrekken de islamitische scherpslijters een helder en duidelijk antwoord. Niet voor niets heet hun politieke partij Front van Islamitische Redding (FIS). Zij beloven - zoals imam Khomeiny dat vanuit zijn ballingsoord in Frankrijk deed - dat een ieder die zich via de geestelijkheid tot God wendt en die volgens de normen leeft van het tijdperk waarin de profeet Mohammed leefde, beloond zal worden - zo niet hier, dan in het hiernamaals.

Zij bieden een uitweg aan allen die de weg van onderzoek, wetenschap, rationalisme en economische vooruitgang niet kunnen bewandelen of op die weg struikelen: droom en werkelijkheid worden naar het verleden omgebogen. Men hoeft niet langer strijd te leveren tegen de onbekende, angstaanjagende en bedreigende toekomst. Die toekomst is er immers al - indien men dat tenminste wenst - als kopie van het verleden. Met de her-introductie en de strenge toepassing van de shari'a, de islamitische rechtsregels, zullen alle problemen van individu en maatschappij worden geregeld.

Dit goed verkoopbare wondermedicijn belooft in één klap alle kwalen te genezen zonder dat men moeizaam naar de oorzaak van diverse ziekten hoeft te speuren. Het is dan ook bij uitstek geschikt om mensen - vooral jongeren - die verstrikt zijn geraakt in hun onvervulde behoeften, alsnog te bevredigen. Het is tevens een totalitair medicijn, dat niet zo maar door enkelen wordt geslikt, maar een gehele samenleving zonder aanziens des persoons door de strot wordt geduwd.

Naast de miljoenen in Algerije die in deze geneeswijze geloven, zijn er miljoenen die niets van het medicijn moeten hebben. Zij zijn versplinterd en veel minder goed georganiseerd, want zij gaan niet allemaal uit van één en dezelfde leidende gedachte. Maar zij zijn vast van plan om zich te verzetten tegen de nieuwe zich op God beroepende dictatuur die de wortels van hun bestaan bedreigt.

“Daarom staat Algerije voor een burgeroorlog, die onontkoombaar is”, zegt dr. Boualem. “Wat er ook gebeurt, er komt geweld. Het staat alleen nog niet vast wanneer de zaak explodeert.”

De werkelijke machthebbers - legt hij uit, zonder hun namen te noemen - willen van hun privileges geen afscheid nemen. Zij proberen, met behoud van hun macht, door middel van voorgekookte verkiezingen, Algerije een pseudo-democratie op te leggen, teneinde zo de noodzakelijke leningen en investeringen uit het Westen aan te trekken.

Er komen echter pas geldinjecties uit het buitenland als tegelijkertijd de levensstandaard van de burgers aanzienlijk naar beneden wordt bijgesteld. Dit jaar zijn er al tienduizenden in de textielindustrie ontslagen. Zij worden niet, zoals in het Westen, door een sociaal vangnet van de overheid opgevangen, maar uitsluitend door hun familieleden, als die daartoe bereid en in staat zijn. Naarmate er meer mensen worden ontslagen - wat onvermijdelijk is, gezien de onproduktiviteit van de bedrijven en het onvermogen van de overheid om hen nog verder te subsidiëren - zal de sociale onrust toenemen en uiteindelijk tot een nieuwe, bloedige explosie van geweld leiden.

Mochten de machthebbers toch, noodgedwongen, vrije en democratische verkiezingen organiseren, dan zullen de moslim-fundamentalisten ongetwijfeld als de sterkste politieke groepering uit de bus komen. Zij zullen een islamitische dictatuur proberen te vestigen - en ook dat zal uiteindelijk leiden tot een orgie van geweld.

Boualem is een intellectueel die in het Westen zijn opleiding heeft gekregen. Hij sympathiseert met één van de politieke partijen die zich "democratisch' noemen; maar zijn sympathie gaat niet zo ver dat hij zich als actief lid heeft aangemeld. Want als insider van de machtsverhoudingen in zijn land, is hij zo cynisch geworden dat hij in niets meer gelooft. Hij heeft de moed opgegeven dat het in Algerije binnenkort tot een geweldloze, èchte democratisering komt. Dus neemt hij alleen waar, intussen hopend dat zijn duistere voorspellingen niet zullen worden bewaarheid.

Zijn vrienden, die wèl lid zijn van de democratische partijen, zijn niet minder somber. Maar zij hoeden zich ervoor in het openbaar de burgeroorlog te voorspellen. Dat zou alleen hun werk verlammen. Dus spreken zij hoopvol in het openbaar over de zegenrijke werking van de democratie, maar worden onder vier ogen uiterst pessimistisch.

Na bijna 30 jaar trotse onafhankelijkheid en autoritair-dictatoriaal bestuur is Algerije een innerlijk verscheurd land geworden. De eens zo sterke machthebbers zijn door gebrek aan geld machteloos geworden. Zij moeten de een of andere vorm van democratie toestaan om met anderen de verantwoordelijkheid te delen voor de economische offers, die nu van de door hen zo verwende burgers worden gevraagd.

Het politieke gevecht dat de afgelopen maanden in het openbaar en in het geheim werd gevoerd, gaat over de vraag of die democratie uitsluitend pro forma zal zijn - dat wil zeggen op afstand geleid wordt door een militaire elite, die altijd al de macht had.

Het is een verschrikkelijk moeilijke beslissing. Want als men de democratie werkelijk inhoud geeft, riskeert men het aan de macht komen van de moslim-fundamentalisten. Zij zullen binnen de kortste keren - daarover bestaat geen twijfel - afrekenen met het "on-islamitische concept' van volksmacht in plaats van Gods macht.

    • Michael Stein